ECLI:NL:RBGEL:2026:1873

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/390
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArtikel 1.3 van het voorbereidingsbesluitArtikel 1.4 van het voorbereidingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor huisvesting arbeidsmigranten afgewezen

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten vanwege het huisvesten van arbeidsmigranten in een bedrijfspand zonder vereiste omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het gebruik van het pand voor huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met het Omgevingsplan gemeente Druten en dat verzoekster geen beroep kan doen op het overgangsrecht, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het pand vóór het voorbereidingsbesluit al voor die huisvesting werd gebruikt. Het college is daarom bevoegd om handhavend op te treden.

Verzoekster betoogt dat handhaving onevenredig is vanwege de noodzaak van goede huisvesting en het ontbreken van overlast, maar dit wordt niet gevolgd omdat geen concreet zicht op legalisatie bestaat en eerdere onenigheden met politie zijn gemeld. De begunstigingstermijn van drie maanden wordt als redelijk beoordeeld, maar de voorzieningenrechter verlengt deze uit coulance met twee weken om verzoekster in staat te stellen alternatieve huisvesting te vinden.

De voorlopige voorziening wordt afgewezen, het besluit van het college blijft van kracht en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de begunstigingstermijn voor het staken van de huisvesting wordt met twee weken verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/390

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A. Wever),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten

(gemachtigde: mr. P.L. Nolte).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] B.V., handelend onder de namen [derde-partij 1] B.V., [derde-partij 2] , [derde-partij 3] BV., [derde-partij 4] B.V. en [derde-partij 5] B.V., alsmede [derde-partij 6] en [derde-partij 7]
uit [plaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. J.M. Smits).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 30 oktober 2025 waarbij aan verzoekster een last onder dwangsom is opgelegd. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan.
1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gebruik van het pand aan de [locatie] in [plaats] ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met het bepaalde in het Omgevingsplan gemeente Druten en dat verzoekster geen beroep op het overgangsrecht toekomt. Het college is bevoegd om handhavend op te treden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft de aan de last verbonden begunstigingstermijn verlengd tot na de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en van de zijde van derde-partij [derde-partij 7], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op het perceel [locatie] in [plaats] staan een bedrijfspand en een bedrijfshal. De bedrijfshal wordt momenteel niet gebruikt. Verzoekster verhuurt het bedrijfspand aan [naam bedrijf] BV. voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De arbeidsmigranten weken in het bedrijf van verzoekster. Na een melding van derde-partij heeft het college op 18 augustus 2025 ter plaatse een controle uitgevoerd. Hieruit bleek dat verzoekster in het pand 7 arbeidsmigranten huisvest.
4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel van verzoekster was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan Bedrijventerrein Westerhout ’93 van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Druten . Volgens het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming Bedrijfsdoeleinden.
5. Het college heeft verzoekster gelast het huisvesten van arbeidsmigranten in het bedríjfspand zonder de vereiste omgevingsvergunning binnen drie maanden te staken en gestaakt te houden. Voldoet verzoekster niet of niet tijdig aan deze last dan verbeurt zij een dwangsom van € 7.500 ineens. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met het ter plaatse geldende Omgevingsplan gemeente Druten en dat verzoekster hiervoor geen omgevingsvergunning heeft. Daarom handelt verzoekster in strijd met het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Is het college bevoegd om handhavend op te treden?6. Verzoekster stelt allereerst dat de betreffende gronden onder meer bestemd zijn voor bijbehorende bebouwing waaronder een bedrijfswoning per bedrijf. Verzoekster meent dat het pand als bedrijfswoning kan worden gekwalificeerd en dat daarom geen sprake is van een overtreding. De voorzieningenrechter volgt dit reeds niet omdat hiervoor niet eerder een omgevingsvergunning is verleend, het pand niet eerder als bedrijfswoning is gebruikt en ter plaatse geen bedrijf wordt uitgeoefend.
7. Op 23 januari 2025 heeft de gemeenteraad van Druten het TAM voorbereidingsbesluit bedrijfswoningen Westerhout (voorbereidingsbesluit) vastgesteld. Ingevolge het voorbereidingsbesluit is het verboden om gebouwen of gronden te gebruiken als bedrijfswoning. [1] Het verbod geldt niet voor bestaande of vergunde bedrijfswoningen. [2] Onder ‘bestaand’ wordt in het voorbereidingsbesluit verstaan: het gebruik van gebouwen of gronden dat feitelijk bestond ten tijde van inwerkingtreding van deze voorbeschermingsregels, voor zover dit in overeenstemming was met het omgevingsplan.
7.1.
Verzoekster stelt dat zij het pand aan de [locatie] in [plaats] al per 1 januari 2025 in gebruik had genomen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten. Ter onderbouwing verwijst zij naar een huurovereenkomst, facturen en bankafschriften. Dit is voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit en dus komt haar een beroep op het overgangsrecht toe, zo stelt verzoekster.
7.2.
De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. De door verzoekster overgelegde huurovereenkomst is op 1 januari 2025 ondertekend door de heer [naam], handelend onder de naam [verzoekster] , als – zo staat in de huurovereenkomst –
verhuurder en eigenaar. Uit de door derde-partij overgelegde kadastrale gegevens blijkt evenwel dat verzoekster eerst op 28 mei 2025 de eigendom heeft verkregen van het vrijstaande kantoorpand, met ondergrond, aan de [locatie] in [plaats] . Dat de eigendom op 28 mei 2025 is overgegaan blijkt ook de overgelegde leveringsakte d.d. 28 mei 2025. Van de zijde van verzoekster is ook op zitting geen afdoende verklaring gegeven voor deze inconsistenties.
7.3.
Dat verzoekster op 1 januari 2025 derhalve als eigenaar al een huurovereenkomst heeft kunnen sluiten ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten is dan ook niet aannemelijk. De overgelegde facturen en bankafschriften doen hier niet aan af. Een van de facturen is overigens gedateerd op 31 december 2024. Dit wekt eveneens bevreemding nu de basis toch de huurovereenkomst is en die pas op 1 januari 2025 gesloten zou zijn. En zelfs als al per 1 januari 2025 een huurovereenkomst zou zijn gesloten, heeft verzoekster op geen enkele wijze onderbouwd dat er ook feitelijk arbeidsmigranten in het pand gehuisvest waren vanaf die datum.
7.4.
Nu niet aannemelijk is gemaakt dat het pand aan de [locatie] in [plaats] al voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit werd gebruikt voor de huisvesting van de arbeidsmigranten slaagt reeds daarom het beroep op het overgangsrecht niet.
7.5.
Omdat gebruik van het pand aan de [locatie] in [plaats] ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met het bepaalde in het Omgevingsplan en verzoekster geen beroep op het overgangsrecht toekomt, is het college bevoegd om handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
8. Bij handhavingsbesluiten geldt bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. [3] Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.
8.1.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
8.2.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Er zijn geen redenen om van handhaving af te zien
9. Verzoekster betoogt dat het onevenredig is om handhavend op te treden. De bedrijfswoning voorziet in behoefte en noodzaak van goede huisvesting en voor zover al sprake zou zijn van een overtreding is de huisvesting van arbeidsmigranten gezien het voorbereidingsbesluit te legaliseren. Verzoekster is bereid daartoe een aanvraag in te dienen. Van overlast is niet gebleken.
8.1.
Niet in geschil is dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het enkele feit dat verzoekster bereid zou zijn een aanvraag in te dienen is daartoe onvoldoende. Dat handhavend optreden in dit geval onevenredig zou zijn, is ook niet gebleken. Dat huisvesting van arbeidsmigranten voorziet in een behoefte en noodzaak en niet van overlast zou zijn gebleken doen hier – wat daar ook van zij – niet aan af. Overigens heeft derde-partij op de zitting toegelicht dat het momenteel rustig is, maar dat het afgelopen zomer tot onenigheden is gekomen tussen huurders en de politie hierbij heeft moeten optreden. Het betoog slaagt daarom niet.
Begunstigingstermijn
9. Verzoekster betoogt dat de gestelde begunstigingstermijn te kort is om aan de last te voldoen omdat er geen alternatieve woonruimte is om de arbeidsmigranten te huisvesten. Bovendien stelt verzoekster dat nu zij zich op het overgangsrecht beroept, van haar niet kan worden verlangd dat zij het gebruik (vrijwillig) staakt. Daarmee zou het gebruik immers worden onderbroken, waarmee een later beroep op het overgangsrecht niet meer opgaat. De bedrijfswoning wordt verder op ordelijke wijze bewoond en het levert voor omwonenden geen overlast op.
9.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat aan het college beslisruimte toekomt bij het bepalen van de lengte van een begunstigingstermijn en dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. [4] Daarnaast is slechts van belang of binnen de begunstigingstermijn aan de last kan worden voldaan en niet of de overtreder dat op een vanuit economisch opzicht op zo gunstig mogelijke wijze kan doen. [5] 9.2. Het college heeft de begunstigingstermijn gesteld op 3 maanden na verzending van het bestreden besluit. In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat deze begunstigingstermijn te kort was en dat de gestelde begunstigingstermijn in het te nemen besluit op bezwaar geen stand kan houden.
Wel stelt de voorzieningenrechter vast dat er momenteel 6 arbeidsmigranten in het pand verblijven en dat de begunstigingstermijn eindigt zodra de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Op de zitting is besproken hoeveel tijd nog nodig zou zijn om aan de last te voldoen. Het college heeft aangegeven twee weken redelijk te vinden. De voorzieningenrechter kan zich daarin vinden en zal het besluit van 30 oktober 2025 schorsen tot twee weken na deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

10. Er is geen reden om aan te nemen dat het besluit van 30 oktober 2025 in bezwaar geen stand zal houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Om verzoekster in de gelegenheid te stellen alternatieve huisvesting te vinden zal de voorzieningenrechter bepalen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
10. Omdat deze verlenging uit coulance plaatsvindt en niet het gevolg is van een gebrek in het bestreden besluit is er geen aanleiding om het college op te dragen het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling is daarom evenmin reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek af;
  • bepaalt dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot twee weken na verzending van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 1.3 van het voorbereidingsbesluit
2.Artikel 1.4 van het voorbereidingsbesluit
3.ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
4.ABRvS 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:167.
5.ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3860.