Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2634

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
AWB 23/1537, 23/1539, 23/1540, 26/1542, 26/1543, 26/1544 en 26/1545
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUBesluit proceskosten bestuursrechtRegeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen BPM-aangiften en toepassing WLTP/NEDC2-methode

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur inzake de belasting van personenauto’s en motorvoertuigen (BPM) voor zeven auto’s. De kern van het geschil betreft de vraag of de BPM te hoog is vastgesteld door toepassing van de WLTP/NEDC2-methode, die leidt tot een hogere CO2-uitstoot en daarmee een hogere belasting.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast om aan te tonen dat de hogere uitstoot uitsluitend het gevolg is van de gewijzigde meetmethode. De verschillen in technische specificaties en typegoedkeuringen maken de vergelijkingsauto’s niet gelijksoortig. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.

Wel wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De overschrijding bedraagt circa 62 maanden, waarvoor een forfaitaire vergoeding van € 5.500 wordt vastgesteld, waarvan de inspecteur en de Staat ieder een deel betalen. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten deels vergoed. De beroepen worden inhoudelijk ongegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

Uitkomst: De beroepen tegen de BPM-aangiften worden ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/1538, 23/1539, 23/1540, 26/1542, 26/1543, 26/1544 en 26/1545

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 april 2026

in de zaken tussen
[belanghebbende], h.o.d.n. [naam bedrijf], uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, CAP, de inspecteur,

en
de minister van Justitie en Veiligheid van de Staat der Nederlanden, te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 december 2022.
Belanghebbende heeft voor zeven auto’s aangiften voor belasting van personenauto’s en motorvoertuigen (BPM) ingediend. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Belanghebbende heeft voor onderstaande auto’s een aangifte BPM ingediend.
Merk/ type
Kenteken
Datum 1e toelating
Aangifte
datum
Bedrag
Bpm
Betaaldatum
Auto 1
Ford Grand C-max
[kentekennummer 1]
15-5-2018
29-1-2019
€ 2.952
4-2-2019
Auto 2
Ford C-Max
[kentekennummer 2]
15-5-2018
12-2-2019
€ 1.804
13-2-2019
Auto 3
Ford C-Max
[kentekennummer 3]
15-5-2018
12-2-2019
€ 1.823
14-2-2019
Auto 4
Ford Kuga
[kentekennummer 4]
8-8-2018
30-4-2019
€ 5.381
1-5-2019
Auto 5
Ford C-max
[kentekennummer 5]
18-9-2018
30-4-2019
€ 1.957
2-5-2019
Auto 6
Ford C-max
[kentekennummer 6]
15-5-2018
30-4-2019
€ 1.834
2-5-2019
Auto 7
Ford Kuga
[kentekennummer 7]
20-7-2018
1-5-2019
€ 5.311
2-5-2019
2. Met dagtekening 4 februari 2019, 25 februari 2019 en 6 mei 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte.
3. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. Door toepassing van een extra leeftijdskorting voor zes voertuigen is het totaalbedrag aan BPM met een bedrag van € 2.249 verminderd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de verschuldigde BPM te hoog is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of bij de berekening van de verschuldigde BPM is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot vanwege de toepassing van de WLTP/NEDC2-methode.
5. Ter zitting heeft de gemachtigde de grond met betrekking tot het schenden van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel met betrekking tot de invoering van de WLTP-NEDC2-methode ingetrokken.
WLTP/NEDC2
6. Belanghebbende stelt dat de auto’s door de invoering van de WLTP/NEDC2-methode een hogere uitstoot hebben gekregen en daardoor zwaarder belast worden dan wanneer deze auto’s getest worden overeenkomstig de NEDC1-methode. Dit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). In het arrest van 24 april 2024 heeft de Hoge Raad [1] volgens belanghebbende een toetsingskader gegeven met een temporele beperking tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Hij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025 [2] ter onderbouwing van zijn standpunt dat de voornoemde temporele beperking is toegespitst op zaak waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen hierover heeft beantwoord.
7. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto’s op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving geregistreerd. Uit de door belanghebbende overgelegde technische gegevens blijkt volgens de inspecteur dat de EG-typegoedkeuring van de importauto’s afwijkt van de EG-typegoedkeuring van de referentieauto’s. De referentieauto’s zijn dan ook niet als gelijksoortig aan te merken. Verder is op basis van de overige verschillen tussen de onderhavige auto’s en de referentievoertuigen ook geen sprake van gelijksoortigheid.
8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2024 [3] een feitelijke toelichting gegeven op de Europees- en nationaalrechtelijke aspecten van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in de in dat arrest bedoelde zin in nieuwe staat is geregistreerd.
9. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Uit de door belanghebbende overgelegde excelsheets volgt dat voor auto’s 1 tot en met 3 onder andere de technische maximum massa, de variantcode, de uitvoeringscode en de motorcode afwijkt naast het afwijkende EU-typegoedkeuringsnummer. De door belanghebbende aangevoerde vergelijkingsauto’s kwalificeren dus niet als gelijksoortig. Voor auto’s 4 tot en met 7 geldt dat uit de overgelegde excelsheets volgt dat deze vier auto’s niet alleen een hogere uitstoot hebben op grond van de WLTP-meetmethode, maar ook op grond van de NEDC-meetmethode. [4] Het is dus bij alle auto’s niet aannemelijk dat de hogere uitstoot uitsluitend komt door de gewijzigde meetmethode. Of de temporele beperking van toepassing is op de auto’s 1 tot en met 4, 6 en 7 behoeft geen behandeling meer.
Prejudiciële vragen
10. Belanghebbende heeft de rechtbank ter zitting verzocht de beroepen aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Zij is op grond van het Unierecht hiertoe ook niet verplicht.

Immateriële schadevergoeding

11. Belanghebbende heeft in het beroep van 24 januari 2023 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [5] Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [6] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
12. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 6 februari 2019. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 62 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat elf keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 5.500 [7] . De uitspraken op bezwaar dateren van 28 december 2022. Dit is 41 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 3.637. [8] De Staat moet de rest betalen, dus € 1.863. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
13. In dit geval is sprake van meer zaken van één belanghebbende, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk maar één keer het tarief van € 500 per half jaar toe. Daarbij is de overschrijding van de redelijke termijn berekend vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift dat het eerste is ingediend. [9] Kostenvergoeding bezwaar
14. Voorzover belanghebbende ter zitting heeft betoogd dat de kosten van bezwaar voor vergoeding in aanmerking komen, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen recht op een dergelijke vergoeding omdat in dit geval niet aannemelijk is geworden dat de onjuiste voldoening op aangifte te wijten is aan de inspecteur. [10]

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar worden gehandhaafd.
15. Omdat de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur en de Staat te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 350,25 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 en factor 1,5 in verband met samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de inspecteur en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
15. Het door belanghebbende betaalde griffierecht wordt vergoed omdat zij het verzoek om immateriële schadevergoeding voor 31 mei 2024 [11] heeft ingediend. De inspecteur en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht te voldoen. [12]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding van belanghebbende tot een bedrag van € 3.637;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van belanghebbende tot een bedrag van € 1.863;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 176;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 175;
  • bepaalt dat de inspecteur en de Staat ieder de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht, dus ieder een bedrag van € 92, vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op 3 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
4.Voor auto’s 4 en 7 gaat het om een gecombineerde uitstoot van 164 gr CO2/km tegenover een gecombineerde uitstoot van 189 gr CO2/km op basis van WLTP, waarbij de vergelijkingsauto’s een gecombineerde uitstoot van 143 gr CO2/km hebben. Voor auto’s 5 en 6 gaat het om een gecombineerde uitstoot van 129 gr CO2/km tegenover een gecombineerde uitstoot van 153 gr CO2/km op basis van WLTP, waarbij de vergelijkingsauto’s een gecombineerde uitstoot van 117 gr CO2/km hebben.
6.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
7.11 keer een half jaar met een vergoeding van € 500 per half jaar.
8.41 maanden / 62 maanden * € 5.500.
9.Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.
10.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7345.
11.Hoge Raad, 24 mei, 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
12.Hoge Raad, 19 februari 2016, ELCI:Nl:HR:2016:252, r.o. 3.14.2.