Verzoeker heeft bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet en ontving een voorschot. Het college stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling wegens ontbrekende informatie, maar besloot later inhoudelijk en wees de aanvraag af. Na bezwaar wijzigde het college het besluit en kende bijstand toe vanaf 17 november 2025 volgens de gehuwdennorm.
Verzoeker betwist de berekening van het college, met name de ingangsdatum en de verrekening van het inkomen van zijn partner, en stelt dat 25% van het partnerinkomen vrijgelaten moet worden. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze vrijlating niet geldt zolang er nog geen algemene bijstand wordt ontvangen en dat er geen bewijs is voor een toezegging hierover.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar formeel kansrijk is, maar dat het niet aannemelijk is dat verzoeker meer bijstand toekomt dan het college heeft berekend. De financiële situatie van verzoeker rechtvaardigt wel spoedeisend belang, maar dit leidt niet tot toewijzing van de voorlopige voorziening. Het college wordt wel verplicht het griffierecht te vergoeden.