ECLI:NL:RBGEL:2026:1727

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/05/461717 / FA RK 26-108
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voogd tot vaststelling omgangsregeling tussen pupil en halfzusje

De voogd van een 17-jarige pupil verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen de pupil en haar 5-jarige halfzusje, die meervoudig gehandicapt is en veel zorg nodig heeft. De moeder van de kinderen verzette zich tegen het verzoek en stelde dat de voogd niet-ontvankelijk moest worden verklaard of het verzoek moest worden afgewezen.

De rechtbank stelde vast dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de pupil en haar halfzusje, mede vanwege hun bloedband en het feit dat zij jarenlang samen in één huis hebben gewoond. Ondanks de slechte verstandhouding tussen de pupil en de moeder, erkende de rechtbank de wens van de pupil om contact te hebben met haar halfzusje.

Echter, de rechtbank oordeelde dat het belang van het jonge en kwetsbare halfzusje zwaarwegend is. Er was onvoldoende bewijs dat het contact in het belang van het halfzusje zou zijn, mede omdat zij haar halfzusje niet herkent en vanwege haar beperkingen. Ook de spanningen en loyaliteitsconflicten die het contact zou kunnen veroorzaken, speelden een rol.

De rechtbank concludeerde dat het nu te vroeg is om een omgangsregeling vast te stellen en dat nader onderzoek nodig is om het contact op een niet-belastende wijze vorm te geven. Het verzoek van de voogd werd daarom afgewezen, zonder veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de voogd tot vaststelling van een omgangsregeling af vanwege het belang en de kwetsbaarheid van het jonge halfzusje.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/461717 / FA RK 26-108
Datum uitspraak: 5 maart 2026
beschikking over omgang
in de zaak van
de gecertificeere instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland, Regio Midden(nader te noemen: de voogd),
gevestigd in Ede,
tegen
[naam moeder](nader te noemen: de moeder),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. E.N. Mulder in Nijkerk,
en
[naam vader](nader te noemen: de vader van [kind 2] ),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de navolgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, binnengekomen op 12 januari 2026;
  • het verweerschrift, binnengekomen op 27 februari 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 5 maart 2026 zijn gehoord:
  • een vertegenwoordiger van de voogd;
  • de moeder (via videobellen), bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2025 is het ouderlijk gezag van de moeder over
[kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , beëindigd en is de voogd benoemd tot voogd over [kind 1] . Zij woont sinds november 2024 niet meer bij de moeder.
2.2.
[kind 1] heeft een halfzusje, [kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . Zij is meervoudig gehandicapt en heeft veel zorg nodig.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De voogd verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling tussen [kind 1] en [kind 2] vast te stellen van eens in de twee weken op donderdag of zaterdagmiddag voor de duur van 1 tot 2 uur, waarbij de moeder in de buurt aanwezig is en waarbij het wenselijk is als er een derde neutrale partij betrokken is om het omgangsmoment te begeleiden.
3.2.
De moeder vraagt de rechtbank de voogd niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de voogd in de kosten van de procedure.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de voogd een omgangsregeling vaststellen ten behoeve van de minderjarige over wie zij voogd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad waar de voogd naar heeft verwezen [1] . De moeder heeft aangevoerd dat de feiten daar anders lagen, maar dat is per definitie het geval. De overweging van de Hoge Raad is ruim geformuleerd, te weten dat de artikelen 1:377a en 1:377e BW zo moeten worden uitgelegd dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een omgangsregeling vast te stellen of te wijzigen of het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan een gecertificeerde instelling toekomt.
4.2.
Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat tussen [kind 1] en [kind 2] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. [kind 2] is geboren in het gezin waar [kind 1] tot november 2024 deel van uitmaakte. Zij hebben dezelfde moeder en dus een bloedband. [kind 2] was ruim 4 jaar oud toen [kind 1] uit huis ging. Zij hebben bij elkaar in huis gewoond. Dat alleen al maakt dat aangenomen moet worden dat er een persoonlijke band tussen hen is. De argumenten van de moeder, die er in het kort op neerkomen dat [kind 1] niet of nauwelijks naar [kind 2] omkeek, maken dat niet anders. Na het vertrek van [kind 1] uit het gezin heeft zij in elk geval met de verjaardag van [kind 2] een felicitatie gestuurd. Anderzijds heeft de moeder ook geprobeerd [kind 1] in het leven van [kind 2] te houden met foto’s en filmpjes. Dat er verder geen contact is geweest, heeft naar de rechtbank begrijpt te maken met de zeer slechte verstandhouding tussen [kind 1] en de moeder. Dat maakt nog niet dat er geen nauwe persoonlijke betrekking is tussen [kind 1] en [kind 2] .
4.3.
Voorop staat dat het een pijnlijke situatie is, waarschijnlijk voor iedereen. Het meest wenselijk zou zijn dat er een gedeeld belang zou zijn, maar zoals de Raad ter zitting ook heeft benoemd, botst het. Dat betekent dat er een belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij de belangen van [kind 1] én [kind 2] vooropstaan.
4.4.
De rechtbank vindt het lastig dat de moeder er uiteindelijk voor heeft gekozen toch in te gaan op de achtergronden van de slechte verhouding en het gedrag van [kind 1] . Zij lijkt het als gevolg daarvan moeilijk te vinden de wens van [kind 1] om contact te hebben met [kind 2] serieus te nemen. De rechtbank doet dat wel. Zij begrijpt wel dat de eerdere gedragingen van [kind 1] maken dat de moeder het lastig vindt om erop te vertrouwen dat contact tussen [kind 1] en [kind 2] soepel zal verlopen. Daar wil de rechtbank rekening mee houden.
4.5.
Alle belangen afwegende wijst de rechtbank het verzoek van de voogd af. De moeder heeft namelijk terecht aangevoerd dat bij de beslissing ook de belangen van [kind 2] moeten meewegen. Gelet op haar jonge leeftijd en haar algehele kwetsbaarheid vanwege haar beperkingen, wegen die belangen zwaar.
4.6.
Als er een groot belang van [kind 1] én [kind 2] zou zijn bij contactherstel, zou nagedacht moeten worden over de praktische uitvoerbaarheid. Hier komt de rechtbank echter niet aan toe. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen of [kind 2] [kind 1] mist en graag contact met haar wil hebben. De moeder stelt dat [kind 2] [kind 1] niet herkent van foto’s. Hoe dat zou zijn als zij elkaar in het echte leven zouden ontmoeten, kan de rechtbank niet met zekerheid zeggen. Gewoonlijk zou de rechtbank hebben overwogen de Raad te vragen hier onderzoek naar te doen, maar [kind 1] is bijna 18 jaar oud en op dat moment eindigt de voogdij. Er is dus geen tijd meer voor dat onderzoek als de rechtbank tot een inhoudelijke beslissing wil komen. De moeder heeft aangevoerd dat [kind 2] in een eigen wereldje leeft, waarin eigenlijk alleen maar de moeder en de vader van [kind 2] (en hulpverleners) een rol spelen. Een concrete behoefte van [kind 2] aan contact met [kind 1] spreekt daar niet uit. Dat hoeft nog niet te betekenen dat dit contact in strijd zou zijn met haar belang. In de regel is het immers wenselijk dat kinderen hun broers en zussen kennen en daar contact mee hebben. In dit geval oordeelt de rechtbank echter anders. De voogd heeft onderkend dat bij een contactregeling tussen [kind 1] en [kind 2] de moeder (op de achtergrond) aanwezig zal moeten zijn, vanwege de zorg voor [kind 2] . De voogd heeft daarom gevraagd te bepalen dat er daarnaast ook een onafhankelijke derde (hulpverlener) aanwezig zal zijn bij de omgang. Dat zal echter de spanning rond deze contacten niet kunnen wegnemen. Niet voor niets heeft de Raad in zijn rapport van 8 juli 2025, waarin is geadviseerd het gezag van de moeder te beëindigen, geschreven dat met ondersteuning van de hulpverlening moet worden onderzocht of en op welke wijze er mogelijkheden zijn voor een vorm van contact(herstel). Dit gaat ook over het contact met [kind 2] . Uit het verweerschrift van de moeder blijkt in elk geval dat het voor haar heel lastig zal zijn het contact te legitimeren. Dat zou [kind 2] in een loyaliteitsconflict kunnen brengen. De voogd heeft nu het verzoek ingediend, wat er vooral mee te maken heeft dat [kind 1] bijna 18 is, maar in de tussentijd is niet voldoende onderzocht wat er nodig is om het contactherstel vorm te kunnen geven op een manier die voor [kind 1] en [kind 2] niet belastend is. Met de Raad is de rechtbank dus van oordeel dat nu niet kan worden vastgesteld dat het verzoek in het belang van [kind 2] is. Daarbij kan dan nog buiten beschouwing blijven wat het effect van deze contacten op de moeder zal zijn en of dit invloed zal hebben op haar beschikbaarheid voor [kind 2] .
4.7.
Hoewel de rechtbank de wens van [kind 1] begrijpt en gerechtvaardigd acht, moet de rechtbank in het belang van [kind 2] daarom het verzoek afwijzen. Wel zou het fijn zijn als op termijn mogelijkheden worden onderzocht het contact tussen [kind 1] en [kind 2] te herstellen, omdat dit ook op langere termijn nog steeds belangrijk is, maar daarvoor lijkt het nu te vroeg.
4.8.
De rechtbank ziet geen grond voor een veroordeling van de voogd in de proceskosten. De voogd mag (en moet) opkomen voor de belangen van [kind 1] . In de afweging dat daartoe ook het contact met [kind 2] behoort, treedt de rechtbank niet. De voogd heeft eerst via e-mail geprobeerd in overleg te treden met de moeder. Dat is niet gelukt. Om dan toch een afgewogen beslissing te kunnen krijgen, is er geen andere mogelijkheid dan een gerechtelijke procedure te starten. De rechtbank acht dat niet onredelijk, zelfs al wijst zij het verzoek af. Het verzoek van de moeder om een proceskostenveroordeling wijst de rechtbank daarom ook af.

5.De beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van
R. van den Berg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943, overweging 3.3.