ECLI:NL:RBGEL:2026:2312

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/05/451494 / HA RK 25-62
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:297 BWArt. 2:298 BWArt. 2:299 BWArt. 1:431 BWArt. 6:198 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontslag en benoeming bestuurders stichting Tobra afgewezen wegens gebrek aan belanghebbenden

De rechtbank Gelderland behandelde een verzoek van erfgenamen en een stichting om bestuurders van stichting Tobra te ontslaan en nieuwe bestuurders te benoemen. De verzoekers stelden dat het bestuur wanbeheer pleegde door het niet realiseren van een zorgboerderij en het niet nakomen van testamentaire lasten.

De rechtbank oordeelde dat de verzoekers niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De stichting die een zorgboerderij wil oprichten heeft geen rechtstreeks belang bij het bestuur van stichting Tobra, waarvan zij geen deel uitmaakt. Ook de erfgenamen konden geen belang aantonen, omdat de boerderij eigendom is van stichting Tobra en de nalatenschap geen schade heeft geleden.

Verder werd geoordeeld dat het emotionele belang van de verzoekers onvoldoende is om als belanghebbende te kwalificeren. Het verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot afschrift van gegevens werd gesplitst en verwezen naar een andere locatie voor verdere behandeling.

Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders wegens gebrek aan belanghebbenden.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/451494 / HA RK 25-62
Beschikking van 23 maart 2026
in de zaak van
1. de stichting
[naam verzoekende stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[naam verzoeker 1],
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker 1] ,
3.
[naam verzoeker 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker 2] ,
4.
[naam verzoeker 3],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
hierna: [verzoeker 3] ,
verzoekers,
hierna samen te noemen: stichting [verzoekers] ,
advocaat: mr. R.F.A. Rorink,
tegen

1.[naam verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,
verweerder, hierna: [vertegenwoordigend verweerder] ,
in persoon verschenen,
2.
[naam belanghebbende],
wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende, hierna: [belanghebbende] ,
niet verschenen,
3. de stichting
STICHTING [naam verwerende stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
verweerster, hierna: stichting [verwerende stichting] ,
vertegenwoordigd door haar bestuurder: [vertegenwoordigend verweerder] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 6 mei 2025,
- de akte overlegging producties van stichting [verzoekers] , met 56 producties,
- de akte overlegging producties van stichting [verzoekers] , met producties 57 tot en met 68,
- het op 18 juli 2025 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift getiteld informatieverzoek ex artikel 195 Rv Pro van [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , met 42 producties, gericht tegen [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] ,
- de spreekaantekeningen van mr. Rorink,
- twee verklaringen getiteld “ons persoonlijk familieverhaal: geschiedenis familie [verzoeker 2] - [adres] in [plaatsnaam] ” van [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , door hen overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling,
- de pleitnotities mondeling verweer van [vertegenwoordigend verweerder] , overgelegd en voor zover voorgedragen op de mondelinge behandeling,
- een brief van 2 juli 2025 van [vertegenwoordigend verweerder] aan de heer [betrokkene 1] , overgelegd op de mondelinge behandeling,
- de mondelinge behandeling van 28 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Verschenen zijn de heer [betrokkene 1] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van stichting [verzoekende stichting] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , allen bijgestaan door mr. Rorink, en [vertegenwoordigend verweerder] , namens zichzelf en in zijn hoedanigheid van bestuurder van stichting [verwerende stichting] , de heer [betrokkene 2] en mevrouw [medewerker] , kandidaat bestuurslid van stichting [verwerende stichting] .
1.2.
De zaak is op de mondelinge behandeling verwezen naar mediation. Bij bericht van 28 oktober 2025 van het mediationbureau van deze rechtbank, is aan de behandelend griffier meegedeeld dat de mediation niet met een positief resultaat is beëindigd.
1.3.
De beschikking is daarna bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [geboortedatum] is de heer [erflater] (hierna: [erflater] ) geboren. [erflater] was ernstig verstandelijk en meervoudig beperkt en woonde in een zorginstelling. Hij had geen partner of kinderen. [erflater] is op [overlijdensdatum] overleden. De erfgenamen van [erflater] zijn neven en nichten, waaronder [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] .
2.2.
Tijdens zijn leven hebben de goederen van [erflater] onder bewind gestaan als bedoeld in artikel 1:431 BW Pro. Bij beschikking van 13 juni 2022 is de toenmalig bewindvoerder ontslagen en zijn [verzoeker 2] en [verzoeker 3] tot bewindvoerders benoemd. Zij zijn bewindvoerders gebleven tot het overlijden van [erflater] .
2.3.
De ouders van [erflater] , overleden in 2001 (moeder) en 2004 (vader), zijn eigenaren geweest van een aantal onroerende zaken, namelijk percelen grond met daarop een boerderij, gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] , gemeente [gemeentenaam] (hierna: de boerderij). Vanaf juli 1986 is een deel van deze percelen grond verpacht aan een familielid van de vader van [erflater] .
2.4.
Bij notariële akte van 4 juni 1996 is stichting [verwerende stichting] opgericht door de ouders van [erflater] , samen met [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] . [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en de ouders van [erflater] zijn als bestuurder benoemd. In de statuten staat, voor zover relevant, het volgende:
‘(…)
DOEL EN MIDDELEN
Artikel 2
1. De stichting heeft ten doel:
a. de zorg en de verlichting van het lot van enkelvoudig en meervoudig gehandicapte personen;
b. de zorg en verlichting van het lot van de heer
[erflater](...).
2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:
- de exploitatie van de boerderij aan de [adres] te [plaatsnaam] , gemeente [gemeentenaam] en de daarbij behorende gronden alsmede het beheer daarvan;
- alle andere wettige middelen, welke voor het bereiken van de doelstellingen van de stichting bevorderlijk kunnen zijn.
(…)’
2.5.
Op 27 augustus 1998 is de boerderij in eigendom overgedragen aan stichting [verwerende stichting] . De ouders van [erflater] hebben vanaf dit moment de boerderij van de stichting gehuurd.
2.6.
Bij brieven van 31 december 2020 heeft mr. Rorink namens [verzoeker 1] , blijkens de brief in zijn hoedanigheid van zaakwaarnemer als bedoeld in artikel 6:198 BW Pro van [erflater] , [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van gesteld onrechtmatig handelen van hen jegens [erflater] .
2.7.
Vanaf 7 juni 2023 hebben mr. Rorink en stichting [verwerende stichting] over en weer veelvuldig gecorrespondeerd, voornamelijk over - kort gezegd - het al dan niet uitvoeren van de door verzoekers gestelde wens van de ouders van [erflater] om op de percelen aan de [adres] te [adres] een zorgboerderij te realiseren.
2.8.
Op 18 oktober 2023 is stichting [verzoekende stichting] opgericht op initiatief van een aantal erfgenamen van [erflater] . Het doel van deze stichting is als volgt omschreven:
‘(…)
DOEL
Artikel 3.
De stichting heeft ten doel de zorg en de verlichting van het lot van enkelvoudig en meervoudig gehandicapte personen.
De stichting tracht haar doel te bereiken door:
- het (doen) exploiteren van een zorgboerderij;
- het inzetten van alle wettige middelen, welke voor het bereiken van genoemde doelstelling bevorderlijk kunnen zijn.
(…)’.
2.9.
Bij verzoekschrift van 30 januari 2024 hebben stichting [verzoekers] de rechtbank Gelderland verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
bij wege van voorlopige voorziening [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] te schorsen als bestuurders van Stichting [verwerende stichting] en één of meer tijdelijke bestuurders te benoemen;
in de hoofdzaak [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] te ontslaan als bestuurders van Stichting [verwerende stichting] ;
nieuwe bestuursleden te benoemen in het bestuur van Stichting [verwerende stichting] ;
[vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder uitdrukkelijk te begrijpen de beslagkosten.
2.10.
Bij beschikking van 6 mei 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van stichting [verzoekers] afgewezen, met compensatie van de proceskosten.
2.11.
Bij beroepsschrift van 8 augustus 2024 hebben stichting [verzoekers] tegen bovengenoemde beschikking hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft bij beschikking van 3 december 2024 stichting [verzoekers] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken in hoger beroep op de grond dat het beroepsschrift buiten de wettelijke appeltermijn is ontvangen door het hof.
3. Het verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] en tot benoeming van nieuwe bestuurders
3.1.
Stichting [verzoekers] verzoeken de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] te ontslaan als bestuurders van Stichting [verwerende stichting] en nieuwe bestuursleden te benoemen, met veroordeling van [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] in de proceskosten.
3.2.
Stichting [verzoekers] betogen dat zij belanghebbende zijn bij het verzoek, gelet op (I) de statutaire doelstelling van stichting [verzoekende stichting] , (II) omdat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] mede-erfgenamen zijn van [erflater] en (III) omdat [verzoeker 2] en [verzoeker 3] de laatste bewindvoerders van [erflater] zijn geweest.
Stichting [verzoekers] maken, kort gezegd, de volgende verwijten aan de bestuurders [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] van stichting [verwerende stichting] . De wens van de ouders van [erflater] , het realiseren van een zorgboerderij, is na bijna 30 jaar nog steeds niet door stichting [verwerende stichting] uitgevoerd. De bestuurders hebben daarmee nagelaten uitvoering te geven aan de testamentaire last die in het testament van de vader van [erflater] was opgenomen. Daarnaast hebben zij in strijd gehandeld met de statuten door niet de belangen van [erflater] te behartigen en geen zorgboerderij te realiseren. Dit is wanbeheer. Daarom moeten [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] worden ontslagen als leden van het bestuur van stichting [verwerende stichting] en vervangen door andere bestuurders. Stichting [verzoekers] stellen met betrekking tot het verzoek uit 2024 nog het volgende. Het verzoek is volgens hen door de rechtbank afgewezen, omdat [vertegenwoordigend verweerder] heeft verklaard dat het bestuur van stichting [verwerende stichting] zou worden uitgebreid met één of meerdere personen van buiten de familie [vertegenwoordigend verweerder] en dat na april 2025, wanneer de pachtovereenkomst zou eindigen, een zorgboerderij zou worden gerealiseerd. Deze beloften zijn echter niet nagekomen. Hieruit blijkt volgens Stichting [verzoekers] nogmaals dat het huidige bestuur niet bereid en/of in staat is om uitvoering te geven aan de testamentaire last van de ouders van [erflater] . Stichting [verzoekers] stellen tot slot nog dat [erflater] schade heeft geleden die door stichting [verwerende stichting] , [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] dient te worden vergoed. Er zijn inkomsten uit de boerderij geweest, bestaande uit inkomsten uit een melkquotum en pachtpenningen. Onduidelijk is wat er met deze inkomsten is gebeurd. Die inkomsten hadden aan [erflater] ten goede moeten komen. Ook moeten er kosten voor het herstellen van opstallen, zoals het boerenwoonhuis, worden gemaakt, aldus stichting [verzoekers]
3.3.
[vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] betogen primair dat stichting [verzoekers] niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek. Zij hebben namelijk niet toegelicht in welke hoedanigheid zij als verzoekers optreden. Daarnaast is aan dit verzoek hetzelfde ten grondslag gelegd als aan het verzoek van 30 januari 2024, zodat deze procedure een verkapt hoger beroep is tegen de beschikkingen van de rechtbank en het hof van respectievelijk 8 augustus en 3 december 2024. Ook hebben stichting [verzoekers] geen rechtens te respecteren belang gesteld en zijn stichting [verzoekende stichting] , [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] individueel niet als belanghebbenden aan te merken. Gelet op de regels van het erfrecht bij versterf, hebben [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] geen eigen belang bij het verzoek. Het staat volgens [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] namelijk vast dat de boerderij eigendom is van stichting [verwerende stichting] en de erven van [erflater] weten dat zij geen aanspraak kunnen maken op een deel van haar vermogen. Als er al enig belang is voor de erven, dan is dit belang niet langer aanwezig doordat de erfenis door hun gedragingen niet langer als beneficiair aanvaard kan worden aangemerkt. Subsidiair doen [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] allereerst een bewijsaanbod; zij bieden aan getuigen te doen horen die kunnen verklaren dat het stichten van een zorgboerderij in de boerderij voortvarend wordt voorbereid. Ten tweede betwisten [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] dat de door stichting [verzoekers] genoemde testamentaire last niet wordt uitgevoerd. [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] betogen voorts dat stichting [verzoekers] niet concreet hebben gemaakt dat [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] hebben gehandeld in strijd met de wet of de statuten van stichting [verwerende stichting] en onvoldoende onderbouwd dat [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeheer, temeer nu ter onderbouwing stukken zijn gebruikt waarop het artikel 2:298 BW Pro van toepassing is zoals dit geldt vanaf 1 juli 2021. Ten slotte betwisten [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] dat de boerderij wordt verwaarloosd en dat het melkquotum is verduisterd, zoals stichting [verzoekers] kennelijk stellen. Het melkquotum is destijds verkocht door de pachter, aldus [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] .
4. De beoordeling van het verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] en tot benoeming van nieuwe bestuurders
4.1.
De rechtbank zal stichting [verzoekers] niet ontvankelijk verklaren in het verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] als bestuurders van stichting [verwerende stichting] en het benoemen van nieuwe bestuurders, omdat geen van hen is aan te merken als belanghebbende bij het verzoek, zoals de wet vereist. De rechtbank komt tot deze beslissing op grond van het volgende.
4.2.
Een bestuurder van een Stichting kan op verzoek van het openbaar ministerie (OM) of een belanghebbende door de rechtbank worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, andere gewichtige redenen, of ingrijpende wijzigingen van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:298 lid 1 BW Pro). Wanneer door het ontslag van een bestuurder geen of te weinig bestuurders overblijven kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of het OM één of meer nieuwe bestuurders benoemen (artikel 2:299 BW Pro). De wet vermeldt niet in het algemeen wie tot de belanghebbenden zijn te rekenen bij een verzoek tot ontslag en benoeming van bestuurders van een Stichting op grond van dit artikel. Wie belanghebbende zijn moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. [1]
4.3.
Stichting [verzoekende stichting] is geen belanghebbende bij dit verzoek. Dat zij om te voldoen aan haar statutaire doelstelling een zorgboerderij wil oprichten op de locatie van de boerderij, die eigendom is van stichting [verwerende stichting] , is onvoldoende om als belanghebbende te worden aangemerkt. Een andere grond waarop Stichting [verzoekende stichting] als belanghebbende kan worden aangemerkt is niet gesteld en is de rechtbank ook niet gebleken. Zo is er niet gebleken van een rechtstreeks eigen belang waarvoor zij in deze procedure moet kunnen opkomen, bijvoorbeeld dat stichting [verzoekende stichting] een bepaald recht zou hebben op de boerderij, op grond waarvan stichting [verwerende stichting] gehouden kan worden om met de wensen van Stichting [verzoekende stichting] wat betreft de locatie van een op te richten zorgboerderij rekening te houden.
Verder is er geen zodanige nauwe betrokkenheid gebleken van stichting [verzoekende stichting] bij stichting [verwerende stichting] , de boerderij of het functioneren van de huidige bestuurders van stichting [verwerende stichting] dat daarin een belang is gelegen voor stichting [verzoekende stichting] om in deze procedure te verschijnen. Zo behoort stichting [verzoekende stichting] bijvoorbeeld niet tot een kring van personen die betrokken was of is geweest bij stichting [verwerende stichting] , zoals een oprichter, (voormalig) bestuurder of iemand die in potentie een begunstigde van deze stichting kan zijn.
4.4.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld in de hiervoor onder 2.10. genoemde beschikking van 6 mei 2024, is zij van oordeel dat ook [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] geen belanghebbenden zijn bij het ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] als bestuurders van stichting [verwerende stichting] . De rechtbank licht deze beslissing hierna toe.
4.5.
Stichting [verzoekers] betogen dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] als erfgenamen van [erflater] belanghebbende zijn bij het verzoek, omdat de nalatenschap van [erflater] schade heeft geleden doordat [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] hun taak als bestuurders hebben verwaarloosd. De door [erflater] , en nu dus zijn nalatenschap, geleden schade zou volgens stichting [verzoekers] zijn ontstaan doordat een melkquotum is verdwenen, wat niet is verantwoord, en omdat ontvangen pachtpenningen noch aan [erflater] , noch aan het onderhoud van de boerderij zijn besteed. [erflater] is in het verleden aanzienlijke inkomsten uit de verpachting van de boerderij en de verhuur van het boerenwoonhuis misgelopen, welke inkomsten in de toekomst bovendien gevaar lopen vanwege het achterstallige onderhoud aan de boerderij. Daarnaast bestaat de schade uit kosten voor het herstellen van de opstallen, zoals het boerenwoonhuis, aldus steeds stichting [verzoekers]
De rechtbank is van oordeel dat zelfs als hetgeen stichting [verzoekers] hier stellen juist zou zijn, wat vooralsnog niet vaststaat nu [vertegenwoordigend verweerder] en stichting [verwerende stichting] dit gemotiveerd hebben betwist, dit enkel tot de conclusie kan leiden dat stichting [verwerende stichting] minder inkomsten heeft genoten en meer kosten moet maken dan als de gestelde taakverwaarlozing achterwege zou zijn gebleven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de gestelde taakverwaarlozing enige gevolgen voor de nalatenschap van [erflater] kan hebben gehad. De boerderij is immers eigendom van stichting [verwerende stichting] , zodat niet [erflater] of zijn nalatenschap, maar (hooguit) stichting [verwerende stichting] rechthebbende is van opbrengsten uit het melkquotum en de pachtpenningen en zij in beginsel de kosten moet dragen voor het herstellen en onderhouden van opstallen, zoals het boerenwoonhuis. Stichting [verzoekers] hebben geen feiten gesteld waaruit volgt dat deze kosten ten laste van de nalatenschap van [erflater] zouden komen. Om deze redenen faalt dit betoog van stichting [verzoekers]
4.6.
Stichting [verzoekers] betogen voorts dat stichting [verwerende stichting] niet aan haar doelstelling zou hebben voldaan om de zorg op zich te nemen van [erflater] en zijn lot te verlichten, omdat zij desgevraagd geen speciale fiets voor hem heeft betaald en zijn uitvaart niet heeft bekostigd. Ook deze gestelde taakverwaarlozing heeft geleid tot schade voor [erflater] , en daarmee zijn nalatenschap, volgens stichting [verzoekers]
Ook dit betoog faalt. Uit het enkele feit dat stichting [verwerende stichting] de fiets van [erflater] niet heeft betaald, volgt niet dat [erflater] , en nu zijn nalatenschap, een vordering had of heeft op stichting [verwerende stichting] . Dat dit het geval is, is door stichting [verzoekers] onvoldoende toegelicht. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bekostigen van de uitvaart van [erflater] niet valt onder de statutaire doelomschrijving van stichting [verwerende stichting] , want die is - kort gezegd - de zorg en de verlichting van het lot van [erflater] en andere enkelvoudig en meervoudig gehandicapte personen. Het betalen van de uitvaart van (de op dat moment reeds overleden) [erflater] valt daar naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer onder en stichting [verzoekers] hebben niet uitgelegd waarom dit wel zo zou zijn.
4.7.
Ook is door stichting [verzoekers] betoogd dat [verzoeker 2] en [verzoeker 3] belanghebbenden zijn, omdat zij de laatste bewindvoerders waren van [erflater] totdat hij overleed in 2023. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom dit maakt dat [verzoeker 2] en [verzoeker 3] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het verzoek. [erflater] is in 2023 overleden, zodat het bewind over de goederen van [erflater] is geëindigd. [2] Daarom ligt in hun hoedanigheid van dus inmiddels voormalig bewindvoerder geen belang waarvoor zij in deze specifieke procedure behoren te kunnen opkomen.
4.8.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat de wens van stichting [verzoekers] dat op de locatie van de boerderij een zorgboerderij wordt gerealiseerd ook niet maakt dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt in de zin van de artikelen 2:298 lid 1 en 2:299 BW. Een louter emotioneel belang, hoe begrijpelijk ook, want ingegeven door familiebanden en betrokkenheid bij de boerderij en de plek waarop deze staat, zoals door [verzoeker 2] en [verzoeker 3] uiteengezet in het persoonlijk familieverhaal, volstaat daarvoor niet. Het zelf willen kunnen beschikken over een onroerende zaak die eigendom is van een stichting levert ook niet zonder meer het vereiste belang op bij het bepalen wie die stichting bestuurt, óók niet indien de verzoekers zich zorgen maken over het beheer van de betreffende stichting.
4.9.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat voor het algemene toezicht op stichtingen (en het tegengaan van uitwassen) het OM door de wetgever als onafhankelijk toezichthouder is aangewezen. [3] Mede daarom volgt uit het enkele feit dat er na het overlijden van [erflater] wellicht geen (andere) direct aanwijsbare belanghebbenden in de zin van de artikelen 2:298 lid 1 en 2:299 BW meer zijn, niet dat de nabestaanden van [erflater] wel als belanghebbenden bij het gedane ontslagverzoek moeten worden aangemerkt op de grond dat zij stellen dat de toestand van Stichting [verwerende stichting] zorgelijk is. Voor zover verzoekers hebben bedoeld te betogen “iemand moet toch iets doen, er zijn geen andere belanghebbenden en
duszijn wij belanghebbenden” kan de rechtbank daar dus niet in meegaan.

5.Het verzoek en de beoordeling van het verzoek tot afschrift van gegevens

5.1.
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] hebben een separaat verzoekschrift getiteld “informatieverzoek ex artikel 195 Rv Pro” ingediend in deze procedure op 18 juli 2025 (derhalve tien dagen voor de reeds geplande mondelinge behandeling van het ontslagverzoek). Daarin verzoeken zij - kort gezegd - dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] beveelt tot het verstrekken van afschrift van in randnummer 54 van dat verzoekschrift genoemde gegevens, op straffe van een dwangsom. Dit verzoek wordt hierna genoemd “het verzoek tot afschrift van gegevens”.
5.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat het verzoek tot afschrift van gegevens wordt gedaan in deze procedure, maar dat het voor zover nodig ook een zelfstandig belang kent. Dit belang is er volgens [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] in gelegen dat zij als erfgenamen van [erflater] voornemens zijn vorderingen in te stellen tegen [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] . [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] stellen dat zij belang hebben bij afschrift van de gegevens als erfgenamen, omdat zij die gegevens nodig hebben om te kunnen bepalen of de nalatenschap een vordering heeft op [vertegenwoordigend verweerder] , [belanghebbende] en stichting [verwerende stichting] , mogelijk uit hoofde van onrechtmatige daad, en om te kunnen beoordelen wat de omvang is van het erfdeel dat hen toekomt.
5.3.
De rechtbank zal de verzoeken in deze zaak splitsen. De behandeling van het verzoek tot afschrift van gegevens zal als een zelfstandige procedure worden voortgezet en daarom een eigen zaak- en rolnummer krijgen, hetgeen met zich brengt dat de griffier in de aldus afgesplitste zaak afzonderlijk griffierecht zal heffen. De rechtbank zal in die procedure bepalen hoe de behandeling van het verzoek moet worden voortgezet en partijen daarvan op de hoogte stellen. Voor deze beslissing is het volgende redengevend.
5.4.
De rechter kan een aanhangig gemaakt geding, op verlangen van een partij of ambtshalve, splitsen op de grond dat tussen de vorderingen of verzoeken geen zodanige
samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. [4]
5.5.
Tussen de verzoeken in de onderhavige zaak bestaat geen zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. Dat is allereerst omdat verzoekers niet dezelfde personen zijn als het verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] . Belangrijker is echter dat er geen grond is om aan te nemen dat zij enig belang hebben bij afschrift van de gegevens ter onderbouwing van hun verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] als bestuurders, gelet op de hiervoor genomen beslissing dat zij niet ontvankelijk zullen worden verklaard in dit verzoek nu zij daarbij geen belanghebbende zijn. Daarom is er geen reden om de verzoeken gezamenlijk te behandelen. Daarbij komt nog dat [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] op de mondelinge behandeling desgevraagd hebben verklaard dat het verzoek tot afschrift van gegevens als een zelfstandig verzoek moet worden beschouwd. Ook dit is een reden om te oordelen dat er geen samenhang is tussen de verzoeken die kan maken dat een gezamenlijke behandeling noodzakelijk is.
Het verzoek wordt voor verdere behandeling verwezen naar de locatie Zutphen
5.6.
Voor het bepalen van de locatie in het arrondissement waar een civiele handelszaak wordt behandeld, geldt het Zaaksverdelingsreglement van de rechtbank Gelderland met de daarbij horende bijlagen (Staatscourant 2025, 24030).
5.7.
Het verzoek betreft afschrift van gegevens in een erfrechtzaak. Erfrechtzaken, inclusief rekesten, worden volgens het genoemde Zaaksverdelingsreglement behandeld op de locatie Zutphen. De zaak zal daarom naar die locatie worden verwezen ter verdere behandeling.

6.De beslissing

de rechtbank
6.1.
splitst het door stichting [verzoekers] gedane verzoek tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] als bestuurders van stichting [verwerende stichting] en het door [verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] gedane verzoek tot afschrift van gegevens in afzonderlijke procedures,
waarbij aan het verzoek tot afschrift van gegevens het volgende zaak- en rolnummer wordt gegeven: C/05/463379 HA RK 26-20,
6.2.
verwijst het verzoek tot afschrift van gegevens, in de stand waarin deze zaak zich bevindt, naar de rechtbank Gelderland, sector civiel, zittingsplaats Zutphen,
6.3.
verklaart stichting [verzoekers] niet ontvankelijk in hun verzoeken tot ontslag van [vertegenwoordigend verweerder] en [belanghebbende] als bestuurders van stichting [verwerende stichting] en tot benoeming van nieuwe bestuurders.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
943 / 1496

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900, r.o. 4.1.2.
2.artikel 1:449 lid 1 BW Pro.
3.Zie de artikelen 2:297, 2:298 lid 1 en 2:299 BW, waarin aan het OM daartoe strekkende bevoegdheden worden toegekend.
4.HR 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384.