Appellante, werkzaam als sekswerker via de 'opting-in regeling', kon vanwege coronamaatregelen vanaf medio maart 2020 haar werkzaamheden niet voortzetten. Zij vroeg bijstand aan met ingang van 16 maart 2020, maar het college kende deze toe vanaf de datum van aanvraag op 14 mei 2020. Het college vond geen bijzondere omstandigheden voor een eerdere ingangsdatum.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het gelijkheidsbeginsel haar recht gaf op terugwerkende kracht, verwijzend naar andere regelingen zoals de Tozo en een beschikking van Rotterdam. De Raad oordeelde echter dat deze regelingen pas later bestonden en dat de Participatiewet al van kracht was bij de invoering van de coronamaatregelen.
De Raad benadrukte dat terugwerkende kracht alleen kan worden toegekend bij bijzondere omstandigheden, die appellante niet aannemelijk had gemaakt. Onbekendheid met regelgeving en het feit dat een collega in een andere gemeente wel terugwerkende kracht kreeg, rechtvaardigen geen afwijking. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.