Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2346

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 26 _ 1239
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.27 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 2.29 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit transformatorhuisje

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede om niet handhavend op te treden tegen een transformatorhuisje nabij zijn woning. Het college had op 7 januari 2026 het handhavingsverzoek afgewezen omdat het huisje niet vergunningplichtig is en er geen overtreding is.

Eerder was een verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit. Inmiddels is bezwaar alsnog ingediend en is een herhaald verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

De rechter bevestigt dat het transformatorhuisje op grond van de artikelen 2.27 en 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet omgevingsvergunningplichtig is. Het college heeft het handhavingsverzoek dan ook terecht afgewezen. Ook de aangevoerde motiveringsklachten en het vermeende bevoegdheidsgebrek leiden niet tot een ander oordeel. De belangenafweging is niet aan de orde omdat er geen overtreding is.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en laat de bodemprocedure onverlet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het handhavingsbesluit wordt afgewezen omdat het transformatorhuisje niet vergunningplichtig is en er geen overtreding is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1239

uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede

(gemachtigde: L.J.A. Hogendoorn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het college waarin zijn handhavingsverzoek is afgewezen.
1.1.
Bij besluit van 7 januari 2026 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen een transformatorhuisje nabij zijn woning, omdat van een overtreding geen sprake is. Verzoeker heeft eerder een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen dat besluit. Bij uitspraak van 5 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2026.
1.2.
Verzoeker heeft ondertussen alsnog bezwaar gemaakt en een nieuw (herhaald) verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Daarover gaat deze zaak.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het college is alleen bevoegd om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. Van een overtreding zou sprake zijn als voor het plaatsen van het transformatorhuisje een omgevingsvergunning nodig zou zijn en dit huisje zonder die vergunning zou zijn geplaatst. De voorzieningenrechter heeft in haar eerdere uitspraak van 5 maart 2026 reeds een voorlopig rechtmatigheidsoordeel gegeven over het besluit waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen en heeft daarin opgemerkt dat zij, net als het college, van oordeel is dat het realiseren van het transformatorhuisje op grond van de artikelen 2.27 en 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet omgevingsvergunningplichtig is en dat het handhavingsverzoek dan ook terecht is afgewezen. [2] De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om daar nu anders over te denken.
2.1.
Verzoeker voert nog aan dat het handhavingsbesluit onvoldoende gemotiveerd is en onzorgvuldig is voorbereid, maar ook dat volgt de voorzieningenrechter niet. Uit het bestreden besluit volgt voldoende duidelijk waarom het transformatorhuisje niet vergunningplichtig is en waarom er dus geen sprake is van een overtreding waar handhavend tegen opgetreden kan worden. Ook voert verzoeker nog aan dat het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek bevat omdat het besluit niet kenbaar namens het college is genomen. Zoals de voorzieningenrechter ook al eerder heeft overwogen, kan dat gebrek eventueel worden hersteld in de beslissing op bezwaar. [3] Verzoeker wijst er verder nog op dat het college onvoldoende invulling heeft gegeven aan de beginselplicht tot handhaving en dat zijn belangen niet voldoende zijn meegewogen, maar het college kan alleen handhavend optreden als sprake is van een overtreding. Zoals onder 2 is overwogen, is daar in dit geval geen sprake van. Het college moet het handhavingsverzoek dan afwijzen. Aan een belangenafweging komt het college dan niet meer toe.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.
3.1.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Rb. Gelderland (vzr.) 5 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1714, r.o. 3.8.
3.Rb. Gelderland (vzr.) 5 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1714, r.o. 3.6.