ECLI:NL:RBGEL:2026:1904

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
AWB-25_4435
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6 EVRMArt. 2.1 WhtArt. 2.2 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onjuiste begindatum immateriële schadevergoeding toeslagenaffaire

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, betwistte de hoogte van de compensatie na herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen had een compensatiebedrag vastgesteld, maar eiseres stelde dat de begindatum voor de immateriële schadevergoeding onjuist was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat eiseres procesbelang had, mede vanwege de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De rechtbank stelde vast dat de brief van 3 december 2009, waarin werd meegedeeld dat kinderopvangtoeslag voor 2010 niet automatisch werd toegekend vanwege vermoedens van onjuiste gegevens, als begindatum moet gelden in plaats van de door de dienst gehanteerde datum van 17 november 2011.

Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe, omdat de procedure ruim twee jaar langer duurde dan redelijk was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval de dienst binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de juiste begindatum wordt gehanteerd. Tevens werd de dienst veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met de juiste begindatum voor de immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. W. Sallé),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres toegekende compensatie na de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het compensatiebedrag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Allereerst beoordeelt de rechtbank of eiseres procesbelang heeft. Als dat het geval is, beoordeelt de rechtbank het besluit van de dienst aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst de verkeerde begindatum heeft gehanteerd bij de berekening van de immateriële schadevergoeding. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 12 juli 2021 heeft de dienst het compensatiebedrag voor eiseres na de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 70.458. Met het bestreden besluit van 2 september 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de dienst het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, maar geen hoger compensatiebedrag toegekend.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de dienst gevraagd om haar kinderopvangtoeslag opnieuw te beoordelen. In de vooraankondiging heeft de dienst aan eiseres meegedeeld dat zij recht heeft op een compensatiebedrag van € 70.458. Daarvan is € 36.705 het bedrag aan kinderopvangtoeslag dat eiseres eerder moest terugbetalen of niet heeft gekregen.
3.1.
Bij de voorbereiding van de definitieve herbeoordeling heeft de dienst geconcludeerd dat dit bedrag van € 36.705 nog van het totale compensatiebedrag van
€ 70.458 afgetrokken moest worden, omdat eiseres dit bedrag aan kinderopvangtoeslag heeft ontvangen en niet hoefde terug te betalen. Eiseres had dus eigenlijk recht op een compensatiebedrag van € 33.753. Omdat eiseres vertrouwen mocht ontlenen aan de vooraankondiging, vordert de dienst het verschil niet terug. Het definitieve compensatiebedrag van eiseres wordt daarom vastgesteld op € 70.458.
3.2.
Bij het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres heeft de dienst vastgesteld dat de te vergoeden toeslagrente onjuist is berekend. Eiseres heeft recht op een compensatiebedrag van € 38.319. Omdat dit bedrag lager is dan het door eiseres ontvangen bedrag van € 70.458, ontvangt eiseres echter geen aanvullende vergoeding.
Toetsingskader
4. Als iemand die kinderopvangtoeslag heeft gehad, schade heeft geleden omdat er voor 23 oktober 2019 sprake was van institutionele vooringenomenheid of omdat er sprake was van onbillijkheden van overwegende aard (erg oneerlijke gevolgen) door de hardheid waarmee de dienst voor 23 oktober 2019 het wettelijke systeem toepaste, dan kent de dienst op aanvraag compensatie toe. [1]
4.1.
Het compensatiebedrag bestaat uit de volgende componenten:
 een bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag door institutionele vooringenomenheid of hardheid, vermeerderd met een bedrag voor de rente;
 een bedrag voor een bestuurlijke boete voor een verzuim of vergrijp over de kinderopvangtoeslag;
 een bedrag voor materiële schade;
 een bedrag voor immateriële schade;
 een bedrag voor invorderingskosten;
 een bedrag voor proceskosten;
 een rentevergoeding. [2]
Ingetrokken beroepsgrond
5. Eiseres heeft de beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de zitting ingetrokken.
Heeft eiseres procesbelang bij haar beroep?
6. De rechtbank moet eerst - ambtshalve - beoordelen of eiseres een procesbelang heeft bij haar beroep. Daarbij gaat het erom of het doel dat zij voor ogen heeft met het beroep kan worden bereikt en voor haar van feitelijke betekenis is. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de uitkomst van deze procedure relevant is voor de behandeling van haar verzoek bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De CWS neemt namelijk de begin- en einddatum over die in de compensatiebeschikking wordt vastgesteld en beoordeelt vervolgens of eiseres in die periode schade heeft geleden die vergoed moet worden. De dienst handhaaft het standpunt dat er geen procesbelang aanwezig is dan ook niet langer. De rechtbank ziet in de effecten van het bestreden besluit bij de beoordeling door de CWS procesbelang voor eiseres.
Heeft de dienst de immateriële schadevergoeding juist berekend?
7. Eiseres betoogt dat de dienst de verkeerde begin- en einddatum heeft gebruikt bij berekening van de immateriële schadevergoeding. De begindatum is 3 december 2009, de brief waarbij is meegedeeld dat eiseres niet automatisch kinderopvangtoeslag voor 2010 krijgt, omdat vermoed wordt dat de kinderopvangtoeslag voor 2009 is gebaseerd op verkeerde of onvolledige gegevens. De einddatum moet volgens eiseres worden vastgesteld op de datum van de uitspraak van de rechtbank.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt
.De dienst heeft ten onrechte de datum van de verlaging van 17 november 2011 als begindatum gehanteerd. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7.1.1.
De periode waarover eiseres in aanmerking komt voor een schadevergoeding begint bij de eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de Wet herstel toeslagen (Wht). Het beëindigen van een voorschotverlening voor kinderopvangtoeslag als direct gevolg van institutionele vooringenomenheid of hardheid, is zo’n beschikking. [3]
7.1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 3 december 2009 een beëindiging van een voorschotverlening kinderopvangtoeslag is. In de brief staat namelijk dat het vermoeden bestaat dat eiseres in 2009 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen op basis van onjuiste en/of onvolledige gegevens. Daarom wordt niet automatisch een voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor 2010 toegestuurd. Het betoog van de dienst dat deze brief een reguliere vraagbrief is, volgt de rechtbank niet. In de brief wordt gerefereerd aan mogelijke onjuiste en/of onvolledige gegevens en er worden geen vragen gesteld. Bovendien blijkt uit de brief dat eiseres alleen weer kinderopvangtoeslag kan aanvragen als zij de juiste gegevens aanlevert.
7.1.3.
De periode waarover eiseres in aanmerking komt voor een schadevergoeding, begint dus op 3 december 2009. Op de zitting heeft eiseres verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de datum van het bestreden besluit als einddatum wordt gehanteerd. De rechtbank beoordeelt daarom niet of de einddatum juist is vastgesteld.
Het verzoek om schadevergoeding
8. Eiseres verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
8.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiseres gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiseres.
8.2.
De redelijke termijn in een zaak als deze begint op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. De hiervoor genoemde omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Uitgegaan wordt van een tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
8.3.
Het bezwaarschrift in deze zaak is op 2 augustus 2021 door de dienst ontvangen. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim zeven maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om een termijn van meer dan twee jaar gerechtvaardigd te achten. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden is overschreden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de vergoeding te matigen. Dat leidt tot een vergoeding voor immateriële schade van € 3.000.
8.4.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de dienst toe te rekenen. De dienst moet daarom de schadevergoeding aan eiseres betalen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat de dienst de verkeerde begindatum heeft gehanteerd bij berekening van de immateriële schadevergoeding. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Zij bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de dienst een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de dienst hiervoor zes weken na verzending van deze uitspraak.
9.1.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De dienst moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om eiseres een proceskostenvergoeding toe te kennen voor in verband met het schadeverzoek gemaakte kosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een wegingsfactor van 0,5). [4] Er wordt geen extra procespunt voor het verschijnen ter zitting toegekend. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de begindatum bij de berekening van de immateriële schadevergoeding;
  • draagt de dienst op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de dienst het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.Dit volgt uit artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
3.Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 74.
4.Zie ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294, ro. 2.2.
5.Zie ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771, ro. 3.1.