ECLI:NL:RBGEL:2026:1872

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
AWB-25_1386
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:38 BWArt. 4.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname private schuld toeslagenaffaire wegens niet voldoen aan voorwaarden en hardheidsclausule

Eiseres, erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van een private schuld van € 84.437,50 bij haar schoonmoeder. De minister wees dit verzoek af omdat de schuld niet voldeed aan de voorwaarden uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), met name het ontbreken van een notariële akte of rechterlijke uitspraak en het niet tijdig opeisbaar zijn van de schuld.

Eiseres voerde aan dat de schuld zorgvuldig was vastgelegd in een schuldbekentenis en dat het onredelijk was om een notariële akte te eisen. De rechtbank oordeelde dat de schuldbekentenis onvoldoende authentieke documenten bevatte om het bestaan van de schuld onbetwistbaar te maken en dat de schuld niet opeisbaar was voor 1 juni 2021, zoals vereist.

Daarnaast deed eiseres een beroep op de hardheidsclausule vanwege haar ongeneeslijke borstkanker en schrijnende persoonlijke omstandigheden. De rechtbank erkende de schrijnende situatie, maar vond onvoldoende verband tussen deze omstandigheden en het niet overnemen van de schuld. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en kreeg eiseres geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de minister om de private schuld over te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. T.M.J. Oosterhuis),
en

de minister van Financiën

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om een private schuld over te nemen. Eiseres, erkend als gedupeerde van de toeslagenaffaire, is het niet eens met de weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de minister om de schuld over te nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister mocht weigeren om de schuld over te nemen. De minister concludeert terecht dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname en het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de Sociale Banken Nederland, een uitvoeringsorganisatie van de minister, gevraagd om de overname van schulden. Met het besluit van 27 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres om schulden over te nemen, afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister weigert de door eiseres opgegeven informele schulden, waaronder een schuld van € 84.437,50 bij haar schoonmoeder, over te nemen omdat deze schulden niet voldoen aan de voorwaarden uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Toetsingskader
4. Onder voorwaarden kunnen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. [1] Een schuld moet aan de volgende vereisten voldoen:
de schuld is ontstaan na 31 december 2005; en
de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
de schuld niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [2]
4.1.
Informele geldschulden worden op grond van de wet in principe alleen overgenomen als ze zijn vastgelegd in een notariële akte of zijn vastgesteld bij een rechterlijke uitspraak. [3] Maar als aan het bestaan van de schuld en de daarover gemaakte betalingsafspraken redelijkerwijs niet valt te twijfelen omdat er andere authentieke documenten zijn, kan dat volgens rechtspraak reden zijn om de hardheidsclausule toe te passen en de schuld alsnog over te nemen. [4]
Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep alleen gaat over de schuld van € 84.437,50 en niet over de andere schuld waarvan eiseres overname heeft gevraagd.
5.1.
De minister stelt zich in het verweerschrift voor het eerst op het punt dat de schuld niet op naam van eiseres staat, maar op de naam van haar partner met wie zij tijdens het aangaan van de schuld geen toeslagpartner was. Deze weigeringsgrond heeft de minister niet eerder gehanteerd en kan nu ook niet meer ten grondslag worden gelegd aan het besluit.
Concludeert de minister terecht dat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden voor overname?
6. Eiseres betoogt dat de minister de schuld had moeten overnemen, omdat deze zorgvuldig is vastgelegd en het bestaan ervan ondersteund wordt met diverse bewijsstukken zoals een schuldbekentenis. Zij heeft naar haar vermogen gehandeld. Het is daarom niet eerlijk om een notariële akte te eisen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte of is vastgesteld bij rechterlijke uitspraak. Daarmee is in principe niet voldaan aan de voorwaarden voor overname. Zoals in rechtsoverweging 4.1 toegelicht, kan er via de hardheidsclausule een uitzondering worden gemaakt op het vereiste van een notariële akte. Daarvoor is het nodig dat er andere authentieke documenten zijn waarmee niet kan worden getwijfeld aan het bestaan van de schuld en de gemaakte betalingsafspraken. De schuld is vastgelegd in een schuldbekentenis. De schoonmoeder van eiseres heeft een hypotheek ter hoogte van € 50.000 afgesloten. In de schuldbekentenis wordt aan deze hypotheek gerefereerd, maar eiseres heeft geen authentieke documenten overgelegd waaruit blijkt dat het bedrag van € 50.000 ook daadwerkelijk aan haar ter beschikking is gesteld. Daarmee is er geen ‘spoor’ tussen de afgesloten hypotheek en de schuldbekentenis. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat het bestaan van de schuld niet voldoende uit authentieke documenten blijkt.
6.2.
Daar komt bij dat er ook niet is voldaan aan de voorwaarde van opeisbaarheid. Eiseres verwijst naar artikel 6:38 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat een schuld direct opeisbaar is als partijen geen betalingsafspraken hebben gemaakt. Maar de verwijzing naar dit artikel gaat hier niet op, omdat in de schuldbekentenis afspraken zijn gemaakt over de opeisbaarheid van de schuld. Zo is afgesproken dat (het restant van) de hoofdsom op elk moment opgeëist kan worden, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Ook is bepaald dat de schuld direct opeisbaar is als er na ingebrekestelling niet wordt voldaan aan de verplichtingen van de schuldbekentenis, wanneer de schuldenaar het vrije beheer over één of meer van zijn goederen verliest of wanneer hij overlijdt. Dit betekent dat de schuld niet opeisbaar is zonder een voorafgaande handeling of ingebrekestelling van de schuldeiser. Niet is gebleken dat de schuldeiser een dergelijke handeling heeft verricht. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
Slaagt het beroep van eiseres op de hardheidsclausule vanwege uitzonderlijke omstandigheden?
7. Eiseres betoogt voor het eerst in beroep dat de hardheidsclausule moet worden toegepast vanwege haar uitzonderlijke omstandigheden. Eiseres is gediagnostiseerd met ongeneeslijke borstkanker.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. [5]
7.2.
De rechtbank stelt vast dat er bij eiseres sprake is van schrijnende omstandigheden. Zij heeft niet lang meer te leven en heeft weinig middelen om van te leven. Maar om de hardheidsclausule toe te kunnen passen, moet er een verband zijn tussen de schrijnende situatie en het niet overnemen van de schulden. Wat eiseres daarover heeft aangevoerd, is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken dat zij door het niet overnemen van de schulden in deze schrijnende situatie is beland. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiseres om andere redenen geen recht heeft op een WIA [6] -uitkering en dat zij mede daarom weinig middelen heeft om van te leven.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister mocht weigeren om de schuld over te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wet herstel toelagen (Wht).
2.Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
3.Dit volgt uit artikel 4.1, derde lid onder b., van de Wht.
4.Zie ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, ro. 26.
5.ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4240, ro. 7.
6.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.