ECLI:NL:RBGEL:2026:2241

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/1086
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174 GemeentewetArt. 8:29 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluitingsbevel autobedrijf wegens schietincident

Verzoekster exploiteert een autobedrijf dat op 26 februari 2026 door de burgemeester voor 14 dagen werd gesloten na een schietincident met twee gewonden bij het pand. De burgemeester baseerde het sluitingsbevel op artikel 174 van Pro de Gemeentewet, gericht op bescherming van de openbare veiligheid en gezondheid.

Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van het besluit, stellende dat het schietincident geen actuele dreiging vormt en dat de sluiting leidt tot ernstig financieel nadeel. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake is van een spoedeisend belang vanwege het inkomensverlies, maar dat onvoldoende is gebleken van een concrete en actuele dreiging die de sluiting rechtvaardigt.

De burgemeester kon niet aannemelijk maken dat de dreiging voortduurt, mede omdat het politieonderzoek nog loopt en er geen concrete risico-inschatting of motivering is gegeven. De voorzieningenrechter concludeerde dat het enkele schietincident onvoldoende is om de sluiting te handhaven en schorst het bevel met onmiddellijke ingang.

De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het bevel tot sluiting van het autobedrijf wordt geschorst wegens onvoldoende actuele dreiging voor veiligheid en gezondheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1086
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigden: mr. S. Celik & mr. E. Yilmaz),
en

de burgemeester van Arnhem

(gemachtigden: mr. L.R. van Damme, mr. J. van den Heuvel en K. Smit).

Inleiding

1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Dat verzoek om een voorlopige voorziening is gericht tegen het door de burgemeester gegeven bevel om het bedrijfspand van verzoekster op het adres [locatie] te [plaats] voor een periode van 14 dagen te sluiten.
1.1.
Bij besluit van 26 februari 2026 heeft de burgemeester het bevel tot sluiting mondeling gegeven. De sluiting is op 26 februari 2025 om 16:00 uur ingegaan. Het bevel is nadien op schrift gesteld en op 27 februari 2026 verzonden aan verzoekster.
1.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bevel tot sluiting en heeft de voorzieningenrechter hangende bezwaar verzocht om dit besluit te schorsen, om zo te bereiken dat zij per direct weer kan aanvangen met haar bedrijfsactiviteiten.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Namens verzoekster hebben [persoon A] en haar gemachtigden deelgenomen aan de zitting. De burgemeester heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak wordt hieronder weergegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekster.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoekster exploiteert een autobedrijf. Op woensdag 25 februari 2026 omstreeks 11:45 uur ontving de politie de melding van een schietpartij met twee gewonden bij het bedrijfspand van verzoekster. Er zijn meerdere schoten gehoord en er is ook gezien dat een man vanuit de richting van het bedrijfspand van verzoekster weg liep. Naar aanleiding van deze melding zijn politiemedewerkers ter plaatse gegaan. Daar trof de politie twee slachtoffers aan en een situatie passend bij een schietincident. De politie heeft de burgemeester van het incident op 25 februari 2026 met een bestuurlijke rapportage op de hoogte gesteld. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester het bevel gegeven zoals in de inleiding omschreven.
De grondslag van het bevel
4. De burgemeester heeft het bevel tot sluiting gebaseerd op artikel 174 van Pro de Gemeentewet. Uit artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat de burgemeester (onder meer) belast is met het toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen. Voor publiek openstaande gebouwen zijn panden of ruimtes die in beginsel toegankelijk zijn voor eenieder, bijvoorbeeld winkels, cafés of (zoals in dit geval) een bedrijfspand. Op grond van het tweede lid van artikel 174 van Pro de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd om bij de uitoefening van het toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Een voorlopige voorziening is een maatregel waarmee wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van een bestreden besluit zich (blijven) voordoen voordat een beslissing op bezwaar is genomen.
5.1.
Verzoekster voert aan dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat de heer [persoon A] zonder personeel werkt, geen financiële buffer heeft en onder aanzienlijke druk staat door openstaande verplichtingen. Een sluiting van 14 dagen betekent voor hem volledig inkomensverlies en risico op blijvende schade aan zijn onderneming. Er is geen andere inkomstenbron en hij kan zijn vaste lasten, huur, energiekosten en levensonderhoud dan ook niet bekostigen als het bedrijf gesloten blijft. De burgemeester is echter van mening dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat sprake is van een financieel belang en niet is gebleken dat verzoekster in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval wel sprake is van een spoedeisend belang. De sluiting heeft tot gevolg dat de heer [persoon A] gedurende 14 dagen geen inkomsten meer heeft, terwijl hij geen andere inkomstenbron heeft. Verder heeft verzoekster uitgebreid onderbouwd aan de hand van stukken dat de financiële gevolgen groot zijn. Ondanks dat dit in de kern een financieel belang is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij het wegvallen van alle inkomsten voor de duur van 14 dagen voldoende aannemelijk is dat financiële nood kan ontstaan. De voorzieningenrechter neemt daarom in het voordeel van verzoekster aan dat er wel een spoedeisend belang is.
Is op dit moment sprake is van een de veiligheid of gezondheid bedreigende situatie die voortduring van de sluiting noodzakelijk maakt?
6. Verzoekster voert aan dat de burgemeester geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een actuele en concrete dreiging voor de openbare orde. Het besluit bevat geen dreigingsanalyse, geen concrete risico-inschatting en geen objectieve gegevens waaruit blijkt dat heropening van het pand een reëel gevaar zou opleveren. De burgemeester baseert zich enkel op de ernst van het incident en op het feit dat het politieonderzoek nog loopt, maar motiveert niet waarom dit leidt tot een concrete en actuele dreiging bij heropening. Verzoekster betwist dat het enkele plaatsvinden van een geweldsincident rechtvaardigt dat het pand gedurende 14 dagen moet worden gesloten. Verzoekster wijst er verder, kort samengevat, op dat een verband tussen het schietincident en het autobedrijf ontbreekt, nu het schietincident buiten het bedrijfspand plaatsvond en de aanleiding voor het schietincident in de privésfeer ligt.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet de bevoegdheid bevat tot het geven van bevelen om onverwijld in te grijpen in situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen. [1] De bevelen die op grond van deze bepaling worden gegeven, moeten dus zien op concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of gezondheid bedreigende situaties. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, volgt verder dat de in artikel 174, tweede lid, neergelegde bevoegdheid dan ook uitsluitend kan worden aangewend indien onverwijld moet worden ingegrepen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid. [2] Als een bevel tot sluiting van een voor publiek toegankelijke gebouw een reactie is op een incident dat voorbij is, dan moet de burgemeester deugdelijk motiveren dat de dreiging voor de openbare veiligheid en gezondheid in het voor publiek toegankelijke gebouw dat hij wil sluiten nog concreet is. In rechtspraak wordt aangenomen dat de burgemeester actief (op eigen initiatief) dient na te gaan of nog steeds sprake is van een de veiligheid of gezondheid bedreigende situatie, die voortduring van de sluiting van het autobedrijf noodzakelijk maakt. [3] De dreiging voor veiligheid moet ten aanzien van autobedrijf dus nog steeds concreet zijn. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om het bevel met directe ingang te schorsen. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom niet of het bevel vorige week rechtmatig is gegeven, [4] maar beperkt zich tot de vraag of de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op dit moment sprake is van een de veiligheid of gezondheid bedreigende situatie, die voortduring van de sluiting van het autobedrijf noodzakelijk maakt. Daarbij is niet van belang of deze dreiging door verwijtbaar handelen of nalaten van verzoekster zelf is ontstaan.
6.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat op dit moment sprake is van een de veiligheid of gezondheid bedreigende situatie, die voortduring van de sluiting van het autobedrijf noodzakelijk maakt. De burgemeester heeft zich dan ook niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat continuering van de sluiting vanaf heden gerechtvaardigd is. Daar heeft de voorzieningenrechter het volgende bij in aanmerking genomen.
6.3.
Aan het bestreden besluit ligt een bestuurlijke rapportage ten grondslag, waarin niet veel meer is opgenomen dan dat er schietpartij is geweest, de heer [persoon A] en zijn broer zijn beschoten, het pand van het autobedrijf is geraakt door meerdere kogels en dat het onderzoek nog loopt. In het verzoekschrift en op zitting is door verzoekster de achtergrond van de schietpartij toegelicht en wordt concreet aangevoerd dat het autobedrijf daarin geen rol speelt, omdat de schietpartij het gevolg is van een conflict van een neef die toevallig bij bedrijf was. De heer [persoon A] heeft dit ook verklaard aan de politie. In dergelijke gevallen ligt het op de weg van de burgemeester om hier navraag naar te doen bij politie. In dit geval is er door burgemeester recent contact geweest met politie over vraag of er aanleiding is om de sluiting volgende week, als de termijn verstrijkt, te verlengen, maar ook nu gaf de politie aan dat onderzoek nog loopt en dat er geen nadere informatie bekend is. Ook heeft de burgemeester tijdens een korte schorsing van deze zitting contact gezocht met de zaaksofficier. Die gaf aan dat de schietincident disproportioneel was en het niet aannemelijk is dat het geweld te maken heeft met een conflict in de privésfeer over een motorfiets. Het daadwerkelijke motief wordt nog onderzocht, aldus de zaaksofficier.
6.4.
De informatie van politie en justitie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om op dit moment een actueel veiligheidsrisico aan te nemen ten aanzien van het autogaragebedrijf. Hoewel het begrijpelijk is dat de informatie beperkt is vanwege een lopend strafonderzoek, moet er wel voldoende informatie zijn voor de burgemeester om te kunnen onderbouwen of er nu bedreigende situatie voor de veiligheid is, die met continuering van de sluiting weggenomen blijft. De voorzieningenrechter heeft deze informatie ook nodig om de dreiging op dit moment te kunnen beoordelen. Anders is effectieve rechtsbescherming in dit soort zaken niet mogelijk. Er wordt door politie en justitie niet concreet gereageerd op wat verzoekster over de gang van zaken en de achtergrond van de schietpartij heeft aangevoerd. De bestuurlijke rapportage is verder zeer beknopt en onduidelijk is hoe het schietincident is verlopen. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk of er gericht is geschoten op pand of dat is geschoten op de broers die voor pand stonden, waarná de kogels in het pand zijn beland. Dat kunnen verschillende situaties zijn voor de dreiging: is het autobedrijf per toeval geraakt (omdat de broers voor het pand stonden), of is het pand bewust beschoten? Dat blijkt niet uit de informatie die voorhanden is, maar is wel nodig om te kunnen motiveren of de dreiging voor de openbare veiligheid en gezondheid in de autogarage nog concreet is. Een enkel schietincident waarbij een pand op enigerlei wijze is geraakt zonder context is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om aan te nemen dat op dit moment sprake is van een concreet veiligheidsrisico ten aanzien van het autogaragebedrijf. Er is daarnaast ook geen sprake van eerdere incidenten bij het autogaragebedrijf en ook is niet gebleken van eerdere incidenten met betrekking tot de broers.
6.5.
De burgemeester heeft op zitting nog verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, waarin in een soortgelijke situatie het bevel tot sluiting niet werd geschorst. [5] De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een soortgelijke zaak geen sprake is. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel ging het volgens die burgemeester om een gerichte actie tegen de partner van de eigenaresse van de winkel, en vonden er ook incidenten met explosieven plaats in dezelfde periode. In deze zaak heeft de burgemeester expliciet gezegd dat er op dit moment geen informatie is die erop duidt dat sprake is van een gerichte actie tegen de broers en ook zijn er geen eerdere incidenten bij bedrijf geweest.
6.6.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de informatie over deze schietpartij te beperkt is om de conclusie te kunnen dragen dat op dit moment sprake is van een dreiging voor de openbare veiligheid en gezondheid ten aanzien van het autobedrijf. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat het begrijpelijk is dat de burgemeester van de politie weinig informatie krijgt vanwege het lopende strafonderzoek, maar dat dat niet in het nadeel van verzoekster mag werken. In toekomstige situaties zou het de burgemeester mogelijk kunnen helpen om bepaalde informatie over de toedracht van een incident waar nog een strafrechtelijk onderzoek naar loopt bij de politie op te vragen en die informatie onder 8:29 van de Awb te verstrekken aan de rechtbank. De voorzieningenrechter is er ambtshalve mee bekend dat meerdere gemeenten dat op die manier doen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter bespreekt de gronden over het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet, omdat hetgeen onder 6 en verder is overwogen al reden is om het bestreden besluit te schorsen.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het door verzoekster betaalde griffierecht ter hoogte van € 397,- vergoeden. Ook moet de burgemeester de gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en deelgenomen aan de zitting bij de voorzieningenrechter. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
7.2.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht ter hoogte van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekster ter hoogte van € 1.868,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1988/89, 19 403, nr. 10, blz. 92 en 93
2.ABRvS 26 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5615.
3.Zie bijvoorbeeld Rb. Oost-Brabant (vzr.), ECLI:NL:RBOBR:2018:1769.
4.Dat kan in de bezwaarfase heroverwogen worden door de burgemeester.
5.Rb. Overijssel (vzr.) 27 augustus 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4598.