Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2624

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
AWB 24_8373
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet OB 1968Art. 132 BTW-richtlijnArt. 44 BTW-uitvoeringsverordeningArt. 8 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onderwijsvrijstelling omzetbelasting voor typevaardigheidscursussen aan basisschoolleerlingen

Belanghebbende verzorgt online typevaardigheidscursussen voor basisschoolleerlingen en voerde beroep op de onderwijsvrijstelling omzetbelasting. De inspecteur legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op en wees de bezwaren af. De rechtbank beoordeelde of de cursussen kwalificeren als vrijgesteld onderwijs volgens de Wet OB 1968 en de BTW-richtlijn.

De rechtbank stelde vast dat de cursussen geen onderdeel uitmaken van het reguliere onderwijs en niet als beroepsopleiding kunnen worden aangemerkt. Er is geen rechtstreeks verband met een vak of beroep, vooral omdat basisschoolleerlingen doorgaans nog geen beroepskeuze hebben gemaakt. Ook het beroep op het gelijkheids- en neutraliteitsbeginsel faalde, omdat typevaardigheidscursussen wezenlijk verschillen van automatiseringscursussen die wel als beroepsopleiding gelden.

Het beroep op rechtstreekse toepassing van de BTW-richtlijn werd verworpen omdat ook de BTW-uitvoeringsverordening en nationale regelgeving relevant zijn. De rechtbank kende een vergoeding toe voor overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de inspecteur tot betaling van immateriële schade en proceskosten. De naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen blijven gehandhaafd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de typevaardigheidscursussen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/8373, 24/8374, 24/8375, 24/8376, 24/8377, 24/8378, 24/8379, 24/8380 en 24/8381
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 8 april 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., [onderdeel van belanghebbende] B.V., c.s., uit [plaats], belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 oktober 2024 en van 1 november 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de hierna genoemde jaren naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd:
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen OB heeft de inspecteur aan belanghebbende de hierboven vermelde bedragen aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslagen en tegen de voldoeningen op aangiften over de onderstaande tijdvakken:
De inspecteur heeft alle bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen OB en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd en heeft beslist dat belanghebbende geen recht heeft op een teruggaaf.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [persoon A], [persoon B], [persoon C], en haar gemachtigde, alsmede [persoon D] (onderwijsdeskundige). Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon E], [persoon F] en [persoon G].

Feiten

1. Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de OB. Onderdeel van die fiscale eenheid is [onderdeel van belanghebbende] B.V. ([onderdeel van belanghebbende]).
2. [onderdeel van belanghebbende] is ingeschreven in het Centraal Register Kort Beroepsonderwijs (CRKBO). Zij biedt online typevaardigheidscursussen aan (met name) basisschoolleerlingen aan middels het product ‘[naam product]’.
3. Belanghebbende heeft op 11 en 12 november 2021 suppletie-aangiften OB gedaan over de tijdvakken 2016, 2019 en 2020. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur voor die jaren naheffingsaanslagen OB aan belanghebbende opgelegd, naar de in de inleiding genoemde bedragen. Belanghebbende heeft bij brieven ontvangen door de inspecteur op
29 december 2021 en 31 januari 2022 bezwaar gemaakt tegen die aanslagen.
4. Over de tijdvakken vierde kwartaal 2022, eerste, tweede en vierde kwartaal 2023, alsmede het eerste en het tweede kwartaal 2024, heeft belanghebbende aangiften OB gedaan naar de eveneens in de inleiding genoemde bedragen. Tegen de voldoeningen op die aangiften heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.
5. De inspecteur heeft bij brief van 22 augustus 2024 voor alle in geschil zijnde tijdvakken een voornemen tot het doen van uitspraak op bezwaar aan belanghebbende gezonden. De conclusie van de inspecteur als verwoord in die brief luidt als volgt:
“(…)
Op basis van bovenstaande ben ik voornemend om niet tegenmoet te komen aan uw bezwaarschriften. Belanghebbende kan voor de typevaardigheidscursussen aan de basisschoolleerlingen de vrijstelling niet toepassen. Typevaardigheid maakt geen deel uit van het reguliere onderwijs en kan ook niet als algemeen vormend onderwijs worden aangemerkt. Ook is, behoudens specifieke gevallen, geen sprake van een beroepsopleiding. Ik baseer mij hierbij op het standpunt van de Kennisgroep Overheid, Vrijstellingen en Internationaal, welke als bijlage is bijgevoegd.
(…)”

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op toepassing van de onderwijsvrijstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB 1968) en als bedoeld in artikel 132, eerste lid, aanhef en onderdeel i van de BTW-richtlijn [1] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende haar beroepsgrond met betrekking tot het verstrekken van licenties ingetrokken.
7. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de gegeven online typevaardigheidscursussen zijn vrijgesteld van omzetbelasting aangezien deze kwalificeren als
onderwijs, zoals die term in het normale spraakgebruik dient te worden opgevat. De essentie van onderwijs is de overdracht van kennis en bekwaamheden, en daaraan is bij het leren blind typen voldaan, aldus belanghebbende. Het primaire doel van de cursus is volgens belanghebbende goed voorbereid zijn op de toekomstige werkkring. Ondanks dat nog niet vaststaat welk beroep een kind later zal uitoefenen, bezit een kind dat blind kan typen wel een voorsprong in de latere werksfeer. Zij wijst erop dat de cursussen zijn te rangschikken onder de definitie van beroepsopleidingen zoals omschreven in artikel 44 van Pro de BTW uitvoeringsverordening [2] en in het Onderwijsbesluit [3] . Belanghebbende beroept zich verder op het gelijkheidsbeginsel en/of het neutraliteitsbeginsel, aangezien een automatiseringscursus volgens het Onderwijsbesluit wel als een beroepsopleiding kwalificeert. Subsidiair beroept belanghebbende zich op rechtstreekse toepassing van artikel 132, eerste lid, onderdeel i, van de BTW-richtlijn.
8. De inspecteur is van mening dat belanghebbende juist heeft gehandeld door omzetbelasting naar het algemene tarief te berekenen over de gegeven typevaardigheidscursussen. Dit omdat:
  • de door belanghebbende gegeven typevaardigheidscursussen aan basisschoolleerlingen niet kwalificeren als vrijgesteld basisonderwijs, omdat deze cursussen geen deel uitmaken van het reguliere onderwijsprogramma;
  • het geven van de typevaardigheidscursussen aan volwassenen niet in algemene zin kwalificeert als (vrijgestelde) beroepsopleiding.
De inspecteur is verder van mening dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het gelijkheidsbeginsel of neutraliteitsbeginsel is geschonden. Net als het hebben van bijvoorbeeld een rijbewijs is het hebben van een typevaardigheidsdiploma weliswaar handig, maar is het zelden een vereiste op de arbeidsmarkt. Dit in tegenstelling tot het volgen van een automatiseringscursus, waarbij het kunnen werken met bepaalde programma’s regelmatig als vereiste wordt gesteld voor bepaalde functies, aldus de inspecteur. Er is dus geen sprake van een soortgelijke dienst of een gelijk geval. Ten slotte is de inspecteur van mening dat [naam product] voor volwassenen, gelet op de eigen website, in beginsel is gericht op de ouders van kinderen die deelnemen. Dit valt in zijn algemeenheid niet aan te merken als een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 44 van Pro de BTW-uitvoeringsverordening in samenhang gelezen met artikel 132, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de BTW-richtlijn.
Wettelijk kader
9. Artikel 132, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de BTW-richtlijn luidt als volgt:
“De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
(…)
i) onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend;”
10. Artikel 44 van Pro de BTW-uitvoeringsverordening luidt als volgt:
“De onder de voorwaarden van artikel 132, lid 1, onder i), van Richtlijn 2006/112/EG verrichte diensten inzake beroepsopleiding of -herscholing omvatten onderwijs dat rechtstreeks verband houdt met een vak of een beroep, en onderwijs met het oog op het voor beroepsdoeleinden verwerven of op peil houden van kennis. De duur van een opleiding of herscholing is hierbij van geen belang.”
11. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, van de Wet OB 1968 luidt als volgt:
“Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:
(…)
het verzorgen van:

.onderwijs, met inbegrip van de diensten en leveringen die daarmee nauw samenhangen, door daartoe bestemde scholen en instellingen, als is omschreven bij of krachtens de wetten tot regeling van het onderwijs dat krachtens wettelijk voorschrift is onderworpen aan het toezicht door de Inspectie van het onderwijs of aan een ander toezicht door de minister die met de zorg voor het desbetreffende onderwijs is belast;
2°. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwijs, met inbegrip van de diensten en leveringen die daarmee nauw samenhangen, waarbij kan worden bepaald, dat de vrijstelling slechts toepassing vindt ten aanzien van ondernemers die met dat onderwijs geen winst beogen;”
12. Artikel 8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (besluittekst 2025) luidt als volgt:
“Als onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 2°, van de wet, wordt aangewezen:
a. beroepsopleidingen verzorgd door:
1°. instellingen die opgenomen zijn in het Instellingenregister Beroepsonderwijs;
2°. natuurlijke personen die opgenomen zijn in het Docentenregister Beroepsonderwijs voor zover het betreft het verzorgen van beroepsopleidingen die niet worden uitgevoerd als instelling als bedoeld onder 1o, of
3°. de uit de openbare kassen bekostigde instellingen, genoemd in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of bedoeld bij de Wet educatie en beroepsonderwijs;
b. algemeen vormend onderwijs, ontleend aan het uit de openbare kassen bekostigde onderwijs dat is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, 1°, van de wet, met uitzondering van het onderwijs dat een vrijetijds-karakter heeft dan wel dient om vaardigheden in de persoonlijke levenssfeer te verwerven;
c. onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming, aan personen jonger dan 21 jaar;
d. bijlessen en tentamen- of examentrainingen die worden verstrekt in het kader van het onderwijs als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet.”
De geciteerde tekst is ongewijzigd gebleven in de periode 2016 tot en met heden.
13. Paragraaf 4.2 van het Onderwijsbesluit van 21 januari 2025 luidt als volgt:

“4.2. Reikwijdte van het begrip ‘beroepsopleidingen’

Een beroepsopleiding is iedere onderwijsvorm die opleidt voor een specifiek beroep of vak of voor een specifieke betrekking dan wel die een bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep, vak of betrekking uit te oefenen, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van leerlingen of studenten. Verder valt onder het begrip ‘beroepsopleiding’ onderwijs dat rechtstreeks verband houdt met een vak of een beroep en onderwijs met het oog op het voor beroepsdoeleinden verwerven of op peil houden van kennis. De duur van de opleiding of herscholing is niet van belang.
Naast specifieke beroepsopleidingen en herscholing vallen ook cursussen die zijn gericht op het functioneren van personen in een (toekomstige) werkkring onder het begrip beroepsopleiding. Het gaat dan bijvoorbeeld om management-, automatiserings-, sollicitatie- en ondernemingsraadcursussen.
Onderwijs dat zich primair richt op het bijbrengen en ontwikkelen van vaardigheden in de persoonlijke levenssfeer (bijvoorbeeld lessen voor EHBO of voor het rijbewijs B) valt niet onder het begrip beroepsopleiding. Als sprake is van rij-onderwijs ter verkrijging van het rijbewijs C of D (vrachtwagen c.q. bus) is veelal wel sprake van een beroepsopleiding. Ook hobbycursussen zijn niet aan te merken als beroepsopleidingen.”
De geciteerde tekst is ongewijzigd ten opzichte van de tekst van het Onderwijsbesluit van
30 juli 2014 [4] .
Geen wettelijk geregeld onderwijs.
14. Ter zitting heeft belanghebbende bevestigd dat de onderwijsvrijstelling voor wettelijk geregeld onderwijs [5] niet van toepassing is. Belanghebbende is geen publiekrechtelijk lichaam, en is ook niet met betrekking tot het basisschoolonderwijs als onderwijsinstelling erkend. [6]
15. Belanghebbende heeft verder bevestigd dat de door haar gegeven typevaardigheidscursussen geen onderdeel uitmaken van het reguliere lesprogramma van scholen die primair of ander wettelijk geregeld onderwijs verzorgen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft typevaardigheid niet aangewezen als kerndoel van het basisonderwijs of van het voortgezet onderwijs waar het reguliere onderwijs aandacht aan dient te besteden.
Is een typecursus een vrijgestelde beroepsopleiding?
16. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat een typevaardigheidscursus niet in algemene zin kan worden aangemerkt als een vrijgestelde beroepsopleiding als bedoeld in het Onderwijsbesluit. Anders dan belanghebbende meent, is van een verband met een vak of beroep, laat staan van een rechtstreeks verband met dat vak of beroep, zoals bepaald in de eerste alinea van paragraaf 4.2. van het Onderwijsbesluit, geen sprake. In algemene zin kan ook niet worden gesteld dat deze cursussen zijn gericht op het functioneren in een (toekomstige) werkkring, zoals bedoeld in de tweede alinea van paragraaf 4.2. van het Onderwijsbesluit. Kunnen typen is veeleer een basisvaardigheid die nuttig en bruikbaar is voor iedereen die een computer of een soortgelijk apparaat gebruikt. Het voorgaande geldt temeer voor basisschoolleerlingen, omdat het hierbij gaat om (jonge) kinderen die meestal nog geen beroepskeuze hebben gemaakt. Er is een te gering verband tussen de met de typecursus opgedane vaardigheden en het toekomstige vak of beroep van de basisschoolleerling. Bij het voorgaande merkt de rechtbank op dat het van algemene bekendheid is dat computers en dergelijke niet alleen worden gebruikt in verband met werk of beroep, maar zeker ook voor privédoeleinden. Voor scholieren heeft daarbij tevens te gelden dat de typevaardigheden ook gebruikt kunnen en zullen worden tijdens de schoolloopbaan, bijvoorbeeld voor het maken van werkstukken.
17. Voor zover de typevaardigheidscursussen niet worden gevolgd door basisschoolleerlingen, maar door volwassenen, is de rechtbank van oordeel dat het rechtstreekse verband alleen dan aanwezig is wanneer de typecursus wordt gevolgd in het kader van een opleiding voor een specifiek vak of beroep, dan wel met het oog op het functioneren in een (toekomstige) werkkring. Belanghebbende zal dit van geval tot geval moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken. Dat heeft zij in deze procedure niet gedaan. De rechtbank merkt in dit kader op dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat [naam product] voor volwassenen in beginsel is gericht op ouders van kinderen die deelnemen.
Is het gelijkheids- of neutraliteitsbeginsel geschonden?
18. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2023 [7] het toetsingskader geformuleerd voor de beoordeling van een beroep op het neutraliteitsbeginsel, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU). Volgens het neutraliteitsbeginsel mogen soortgelijke goederen, die dus met elkaar concurreren, voor de heffing van omzetbelasting niet verschillend worden behandeld. Of goederen soortgelijk zijn, moet worden beoordeeld uit het oogpunt van de gemiddelde consument. Goederen zijn soortgelijk (i) wanneer zij overeenkomstige eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen, waarbij het vergelijkbare gebruik de maatstaf is, en bovendien (ii) wanneer de verschillen die zij vertonen, de beslissing van de gemiddelde consument om het ene of het andere goed af te nemen niet aanmerkelijk beïnvloeden. Het gaat dus erom te beoordelen of de desbetreffende onderscheiden categorieën goederen uit het oogpunt van de gemiddelde consument uitwisselbaar zijn. Als zij overigens uitwisselbaar zijn, kan de toepassing van verschillende btw-tarieven immers van invloed zijn op de keuze van de consument, hetgeen een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit zou opleveren.
19. Naar het oordeel van de rechtbank geldt hetgeen hiervoor is overwogen niet alleen voor goederen, maar ook voor diensten. Het beroep van belanghebbende op het neutraliteitsbeginsel faalt, omdat in dit geval geen sprake is van soortgelijke diensten. De door belanghebbende genoemde automatiseringscursus is iets wezenlijk anders dan een typcursus, omdat snel en blind kunnen typen een hele andere vaardigheid is dan het goed kunnen omgaan met een bepaald softwareprogramma. De cursussen zijn dus niet uitwisselbaar. Bovendien is een belangrijk verschil dat een automatiseringscursus in zijn algemeenheid wel een rechtstreeks verband houdt met het (beoogde) vak of beroep van de cursist, in die zin dat het gevolgd hebben van een automatiseringscursus een vereiste kan zijn voor een bepaalde baan. Dat geldt in veel mindere mate voor het gevolgd hebben van een typecursus. Daar komt bij dat dergelijke automatiseringscursussen in hun algemeenheid niet aan basisschoolleerlingen worden aangeboden. Het gaat dus niet om uitwisselbare prestaties. Daarmee zijn die prestaties niet aan te merken als soortgelijke diensten.
Slaagt het beroep van belanghebbende op rechtstreekse toepassing van de BTW-richtlijn?
20. Over de stelling van belanghebbende dat de term onderwijs naar het normale spraakgebruik moet worden uitgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. De term ‘onderwijs’ als bedoeld in artikel 132, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de BTW-richtlijn heeft op grond van vaste jurisprudentie van het HvJ EU [8] te gelden als een zogenoemd ‘autonoom begrip’. Hiermee beoogt het HvJ EU te voorkomen dat de in artikel 132 van Pro de BTW-richtlijn opgenomen vrijstellingen door de diverse lidstaten uiteenlopend worden geïnterpreteerd. In zoverre faalt het betoog van belanghebbende dan ook dat de term ‘onderwijs’ dient te worden opgevat overeenkomstig het normale spraakgebruik.
21. Het beroep van belanghebbende op rechtstreekse toepassing van artikel 132, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de BTW-richtlijn kan haar ook niet baten. Belanghebbende miskent dat behalve genoemde bepaling uit de BTW-richtlijn, de bepalingen uit de BTW-uitvoeringsverordening van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of de onderwijsvrijstelling van toepassing is. In artikel 44 van Pro de BTW-uitvoeringsverordening is nadere invulling gegeven aan de reikwijdte van de onderwijsvrijstelling. Het dient te gaan om
onderwijs dat rechtstreeks verband houdt met een vak of een beroep, en onderwijs met het oog op het voor beroepsdoeleinden verwerven of op peil houden van kennis. Woorden van gelijke strekking staan ook in de nationale wet- en regelgeving. Die nationale wet- en regelgeving is dus in lijn met de bepalingen uit de BTW-richtlijn en de daarop gebaseerde BTW-uitvoeringsverordening. De inschrijving in het CRKBO is hierbij niet leidend. Daarmee faalt het beroep van belanghebbende op rechtstreekse toepassing van de BTW-richtlijn.
Belastingrente
22. Het beroep inzake de naheffingsaanslagen OB wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikkingen. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade en wettelijke rente.
23. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft zij verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van die schadevergoeding, en om vergoeding van wettelijke rente over een toe te kennen proceskostenvergoeding.
24. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 [9] . Aangezien de zaken waarop deze uitspraak ziet in de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld, zal de rechtbank éénmaal een vergoeding toekennen voor de overschrijding van de redelijke termijn in alle zaken, waarbij zij voor de berekening van de hoogte van die vergoeding uitgaat van de datum van ontvangst door de inspecteur van het eerst ingediende bezwaarschrift. [10]
25. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
26. De inspecteur heeft het eerst ingediende bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 29 december 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 28 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 28 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vijf keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.500 (vijf keer een half jaar ad € 500). De laatste uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 1 november 2024. De periode gelegen tussen 29 december 2021 en 1 november 2024 is (afgerond) 28 maanden langer dan zes maanden. De gehele overschrijding van de redelijke termijn is dus ontstaan in de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om de schadevergoeding aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.

Conclusie en gevolgen

27. De beroepen zijn ongegrond. De naheffingsaanslagen OB en de belastingrentebeschikkingen houden dus stand. De bezwaren van belanghebbende tegen haar voldoeningen op aangiften zijn terecht afgewezen.
28. Omdat de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25) [11] . Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om de vergoeding aan belanghebbende te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.
29. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoed krijgt, omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan na 31 mei 2024 [12] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.500, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. F.M. Smit en
mr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 8 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over toegevoegde waarde,
2.Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,
3.Besluit van 21 januari 2025, nr. 2024-25032,
4.nr. BLKB/2014/125M,
5.Artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel o, 1º en 2º van de Wet OB in samenhang met artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
6.Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2232.
7.Hoge Raad 8 september 2023, ELCI:NL:HR:2023:1124.
8.Vergelijk HvJ EU 21 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:95 (Mesto vs. Zamberk), r.o. 17. en de in die overweging aangehaalde jurisprudentie van het HvJ EU.
10.Vergelijk 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en Hoge Raad.
11.Vergelijk Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
12.Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.