De voogd van een 17-jarige pupil verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen de pupil en haar 5-jarige halfzusje, die meervoudig gehandicapt is en veel zorg nodig heeft. De moeder van de kinderen verzette zich tegen het verzoek en stelde dat de voogd niet-ontvankelijk moest worden verklaard of het verzoek moest worden afgewezen.
De rechtbank stelde vast dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de pupil en haar halfzusje, mede vanwege hun bloedband en het feit dat zij jarenlang samen in één huis hebben gewoond. Ondanks de slechte verstandhouding tussen de pupil en de moeder, erkende de rechtbank de wens van de pupil om contact te hebben met haar halfzusje.
Echter, de rechtbank oordeelde dat het belang van het jonge en kwetsbare halfzusje zwaarwegend is. Er was onvoldoende bewijs dat het contact in het belang van het halfzusje zou zijn, mede omdat zij haar halfzusje niet herkent en vanwege haar beperkingen. Ook de spanningen en loyaliteitsconflicten die het contact zou kunnen veroorzaken, speelden een rol.
De rechtbank concludeerde dat het nu te vroeg is om een omgangsregeling vast te stellen en dat nader onderzoek nodig is om het contact op een niet-belastende wijze vorm te geven. Het verzoek van de voogd werd daarom afgewezen, zonder veroordeling in de proceskosten.