Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 april 2026
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
- een aanslag IB/PVV 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 128.971 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 29.433;
- een aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 138.370 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.667;
- een aanslag IB/PVV 2019 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 137.095 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.560;
- een aanslag IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 155.294 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.492.
Feiten
- 1 januari 2017: € 1.380.760;
- 1 januari 2018: € 1.363.121;
- 1 januari 2019: € 1.391.291;
- 1 januari 2020: € 1.267.517.
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- de inspecteur heeft een onjuist kader gehanteerd bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel;
- het maken van onderscheid tussen bezwaarmakers en niet-bezwaarmakers leidt tot met het gelijkheidsbeginsel strijdige willekeur;
- de inspecteur heeft tevens in strijd met het vertrouwensbeginsel en het fair play-beginsel gehandeld, gelet op de uitlatingen van de staatssecretaris van Financiën in de podcast “betrouwbare bronnen” van 14 september 2022;
- de verzoeken vallen onder het aanwijzingsbesluit massaal bezwaar van 26 juni 2015