Betrokkenen ontvingen sinds december 2016 bijstand naast inkomsten uit arbeid. Vanaf februari 2018 trad betrokkene 1 in dienst en ontving tevens een WW-uitkering met toeslag. Het college trok de bijstand per 1 februari 2018 in vanwege vermeende voldoende inkomsten.
De rechtbank oordeelde dat de inkomensvrijlating van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de Participatiewet (PW) van toepassing is, waardoor het recht op bijstand kan voortduren als het inkomen na vrijlating onder de norm blijft. Het college stelde in hoger beroep dat de vrijlating niet geldt bij inkomsten boven de norm, maar deze stelling werd verworpen.
De Raad bevestigde dat eerst de inkomensvrijlating moet worden toegepast en vervolgens wordt beoordeeld of het resterende inkomen lager is dan de bijstandsnorm. Het college moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitleg. Het incidenteel hoger beroep van betrokkenen over terugvordering van WW-uitkering werd eveneens afgewezen.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat beroep tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad kan worden ingesteld.