Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2622

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 3404
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terugwerkende kracht bijstand wegens zelfstandigheid en ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiser, voormalig zelfstandige met een Grillroom/Pizzeria, vroeg bijstand met terugwerkende kracht aan vanaf 8 september 2022. De gemeente kende bijstand toe vanaf 29 augustus 2023, de datum van de aanvraag. Na bezwaar werd toegezegd de periode van 8 september 2022 tot 15 februari 2023 opnieuw te beoordelen vanwege bijzondere omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat eiser tot 7 juli 2023 zelfstandige was en daarom geen recht had op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) in die periode. Voor de periode daarna tot 29 augustus 2023 zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond die terugwerkende kracht rechtvaardigen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij niet in staat was eerder bijstand aan te vragen.

Het college heeft onderzocht of eiser recht had op een Bbz-uitkering, maar kon dit niet vaststellen wegens ontbrekende bedrijfsgegevens. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het college gehouden was dit nader te onderzoeken.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt het griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot bijstand vanaf 29 augustus 2023 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3404

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats] (postadres), eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde, het college

(gemachtigde: Y. Rakhorst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) aan eiser. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn bijstand. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 11 oktober 2023 toegewezen en aan eiser met ingang van 29 augustus 2023 bijstand toegekend. Met het bestreden besluit van 1 mei 2024 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en is toegezegd dat eisers recht op een uitkering over de periode 8 september 2022 tot en met 15 februari 2023 opnieuw dient te worden beoordeeld.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de gemachtigde van het UWV en een tolk ([persoon A]).

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser had een eenmanszaak (Grillroom/Pizzeria). Op 8 september 2022 heeft eiser zich gemeld bij het WMO-loket (Wet maatschappelijke ondersteuning) van de gemeente voor begeleiding en eind 2022 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek is eiser aangemeld bij de afdeling Schuldhulpverlening van de gemeente en heeft eiser thuisbegeleiding gekregen. Ook is er een aanvraag voor begeleiding bij Helder Zorg gedaan. Omdat eiser een eigen bedrijf had, is hij bovendien doorverwezen naar het team Ondernemers & Geldzaken (O&G) van het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ) in Zwolle.
3.1.
Eiser heeft op 16 februari 2023 een gesprek gehad met het RBZ. Eiser heeft op 7 juli 2023 zijn Grillroom/Pizzeria verkocht aan zijn zus en op 18 juli 2023 is deze onderneming overgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Eiser heeft zich bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als koerier.
3.2.
Eiser heeft op 29 augustus 2023 bijstand aangevraagd bij het college. In het pre-mediationgesprek van 2 november 2023 heeft eiser verzocht de bijstand toe te kennen vanaf 14 september 2022, althans vanaf de datum waarop hij zich voor het eerst heeft gemeld bij het WMO-loket.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Bij het besluit van 11 oktober 2023 is, voor zover relevant, aan eiser bijstand toegekend met ingang van 29 augustus 2023. Dit is de datum waarop eiser zich heeft gemeld voor bijstand.
4.1.
Met het besluit van 1 mei 2024 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het besluit van 11 oktober 2023 is herzien. Eisers recht op een uitkering over de periode 8 september 2022 tot en met 15 februari 2023 dient opnieuw beoordeeld te worden. Het RBZ neemt hiervoor contact met eiser op. Aan het besluit ligt een advies van de commissie bezwaarschriften (de commissie) ten grondslag van 19 februari 2024. Het college heeft het advies van de commissie integraal overgenomen.
De commissie overweegt dat er bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen. Bezwaarde heeft zich al in september 2022 bij het college gemeld. Pas eind 2022 heeft hij een eerste gesprek gehad over zijn melding, waarin hij verzoekt om begeleiding wegens psychische problemen. Het heeft tot 16 februari 2023 geduurd voordat bezwaarde van het RBZ het advies kreeg om zijn bedrijf te stoppen en een bijstandsuitkering aan te vragen. Het contact met de afdeling Schuldhulpverlening en het RBZ verliep moeilijk en dit kwam door omstandigheden van beide kanten. Dit was de eerste casus betreffende een zelfstandige bij het college, wat wellicht mede tot gevolg heeft gehad dat bezwaarde lang heef moeten wachten voordat hem het advies van 16 februari 2023 is gegeven. De commissie is van oordeel dat het college gehouden was bezwaarde onder zijn omstandigheden naar het juiste loket te leiden. Vanwege de hoge schuldenlast van bezwaarde, die gelet op de inhoud van het procesdossier al eerder bij het college bekend was, en bij een spoedige opvolging van de melding nog eerder bekend had kunnen zijn, had het college bezwaarde eerder het advies moeten geven zich te melden om bijstand aan te vragen. Eiser kan daarom niet worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dat is echter wél het geval vanaf 16 februari 2023. Toen was het de eigen verantwoordelijkheid van bezwaarde om het advies al dan niet op te volgen.
De commissie begrijpt uit een brief van de huisarts met welke brede problematiek bezwaarde te kampen heeft. In dat licht mag bezwaarde niet worden tegengeworpen dat het claimen van een andere gemeentelijke voorziening niet de (enige) juiste weg was. Bezwaarde heeft aannemelijk gemaakt dat de te late bijstandsaanvraag voor hem grote gevolgen heeft. Hij heeft een grote huurachterstand opgebouwd en er hangt hem een ontruimingsprocedure boven het hoofd.
Het voorgaande rechtvaardigt een eerdere ingangsdatum van de bijstand vanaf 8 september 2022, zijnde de datum dat eiser zich heeft gemeld bij het WMO-loket. Op 16 februari 2023 heeft eiser het advies gekregen van het RBZ om te stoppen met zijn bedrijf en bijstand aan te vragen. Vanaf dat moment heeft eiser het aan zichzelf te wijten dat hij zich pas op 29 augustus 2023 heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4.2.
Met de brief van 3 februari 2026 heeft de rechtbank aan het college gevraagd of het college met het besluit van 1 mei 2024 heeft beoogd om aan eiser bijstand toe te kennen en, zo ja, vanaf welke datum, of het RBZ inmiddels contact met eiser heeft opgenomen en wat het resultaat daarvan is en, voor zover is besloten om aan eiser met ingang van 16 februari 2023 geen bijstand toe te kennen, op welke grondslag dit is gebaseerd. Het college heeft hierop met de brief van 11 februari 2026 geantwoord dat aan eiser met ingang van 29 augustus 2023 bijstand is toegekend. Eiser heeft de gevraagde gegevens niet aangeleverd bij het RBZ. Daarom heeft het RBZ niet kunnen beoordelen of eiser met terugwerkende kracht aanspraak heeft op bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).
4.3.
Bij de brief van het college van 11 februari 2026 is een rapport gevoegd van 15 juli 2025. De rechtbank begrijpt dat dit rapport is opgesteld door het RBZ in verband met de beoordeling of eiser met terugwerkende kracht aanspraak zou kunnen hebben op bijstand op grond van het Bbz. Uit dit rapport en uit de mail van team O&G van het RBZ van 1 augustus 2024 volgt dat het college niet langer er vanuit gaat dat eiser op 16 februari 2023 van het RBZ het advies heeft gekregen om zijn bedrijf te stoppen en bijstand aan te vragen, omdat het ging om een verkennend gesprek. Het RBZ kon een dergelijk advies nog niet geven, omdat er eerst onderzoek moest worden gedaan. Uit pagina 4 van het rapport blijkt dat het college de periode waarover het RBZ moet onderzoeken of eiser recht heeft op bijstand op grond van het Bbz, heeft verruimd naar de periode van 8 september 2022 tot 7 juli 2023, zijnde de datum waarop eiser zijn bedrijf heeft verkocht aan zijn zus. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld wegens het ontbreken van bedrijfsgegevens. Er is geen inzage in de bedrijfsresultaten over de jaren 2022 en 2023. Het onderzoek is gesloten, maar de zaak kan worden heropend zodra de stukken alsnog worden ontvangen.
Is sprake van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen?
5. Eiser heeft op 29 augustus 2023 een aanvraag voor bijstand op grond van de Pw gedaan. De bijstand is toegekend met ingang van 29 augustus 2023. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bijstand op grond van de Pw met terugwerkende kracht moet worden toegekend vanaf 8 september 2022.
De periode van 8 september 2022 tot 7 juli 2023
5.1.
Uit het rapport van het RBZ van 15 juli 2025 (pagina 3 onderaan) begrijpt de rechtbank dat het RBZ van oordeel is dat eiser tot 7 juli 2023 voldeed aan de criteria in het Bbz om als zelfstandige te worden aangemerkt, en dat eiser tot 7 juli 2023 dus tot de doelgroep van het Bbz behoorde. Dit oordeel van het RBZ is niet door partijen ter discussie gesteld, en de rechtbank ziet voorshands geen reden om dit oordeel van het RBZ onjuist te achten. Dat betekent dat eiser tot in elk geval 7 juli 2023 geen recht kon hebben op bijstand op grond van de Pw, en dat toekenning van bijstand op grond van de Pw met terugwerkende kracht dus niet mogelijk is over de periode van 8 september 2022 tot 7 juli 2023.
De periode van 7 juli 2023 tot 29 augustus 2023
5.2.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw wordt bijstand toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. [1] Het is aan de betrokkene als aanvrager om het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.
5.3.
Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat hij, op het moment dat hij aanklopte bij het WMO-loket op 8 september 2022 en in de periode daarna, kwetsbaar was. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond op die manier, dat eiser niet in staat was om eerder dan 29 augustus 2023 bijstand aan te vragen.
De beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Eiser heeft niet, met bijvoorbeeld een medische rapportage, onderbouwd dat hij in de periode van 7 juli 2023 tot 29 augustus 2023 niet in staat was om bijstand aan te vragen. De enkele stelling dat hij daartoe niet in staat was, is onvoldoende.
De rechtbank merkt nog op dat uit de brief van de psychiater aan de huisarts van eiser van 6 oktober 2022 (stuk 41 van het college) niet volgt dat eiser niet in staat was om bijstand op grond van de Pw aan te vragen. Bovendien dateert deze brief van 9 maanden vóór de datum 7 juli 2023, en kan ook om die reden geen betekenis aan deze brief worden toegekend.
In het dossier is ook geen andere informatie opgenomen, die erop duidt dat eiser in de periode van 7 juli 2023 tot 29 augustus 2023 niet in staat was om bijstand aan te vragen. In dit verband merkt de rechtbank op dat eiser de Grillroom/Pizzeria op 7 juli 2023 aan zijn zus heeft overgedragen en dat hij die wijziging op 18 juli 2023 aan de Kamer van Koophandel heeft doorgegeven.
5.4.
In het dossier is een ongedateerd Plan van Aanpak schulddienstverlening aanwezig. In dit stuk wordt geadviseerd om te stoppen met ondernemen, bijstand op grond van de Pw aan te vragen, en een schuldhulpverleningstraject voor particulieren aan te vragen. Uit de mail van team O&G van 1 augustus 2024 blijkt dat het Plan van aanpak op 1 augustus 2023 aan eiser is gestuurd.
Omdat het advies om bijstand op grond van de Pw aan te vragen ongeveer 3 weken na 7 juli 2023 is gegeven, en er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat het college op de een of andere wijze in de periode van 7 juli 2023 tot 29 augustus 2023 eiser onjuiste informatie heeft verstrekt over het aanvragen van bijstand of anderszins op het verkeerde been heeft gezet, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
Heeft eiser recht op een Bbz-uitkering?
6. Eiser heeft gesteld dat het college gehouden was te onderzoeken of hij met terugwerkende kracht recht had op een Bbz-uitkering. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Eiser heeft op 29 augustus 2023 verzocht om bijstand op grond de Pw. Sinds 7 juli 2023, en dus ook op het moment van de aanvraag, was eiser geen zelfstandige meer. Naar het oordeel van de rechtbank was het college reeds daarom niet gehouden om te onderzoeken of eiser over een periode in het verleden wellicht recht zou hebben op een Bbz-uitkering.
6.1.
Overigens merkt de rechtbank op dat uit het rapport van het RBZ van 15 juli 2025 blijkt dat het college wel heeft onderzocht of eiser in de periode van 8 september 2022 tot 7 juli 2023 recht had op een Bbz-uitkering, maar dat het recht op bijstand over die periode niet kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van bedrijfsgegevens.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De griffier is buiten staat om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:172.