ECLI:NL:RBGEL:2026:2263

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
AWB 22_1654
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16a Wet BPMArt. 10b Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens tarief en CO2-meetmethode ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 3.149 opgelegd door de inspecteur, omdat hij meent dat het tarief uit 2019 analoog toegepast moet worden en dat de wijziging van de CO2-meetmethode van NEDC naar WLTP leidt tot een hogere belasting die in strijd is met artikel 110 VWEU Pro en het rechtszekerheidsbeginsel.

De rechtbank stelt vast dat de auto een nieuwe ongebruikte auto is met een datum eerste toelating van 14 januari 2020 en dat de tariefsverhoging per 1 januari 2020 is ingegaan. De voorwaarde van artikel 16a Wet BPM dat de auto vóór de tariefsverhoging in het kentekenregister van een andere lidstaat moet zijn ingeschreven en binnen twee maanden te naam moet zijn gesteld in Nederland, is niet vervuld.

De rechtbank oordeelt dat de CO2-uitstoot correct is vastgesteld volgens Europese regelgeving en dat belanghebbende onvoldoende heeft gesteld om aan te tonen dat gelijksoortige auto's in Nederland lager worden belast. Er is geen schending van artikel 110 VWEU Pro, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Verder is de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar met 31 maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.000, waarvan € 774 door de inspecteur en € 2.226 door de Staat wordt betaald. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag blijft in stand en de proceskosten worden verdeeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/1654

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 december 2021.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.158.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] en, namens de inspecteur, [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 19 maart 2020 aangifte bpm gedaan voor een Hyundai Kona 1.6 GDI HEV Comfort (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Brandstof
Benzine en Elektriciteit
CO2-uitstoot
101 gr/km
Datum eerste toelating
14-1-2020
Netto Catalogusprijs
€ 20.981
Historische nieuwprijs
€ 27.187
Handelsinkoopwaarde
€ 17.194
Bruto bpm
€ 3.149 (actueel)
Te betalen bpm
€ 1.991
2. In de aangifte heeft belanghebbende de afschrijving gebaseerd op een koerslijst van Autotelex.
3. Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
4. Belanghebbende heeft de auto op 4 maart 2020 gekocht in Duitsland. In het dossier bevindt zich de aankoopfactuur, waarop een datum eerste toelating van 14 januari 2020 is vermeld.
5. Met dagtekening 2 oktober 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de auto een nieuwe auto betreft en dat een vermindering niet aan de orde is. De verschuldigde bpm is vastgesteld op € 3.149.
6. In de gegevens van het RDW is vermeld dat de auto een datum eerste toelating heeft van 14 januari 2020 en dat de herkomst Hongarije is. Daarbij is het buitenlandse kenteken [kenteken] vermeld. Ook is een datum eerste inschrijving in Nederland vermeld van 28 maart 2020.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. In geschil is of belanghebbende een beroep kan doen op het tarief uit het jaar 2019, naar analoge toepassing van artikel 16a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) en in het licht van artikel 110 van Pro het VWEU.
9. Ook is in geschil of van een lagere bruto bpm moet worden uitgegaan in verband met de wijziging van de CO2-meetmethode van NEDC naar WLTP. Daarbij zijn in het bijzonder de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
  • Hebben auto's door de invoering van de WLTP/NEDC2 testmethode een hogere CO2-uitstoot gekregen?
  • Worden WLTP/NEDC2 geteste auto's daardoor zwaarder belast?
  • Zo ja, komt dit dan in strijd met artikel 110 VWEU Pro, omdat gelijksoortige referentievoertuigen die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode, tot een lager bedrag in de heffing worden betrokken?
  • Als WLTP/NEDC2 geteste auto's tot een hoger bedrag in de heffing van bpm worden betrokken, handelt de inspecteur dan in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2bniet tot een hogere belastingdruk mag leiden?
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Analoge toepassing artikel 16a van de Wet BPM
11. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 10b van de Wet BPM, hij een beroep kan doen op het tarief dat gold op het moment waarop de referentieauto voor het eerst in gebruik werd genomen. Het is niet uitgesloten dat op grond van artikel 16a van de Wet BPM in Nederland een referentieauto rondrijdt, die in de eerste twee maanden van 2020 is geregistreerd, terwijl daarbij het tarief 2019 is toegepast. Artikel 110 van Pro het VWEU verzet zich tegen een dergelijke ongelijke behandeling.
12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stelling van belanghebbende faalt en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023 [1] .
13. De rechtbank verwerpt de beroepsgrond en overweegt daartoe als volgt.
14. In het arrest van 17 november 2023 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 110 van Pro het VWEU met zich brengt dat artikel 16a van de Wet BPM toepassing kan vinden indien een motorvoertuig voor de tariefsverhoging in het kentekenregister van een andere lidstaat is ingeschreven en na overbrenging naar Nederland binnen twee maanden na de inwerkingtreding van de tariefsverhoging te naam wordt gesteld.
15. Belanghebbende heeft niet betwist dat de auto een nieuwe ongebruikte auto is. Gelet op de gegevens van het RDW, de aankoopfactuur en de aangifte stelt de rechtbank vast dat de auto een datum eerste toelating heeft van 14 januari 2020 en in Nederland te naam is gesteld op 28 maart 2020. De tariefsverhoging is in werking getreden per 1 januari 2020. [2] Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 16a van de Wet BPM dat de auto (zonder tenaamstelling) in een kentekenregister moet zijn ingeschreven voor de inwerkingtreding van de tariefsverhoging en binnen twee maanden te naam moet zijn gesteld in het Nederlandse kentekenregister.
Bruto bpm: CO2-uitstoot
16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat WLTP-NEDC2 geteste auto’s gemiddeld 6 gr/km zwaarder worden belast. Dit is in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU, omdat gelijksoortige auto’s die in dezelfde periode zijn ingevoerd en waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld met de NEDC-methode, lager worden belast. Belanghebbende wijst op een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6453. De heffing op basis van een hogere CO2-uitstoot is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat de staatsecretaris van Financiën zich op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van meetmethode niet tot een hogere belastingdruk mag leiden.
17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft voor de onderhavige voertuigen op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving op correcte wijze een CO2-uitstoot geregistreerd. Belanghebbende heeft niet aan zijn stelplicht voldaan, om gelijksoortige voertuigen aan te wijzen, dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse auto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige auto in nieuwe staat is geregistreerd.
18. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt. De auto van belanghebbende is niet in de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019, maar in 2020 voor het eerst toegelaten op de weg. Niet gesteld of gebleken is dat op de datum van eerste toelating een gelijksoortige auto in nieuwe staat is geregistreerd in Nederland, waarvoor als gevolg van de restantvoorraadregeling op grond van de NEDC-methode een lagere CO2-uitstoot is vastgesteld. [3] Van een schending van artikel 110 van Pro het VWEU is dan geen sprake. Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel is ook geen sprake. De uitlatingen van de staatssecretaris zien op de belastingdruk op macro niveau en niet op individuele gevallen. De wetgever heeft in verband met wijziging van de meetmethode de CO2-schijven en de tarieven per 1 juli 2020 aangepast. [4] Tot 1 juli 2020 was de transitieregeling [5] van toepassing.
Redelijke termijn
19. Belanghebbende heeft op de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
20. Het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvangen op 13 oktober 2020. De redelijke termijn van twee jaar moet worden verlengd met tien maanden in verband met de prejudiciële vragen van Rechtbank Zeeland-West-Brabant die hebben geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024. [6] De redelijke termijn van twee jaar en tien maanden is met (afgerond) 31 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar is van 17 december 2021, wat acht maanden langer is dan zes maanden. De inspecteur moet daarom (8/31 x € 3.000 = ) € 774 betalen. De rest moet de Staat betalen.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. [7] Hij krijgt wel vergoeding van de proceskosten van € 233,50 [8] . De Staat en de inspecteur moeten hiervan ieder de helft betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende tot en bedrag van € 774;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende tot en bedrag van € 2.226;
  • veroordeelt de Staat en de inspecteur tot ieder de helft van de proceskosten van belanghebbende van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Stcrt. 2019, 66970.
3.Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
4.Stb 2019, 512 (Overige fiscale maatregelen 2020); Kamerstukken II 2019/20, 35 303, nr. 3, p. 28.
5.Artikel 9, elfde en twaalfde lid, van de Wet BPM zoals die luidden tot 1 juli 2020.
6.Zie brief van de rechtbank van 27 juni 2023.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
8.1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25.