ECLI:NL:RBGEL:2026:1944

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/05/446127 / FA RK 25-99
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 7 Brussel II-terArt. 3 AlimentatieverordeningArt. 815 lid 2 RvArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie, verdeling huwelijksgemeenschap en huurrecht

Partijen zijn gehuwd in Marokko en wonen in Nederland. De rechtbank is bevoegd en past Nederlands recht toe. De echtscheiding wordt uitgesproken ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, omdat partijen niet tot overeenstemming komen over de zorgregeling voor het minderjarige kind.

De rechtbank bepaalt dat het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij het kind één dag per weekend bij de man verblijft, met uitzicht op uitbreiding zodra de slaapkamer bij de man is ingericht en het kind eraan toe is. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de zorgregeling voorlopig aan te houden.

De rechtbank berekent de kinderalimentatie op basis van de behoefte van het kind (€486 per maand na indexering) en de draagkracht van de ouders, waarbij rekening wordt gehouden met de aflossing van schulden door de man. De man moet €244 per maand betalen tot 1 mei 2026 en daarna €330 per maand. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot vergoeding van €27.500 voor investeringen in de huurwoning af wegens gebrek aan duidelijke grondslag en het ontbreken van overeenstemming over partiële verdeling.

De huwelijksgemeenschap wordt verdeeld ten overstaan van een notaris, waarbij de rechtbank een notaris benoemt indien partijen niet tot overeenstemming komen. De vrouw krijgt het huurrecht van de woning toegewezen, gelet op het belang van het kind en de situatie van partijen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor de echtscheiding en het huurrecht. De definitieve beslissing over de zorgregeling wordt aangehouden tot 9 juni 2026.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, huurrecht aan vrouw toegewezen, verzoek vergoeding investeringen afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/446127 / FA RK 25-99
Datum uitspraak: 12 maart 2026
beschikking echtscheiding en nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.W.C. Giebels uit Nijmegen,
tegen
[naam man](hierna: de man),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A.N. Lap uit Malden.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift, ingekomen op 10 januari 2025;
  • het exploot van betekening van 14 januari 2025;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 4 april 2025;
  • het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, ingekomen op 28 mei 2025;
  • de brief van de vrouw van 13 juni 2025;
  • het bericht van de man van 2 juli 2025;
  • het rapport raadsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 13 november 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 30 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 30 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 2 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 februari 2026.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Verder was aanwezig een zittingsvertegenwoordigster van de Raad.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [plaatsnaam] , Marokko, met elkaar gehuwd.
2.2.
Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Het minderjarige kind van partijen is:
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna: [het kind] ).
2.4.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 24 december 2024 is bepaald dat, kort gezegd:
- [het kind] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
  • de vrouw met ingang van 1 februari 2025 bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, behalve voor zover de rechtbank in het kader van de zorgregeling anders bepaalt;
  • als zorgregeling tussen de man en [het kind] dat [het kind] bij de man is:
drie van elke vier weekenden van vrijdag uit school (dan wel uit het werk van de man) tot zondag 19:00 uur (na het avondeten), waarbij de man [het kind] zowel ophaalt van school/de vrouw, als terugbrengt naar de vrouw en waarbij het contact in de echtelijke woning plaatsvindt zolang de man nog geen woonruimte heeft gevonden en geen adequate plek heeft om [het kind] te ontvangen;
- de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] aan de vrouw € 225 per maand zal betalen.
Verder zijn partijen verwezen naar hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod.
2.5.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 7 maart 2025 is de beschikking voorlopige voorziening van 24 december 2024 gewijzigd voor wat betreft de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat [het kind] bij de man verblijft drie van elke vier weekenden van zaterdag 11.00 uur tot 17.00 uur en zondag van 11.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man [het kind] zowel ophaalt als terugbrengt, zolang de man nog geen woonruimte heeft gevonden en geen geschikte plek heeft om [het kind] te laten overnachten.
Verder is de Raad verzocht te adviseren en rapporteren over de zorgregeling.

3.De beoordeling

Internationaal privaatrecht3.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat partijen in Marokko zijn gehuwd. De rechtbank moet daarom bij de verschillende verzoeken eerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen en welk recht zij daarbij moet toepassen.
De echtscheiding
3.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek tot echtscheiding te beoordelen, omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. [1]
3.3.
Deze rechtbank is bevoegd, gelet op de woonplaats van partijen.
3.4.
Op grond van artikel 10:56 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing.
3.5.
Partijen stellen beiden dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken beiden om de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
3.6.
In de wet staat dat ouders pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). [2] In dit geval is er geen ouderschapsplan overgelegd. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen. Het is namelijk voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kan worden overgelegd, omdat de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen over regelingen voor [het kind] . Zij spannen zich hiervoor met hulpverlening wel in. De rechtbank zal niet verlangen dat dit traject eerst succesvol moet worden afgerond voordat zij kunnen scheiden.
3.7.
Aan de overige wettelijke vereisten van een verzoek tot echtscheiding wordt voldaan, zodat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen zal uitspreken.
De verzoeken over [het kind]
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is3.8. De Nederlandse rechter is bevoegd om over de verzoeken over [het kind] en over de kinderalimentatie te beslissen op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter en artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening [3] , omdat [het kind] in Nederland woont.
3.9.
Op de verzoeken is Nederlands recht van toepassing, omdat de Nederlandse rechter zijn interne recht op de verzoeken dient toe te passen. [4]
De hoofdverblijfplaats en de zorgregeling
3.10.
Beide partijen verzoeken dat [het kind] zijn hoofdverblijfplaats bij hem/haar heeft.
3.11.
De rechtbank zal bepalen dat [het kind] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. [het kind] woont op dit moment namelijk feitelijk bij de vrouw. Uit het rapport van de Raad volgt daarnaast dat de vrouw de hoofdopvoeder is van [het kind] , dat [het kind] het goed heeft bij de vrouw en dat er geen zorgen zijn over de thuissituatie van de vrouw. Daarom is er geen reden hier iets in te wijzigen.
3.12.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [het kind] drie van elke vier weekenden van vrijdag uit school (dan wel uit het werk van de man) tot zondag 19.00 uur (na het avondeten) bij de man verblijft, waarbij de man [het kind] ophaalt en terugbrengt. De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen die in het belang van [het kind] is, waarbij de zorgtaken zoveel mogelijk gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld.
3.13.
De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling vaststellen en de definitieve beslissing over de zorgregeling drie maanden aanhouden. Daarbij is het volgende van belang.
3.14.
De Raad heeft onderzocht welke zorgregeling in het belang van [het kind] is. De Raad heeft in het raadsrapport geadviseerd een voorlopige, minimale zorgregeling vast te stellen, te weten dat [het kind] iedere veertien dagen gedurende twee uur begeleide omgang heeft met de man, waarbij de opbouw van de omgang qua aard, vorm, duur en plaats van de omgang onder regie van de hulpverlening plaatsvindt. De Raad heeft verder geadviseerd om de definitieve beslissing over de zorgregeling zes maanden aan te houden, in afwachting van het verloop van de voorlopige zorgregeling en de bevindingen van de hulpverlening en om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode zich te blijven inzetten voor het ouderschapstraject.
3.15.
Sinds de Raad het raadsrapport heeft opgesteld is de situatie gewijzigd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [het kind] en de man weer regelmatig contact met elkaar hebben. Entrea Lindenhout heeft het contact vier keer begeleid en daarna is [het kind] drie weekenden op rij zonder begeleiding een dag bij de man geweest. Dit is goed verlopen. Beide partijen staan open voor een uitbreiding van de zorgregeling. De vrouw is van mening dat dit stapsgewijs moet gebeuren. [het kind] vertelt aan de vrouw dat de man in zijn bijzijn negatief over de vrouw en zijn zussen praat en dat dit druk op hem legt. De vrouw hoopt dat [het kind] over een tijdje open staat voor een langer verblijf bij de man. De man merkt dat de afstand tussen hem en [het kind] nu nog groot is, omdat zij een lange tijd geen contact hebben gehad. De man wil uiteindelijk co-ouderschap, of in ieder geval een veel uitgebreidere regeling dan de huidige regeling, maar begrijpt ook dat [het kind] daar nu nog niet aan toe is. Bovendien is zijn slaapkamer bij de man nog niet ingericht.
3.16.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het positief is dat het contact tussen de man en [het kind] is hersteld, maar dat er nog wel zorgen over [het kind] zijn. Hij zit een beetje klem tussen zijn ouders. Hij vindt het niet fijn dat zijn vader negatief praat over de vrouw en zijn zussen, maar aan de andere kant weet hij wel veel van de situatie vanuit zijn moeder. Er is volgens de Raad nog werk aan de winkel om ervoor te zorgen dat [het kind] op een prettige manier vanuit de vrouw naar de man kan en andersom. Gelet daarop vindt de Raad het lastig om een advies te geven over een definitieve zorgregeling en handhaaft de Raad het eerdere advies om de definitieve beslissing over de zorgregeling aan te houden. De Raad kan zich wel voorstellen dat partijen samen met Entrea Lindenhout kijken wanneer de zorgregeling in het weekend kan worden uitgebreid met een overnachting.
3.17.
De rechtbank is van oordeel dat zij het - net als de Raad en partijen - in het belang van [het kind] vindt dat wordt toegewerkt naar een uitbreiding van de zorgregeling. Partijen en [het kind] ontvangen hulp vanuit Entrea Lindenhout: in het recente verleden begeleide omgang en op dit moment volgen de ouders een ouderschapstraject. Zij maken hierin geleidelijk stappen. Het is belangrijk dat de ouders het ouderschapstraject vervolgen en in dat traject tot nadere afspraken over [het kind] komen. Binnen dat traject zullen de ouders samen met de hulpverleners moeten bespreken hoe een uitbreiding in de zorgregeling eruit kan gaan zien, waarbij het tempo van [het kind] voorop dient te staan. Een praktisch probleem voor een uitbreiding van de zorgregeling is dat de slaapkamer van [het kind] in de woning van de man - onder andere door financiële problemen van de man - nog niet is ingericht. Daarom zal de rechtbank als eerste stap bepalen dat [het kind] voorlopig ieder weekend één dag bij de man is, waarbij de ouders de tijdstippen in overleg vaststellen.
3.18.
Zodra de man de slaapkamer van [het kind] heeft ingericht en [het kind] eraan toe is om langer bij de man te zijn en er te overnachten, zal de huidige zorgregeling kunnen wijzigen naar een regeling waarbij [het kind] drie van elke vier weekenden van zaterdag tot zondag - inclusief overnachting - bij de man is. De regie bij het tempo van uitbreiden van de zorgregeling kan bij Entrea Lindenhout worden gelegd, waarbij de ouders wordt meegegeven hierin mee te gaan. De rechtbank gaat ervan uit dat de man en de vrouw in onderling overleg kunnen afspreken hoe laat [het kind] dan op zaterdag bij de man aankomt en hoe laat hij op zondag weer naar de vrouw terugkeert.
3.19.
De rechtbank verzoekt beide advocaten elkaar, de rechtbank en de Raad uiterlijk op 9 juni 2026 te berichten over de actuele stand van zaken voor wat betreft de zorgregeling en het ouderschapstraject bij Entrea Lindenhout en verzoekt hen daarbij de gewenste voortgang van de procedure aan te geven.
De kinderalimentatie
3.20.
De vrouw verzoekt de rechtbank - na wijziging - te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 438 per maand betaalt als kinderalimentatie. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
3.21.
De rechtbank zal hierna beslissen en daarbij ingaan op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
ingangsdatum
3.22.
De wet [5] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Hier hanteert de rechtbank de datum van deze beschikking als ingangsdatum, omdat dat de datum is waarop de rechtbank een beslissing neemt over de kinderalimentatie en de man dus nu in elk geval rekening kan houden met deze verplichting.
behoefte
3.23.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de behoefte van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen.
3.24.
De man stelt dat uitgegaan moet worden van de behoefte zoals in de voorlopigevoorzieningenprocedure is berekend, namelijk € 436 per maand. Dit was weliswaar in 2024, maar de man vindt het niet reëel om die behoefte te indexeren. Partijen hebben het volgens hem nadat zij uit elkaar waren niet breed gehad. Het gezinsinkomen is opgegaan aan de betaling van schulden. De man is van mening dat geen rekening gehouden moet worden met kindgebonden budget. De vrouw is primair van mening dat in de voorlopige voorziening bij de behoefteberekening ten onrechte geen rekening is gehouden met kindgebonden budget, terwijl partijen daar volgens haar eigen berekening wel recht op hadden. De vrouw vindt dat de man voorschotbeschikkingen toeslagen van 2024 en 2025 had moeten overleggen om zijn stelling te onderbouwen dat partijen geen recht op kindgebonden budget hadden. Mocht blijken dat partijen geen kindgebonden budget ontvangen, dan sluit de vrouw zich aan bij een behoefte van [het kind] in 2024 van € 436.
3.25.
De rechtbank stelt voorop dat het peilmoment voor het bepalen van de behoefte het moment van uiteengaan van partijen is. In deze zaak is dat 2024. In de beschikking voorlopige voorzieningen van 24 december 2024 heeft de rechtbank de behoefte van [het kind] vastgesteld op een bedrag van € 436 per maand. Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat de behoefte van [het kind] geïndexeerd moet worden naar 2026, omdat daarmee tegemoet wordt gekomen aan de invloed van prijsstijgingen en daarmee de uitgaven aan een kind.
3.26.
In voorlopige voorzieningen ging de rechtbank ervan uit dat partijen geen kindgebonden budget ontvingen omdat de man dat onweersproken had gesteld. Nu heeft de vrouw aangevoerd dat partijen wel recht hadden op kindgebonden budget. Dit maakt dat de rechtbank hierover inhoudelijk moet oordelen. Hoewel partijen op basis van hun inkomen in principe recht zouden hebben op kindgebonden budget, zoals de vrouw heeft berekend, neemt de rechtbank dit niet mee. Er behoorden namelijk in 2024 ook twee meerderjarige kinderen tot het gezin. Met hun kosten is geen rekening gehouden bij de behoeftebepaling. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat zij eigen inkomsten hadden. Die inkomsten zijn van invloed op het verkrijgen van kindgebonden budget. Omdat de vrouw geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat partijen daadwerkelijk kindgebonden budget ontvingen, zal de rechtbank ervan utigaan dat dit niet het geval is. Dat betekent dat de rechtbank blijft uitgaan van een behoefte van [het kind] van € 436 per maand in 2024. Na indexering bedraagt de behoefte van [het kind] in 2026 € 486 per maand.
draagkracht van de ouders
3.27.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de draagkracht van de ouders genoemd. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode stelt de rechtbank vast wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Wat er overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is 70% beschikbaar voor [het kind] . In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% x (NBI - 0,3 x NBI - 1.365).
draagkracht van de man
3.28.
Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank met twee periodes. De man is namelijk bezig met het aflossen van schulden. Daar houdt de rechtbank rekening mee. De eerste periode loopt tot 1 mei 2026. In april 2026 lost de man voor het laatst af op zijn schuld bij Vattenfall, waardoor hij vanaf 1 mei 2026 een hogere draagkracht heeft. De tweede periode start dus op 1 mei 2026.
3.29.
Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van de overgelegde jaaropgave van [naam werkgever] NL B.V. van 2025 met een loon voor loonheffing van € 42.876. Het NBI is dan € 2.949. [6]
3.30.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man tot 1 mei 2026 een draagkracht van € 244 per maand. [7] Daarbij heeft de rechtbank in de formule ook gerekend met een totale last van € 350 per maand voor de aflossing van schulden ter zake van de aanslagen IB 2023 en motorrijtuigenbelasting (€ 98), zorgtoeslag 2022 en 2023 en kindgebonden budget 2023 en 2025 (€ 83), Syncasso ter zake van De Friesland Zorgverzekeraar N.V. en Vitens (€ 25) en Vattenfall (€ 143,56). Deze lasten zijn voldoende aangetoond, zijn niet vermijdbaar en vallen de man niet te verwijten.
3.31.
Vanaf 1 mei 2026 is de draagkracht van de man € 345 per maand. [8] Daarbij heeft de rechtbank nog gerekend met een totale last van € 206 per maand voor de aflossing van schulden.
draagkracht van de vrouw
3.32.
De vrouw heeft inkomsten uit loondienst van € 392 bruto per maand. Aanvullend ontvangt zij een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. De vrouw heeft dus een zeer beperkte draagkracht. Omdat de vrouw wel inkomsten uit loondienst heeft, kent de rechtbank aan haar een minimale draagkracht toe van € 25 per maand.
verdeling van de kosten
3.33.
De gezamenlijke draagkracht van partijen is in de periode tot 1 mei 2026 € 269 per maand en vanaf 1 mei 2026 € 370 per maand, terwijl de kosten van [het kind] € 486 per maand zijn. Beide ouders moeten daarom hun volledige draagkracht inzetten. Dan nog komen zij maandelijks een bedrag van € 116 tekort en tot 1 mei 2026 zelfs € 217 per maand. Dat betekent dat de man tot 1 mei 2026 zijn volledige draagkracht van € 244 per maand en na
1 mei 2026 € 345 per maand moet inzetten om bij te dragen in de kosten van [het kind] .
zorgkorting
3.34.
De man maakt op de dagen dat [het kind] bij hem verblijft kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij deels aan zijn
onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de vrouw de staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de zorgkorting.
3.35.
[het kind] verblijft gemiddeld één dag per week bij de man. Daarbij past een zorgkorting van 15% van de behoefte, dus € 73 per maand. Omdat er een tekort aan draagkracht is, zal de rechtbank deze korting tot 1 mei 2026 niet toepassen en vanaf 1 mei 2026 niet volledig. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt in mindering mag brengen op de alimentatie, komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. Zij moet echter ook kosten maken, die zij eigenlijk niet kan dragen. Tot 1 mei 2026 is het tekort zo groot dat er geen ruimte is voor een zorgkorting en moet de man € 244 per maand aan de vrouw betalen. Vanaf 1 mei 2026 moet ieder de helft van het tekort dragen, dus een bedrag van € 58 per maand. Dit bedrag komt in mindering op de zorgkorting, zodat de zorgkorting € 15 per maand is. Dit hoeft de man niet aan de vrouw te betalen maar mag hij zelf gebruiken voor [het kind] . Er blijft dan een bedrag van € 330 per maand over dat hij aan kinderalimentatie moet betalen.
alimentatie vooruitbetalen
3.36.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later wordt betaald.
Het huurrecht van de echtelijke woning
3.37.
De rechtbank heeft gelet op artikel 4 lid 3 Rv Pro de bevoegdheid om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over het huurrecht, omdat de echtelijke woning van partijen in Nederland is gelegen.
3.38.
Beide partijen verzoeken het huurrecht van de echtelijke woning.
3.39.
De vrouw stelt dat de omgeving van de echtelijke woning voor [het kind] een vertrouwde plek is en dat hij in de buurt goede contacten heeft. Bovendien bevindt de school van [het kind] zich op loopafstand van de echtelijke woning. De vrouw stelt verder dat zij in staat is de huur van de echtelijke woning te betalen. Ook wijst zij erop dat de man inmiddels over andere woonruimte beschikt. De man heeft geen belang meer bij zijn verzoek, aldus de vrouw.
3.40.
De man heeft zijn verzoek gehandhaafd. De woning is aangepast aan zijn medische behoeften. De man heeft het gevoel dat hem alles afgepakt wordt. Hij woont nu in een andere woning en in een andere omgeving, maar hij woont daar niet prettig. Het liefst wil hij daarom terug naar de huurwoning.
3.41.
De rechtbank constateert dat beide partijen een belang hebben bij het huurrecht van de echtelijke woning en moet daarom een belangenafweging maken. De vrouw woont op dit moment met (in ieder geval) [het kind] in de echtelijke woning en betaalt de huur. De man heeft het in zijn nieuwe woning en omgeving niet naar zijn zin. De belangenafweging valt uit in het voordeel van de vrouw. Het is belangrijk dat voor [het kind] zo min mogelijk verandert. Uit de zorgregeling volgt dat de vrouw de hoofdopvoeder van [het kind] is. Het is in het belang van [het kind] dat hij met zijn moeder in de huurwoning blijft wonen. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin de man verkeert. Hij heeft te maken met de echtscheiding, het vertrek uit de woning, een beperkt contact met [het kind] , financiële problemen en moeite om zijn draai op een nieuwe plek te vinden. Hij heeft echter wel woonruimte. Het is onduidelijk waar de vrouw en [het kind] naar toe zouden kunnen als de man het huurrecht van de woning zou krijgen. Daarom weegt het belang van [het kind] om met de vrouw in de woning te blijven wonen zwaarder dan het belang van de man daar terug te keren.
3.42.
De man heeft voor het geval de rechtbank het huurrecht aan de vrouw toewijst verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 27.500 als vergoeding van in de woning geïnvesteerde gelden. De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat partijen een koopwoning hebben gehad en dat zij na verkoop van die koopwoning een huurwoning hebben betrokken. Hij heeft een overzicht overgelegd waaruit volgt dat in de huurwoning voor € 55.000 is verbouwd.
3.43.
De vrouw is van mening dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. De investeringen in de woning en een mogelijk daarmee samenhangende vergoeding behoren tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, maar de man heeft zijn voorwaardelijke verzoek gekoppeld aan zijn verzoek over het huurrecht van de woning. Dit zou leiden tot een partiële verdeling. Daar verzet de vrouw zich tegen. Daarnaast betwist de vrouw het totaalbedrag van de verbouwingskosten. Volgens haar blijkt uit een e-mail van het klusbedrijf dat de totale verbouwingskosten € 23.523,50 (inclusief btw) bedroegen.
3.44.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Nog daargelaten dat de hoogte van de verbouwingskosten in geschil is, heeft de man geen grondslag voor zijn verzoek aangevoerd. Er is sprake van een huurwoning, waardoor niet vaststaat dat de investeringen deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap. Dat de vrouw nu als huurder van de woning hier als enige nog voordeel van heeft, leidt niet zonder meer tot een grondslag voor een vergoeding. Al met al heeft de man zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. Overigens volgt uit artikel 3:179 BW Pro dat een partiële verdeling slechts mogelijk is als hierover tussen partijen overeenstemming is of als er uitdrukkelijk om een partiële verdeling wordt gevraagd en sprake is van gewichtige redenen hiervoor. De rechtbank stelt vast dat het een noch het ander zich voordoet.
De vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
3.45.
De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap te bevelen ten overstaan van een notaris.
3.46.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Volgens hem zijn partijen beter af wanneer hun advocaten de verdeling begeleiden als partijen daar zelf niet uit komen.
3.47.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, omdat zij ook bevoegd is om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek. [9]
3.48.
Om vast te stellen of er een te verdelen gemeenschap is, zal de rechtbank eerst moeten vaststellen welk recht van toepassing is. De rechtbank bepaalt het toepasselijk recht aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag), omdat het huwelijk van partijen is gesloten tussen 1 september 1992 en 30 januari 2019 en het verdrag een universeel formeel toepassingsgebied heeft.
3.49.
Op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen. Als de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, wordt hun huwelijksvermogensregime op grond van artikel 4 van Pro het Verdrag beheerst door het interne recht van de Staat op welk grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Artikel 4 van Pro het Verdrag bepaalt verder dat bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde Staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden.
3.50.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man had die nationaliteit al voor de huwelijkssluiting. De vrouw heeft deze ongeveer vier jaar daarna gekregen. De man woonde op het moment van het sluiten van het huwelijk al in Nederland, de vrouw sinds 23 augustus 1998. Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt.
3.51.
De rechtbank stelt vast dat partijen op het moment dat het huwelijk werd gesloten, op [huwelijksdatum] , geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden. Ook is er geen sprake van een eerste huwelijksdomicilie, omdat de vrouw pas meer dan een halfjaar na de huwelijkssluiting naar Nederland is gekomen. Daarom wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het huwelijk het nauwst is verbonden. Dat is in dit geval Nederland, omdat kennelijk van meet af aan de bedoeling is geweest dat de vrouw naar Nederland zou komen. Dit is ook binnen een jaar na de huwelijkssluiting gebeurd. De man woonde hier al en had al de Nederlandse nationaliteit. De vrouw woont hier inmiddels bijna 28 jaar. Bovendien heeft zij vier jaar na de huwelijkssluiting de Nederlandse nationaliteit gekregen en hebben partijen met hun kinderen een leven in Nederland opgebouwd.
3.52.
Partijen zijn het erover eens zijn dat de huwelijksgemeenschap nog verdeeld moet worden. Zij zijn het alleen niet eens over de wijze waarop de verdeling moet plaatsvinden. In de lange periode tussen indiening van het verzoekschrift en het verweerschrift enerzijds en de mondelinge behandeling anderzijds is er geen initiatief genomen om onderling tot afspraken over de verdeling te komen. De rechtbank heeft er om die reden beperkt vertrouwen in dat het partijen onderling alsnog gaat lukken om tot een verdeling van de huwelijksgemeenschap te komen. De rechtbank volgt het standpunt van de man daarom niet en zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Dat staat er niet aan in de weg dat partijen eerst zelf nog een poging doen (eventueel begeleid door hun advocaat), maar als dat niet lukt, kunnen zij zich tot een notaris wenden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen samen een notaris kiezen. Voor het geval partijen daarover niet tot overeenstemming komen, benoemt de rechtbank een notaris zoals onder de beslissing is vermeld.
3.53.
Bij het voorgaande is wellicht nog van belang te benoemen dat de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat hij schulden heeft en dat hij moeite heeft om hier overzicht over te houden. Besproken is dat het voor de man goed zou zijn als hij daarbij hulp krijgt. De rechter heeft - na instemming van de man - contact opgenomen met de schuldenfunctionaris van de rechtbank, waarbij afgesproken is dat de man en de schuldenfunctionaris direct na de mondelinge behandeling met elkaar de situatie van de man zullen bespreken en zullen bekijken welke mogelijkheden er zijn om de man te helpen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.54.
Beide partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat de beslissing blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat, zolang het gerechtshof niet anders beslist. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding en het huurrecht. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal verder de beslissing over het huurrecht niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat als voorlopige voorziening een beslissing is genomen over het uitsluitende gebruik van de woning. Deze voorziening blijft gelden tot de beslissing over het huurrecht in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Daarom heeft de vrouw op dit moment geen belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op
[huwelijksdatum] in [plaatsnaam] , Marokko;
4.2.
bepaalt dat het minderjarige kind:
[naam kind] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;
4.3.
stelt vast als
voorlopigeregeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [het kind] bij de man verblijft elke week één dag in het weekend, tijdstippen door de ouders in onderling overleg overeen te komen. Zodra [het kind] eraan toe is en de man de slaapkamer van [het kind] heeft ingericht, wijzigt deze regeling en zal [het kind] drie van elke vier weekenden bij de man zijn van zaterdag tot zondag inclusief overnachting, tijdstippen door de ouders in onderling overleg overeen te komen;
4.4.
bepaalt dat de man met ingang van vandaag als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] € 244 per maand en met ingang van 1 mei 2026 € 330 per maand aan de vrouw moet betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.5.
beveelt dat de partijen met elkaar overgaan tot verdeling van de gemeenschap ten overstaan van een (door hen zelf te kiezen) notaris;
4.6.
benoemt - echter alleen voor het geval dat zij over de keuze van een notaris niet tot overeenstemming kunnen komen - tot notaris mr. M.J. Laumans, notaris in Nijmegen, of diens waarnemer of opvolger;
4.7.
bepaalt dat de vrouw huurder zal zijn van de woning, gelegen in [postcode] [woonplaats] aan de [adres] , met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
4.8.
bepaalt dat de onder 4.2. tot en met 4.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij
voorraad;
4.9.
wijst af wat meer of anders is verzocht voor zover de rechtbank de procedure hiervoor niet aanhoudt;
alvorens verder te beslissen
4.10.
houdt de definitieve beslissing over de zorgregeling
pro formaaan tot
9 juni 2026;
4.11.
verzoekt beide advocaten elkaar, de rechtbank en de Raad
uiterlijk op 9 juni 2026te berichten over de actuele stand van zaken voor wat betreft de zorgregeling en het ouderschapstraject bij Entrea Lindenhout en verzoekt hen daarbij de gewenste voortgang van de procedure aan te geven.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. D.B.T. Koster als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Bijlage: Berekening van het NBI van de man
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
42.876
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
42.876
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
42.876
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
42.876
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
13.9
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
1.5
95
Inkomensheffing box 1
15.4
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
42.876
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
15.4
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
7.908
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
7.492
Inkomen na aftrek inkomensheffing
35.384
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
2.275
jaar
Arbeidskorting
5.633
jaar
120
Besteedbaar inkomen
35.384
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
35.384
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
2.949

Voetnoten

1.Artikel 3 lid 1 onder Pro a van EU-verordening 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter).
2.Artikel 815 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
3.Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.
4.Artikel 15 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, “Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996”) en artikel 15 van Pro de Alimentatieverordening in samenhang met artikel 3 van Pro het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007.
5.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
6.Bijlage: Berekening van het NBI van de man.
7.70% x (2.949 - 885 - 1.365 - 350).
8.70% x (2.949 - 885 - 1.365 - 206).
9.Artikel 5 lid 1 van Pro de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels.