ECLI:NL:RBGEL:2026:267

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/8866
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek voor het houden van duiven in woonbestemming

Deze uitspraak betreft de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiser, die het niet eens is met de afwijzing van zijn aanvraag om handhaving tegen het houden van duiven door de derde-partij. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en komt tot de conclusie dat deze slagen. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het houden van circa 50 (post)duiven passend is binnen de bestemming 'Wonen'. Eiser had op 13 september 2022 een handhavingsverzoek ingediend, dat door het college op 1 februari 2024 deels was toegewezen, maar later op 29 oktober 2024 werd afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de controles die het college heeft uitgevoerd niet representatief zijn en dat de ruimtelijke uitstraling van het houden van duiven niet in overeenstemming is met de woonbestemming. De rechtbank vernietigt het besluit van 29 oktober 2024 en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de derde-partij. Eiser krijgt zijn griffierecht terug en een vergoeding van proceskosten en reiskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8866

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk

(gemachtigde: C. Velthorst),

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats],

(gemachtigde: mr. L.J. Krijgsman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden slagen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 september 2022 een handhavingsverzoek ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 februari 2024 deels toegewezen en bij besluit van dezelfde datum een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 heeft het college besloten om het dwangsombesluit te herroepen en het handhavingsverzoek af te wijzen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 oktober 2024.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Totstandkoming besluit

3. Op 13 september 2022 heeft het college een verzoek om handhaving ontvangen, waarin werd verzocht handhavend op te treden tegen het realiseren van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning en het houden van duiven in dat bouwwerk aan de [locatie 1] in [plaats]. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kom Winterswijk 2011” geldt voor het perceel de bestemming ‘Wonen’. De derde-partij heeft in zijn achtertuin een duivenhok staan waarin hij ongeveer 50 duiven houdt. Het perceel van de derde-partij ligt binnen de bebouwde kom, in een woonwijk, met aan beide zijden buren. De achtertuin heeft een oppervlakte van ongeveer 53 m². Eiser woont op het adres [locatie 2], het duivenhok staat op ongeveer 2,5 meter van de perceelsgrens af.
3.1.
In de periode van 18 mei 2022 tot en met 20 juli 2023 zijn meerdere controles uitgevoerd op het perceel van de derde-partij en het naastgelegen perceel van eiser. Tijdens de controles is vastgesteld dat het bouwwerk voldoet aan de regels voor vergunningvrij bouwen. Verder is door verschillende toezichthouders vastgelegd welke effecten het houden van de duiven had.
3.2.
Op 25 oktober 2023 heeft het college de derde-partij een brief gestuurd waarin het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen wegens het houden van duiven werd bekendgemaakt. Het houden van 53 duiven paste volgens het college op dat moment, naar aard, omvang en intensiteit, niet binnen de woonbestemming. Naar aanleiding van dit voornemen heeft de derde-partij een zienswijze ingediend. Op 1 februari 2024 is het verzoek om handhaving toegewezen voor het onderdeel dat ziet op het houden van de duiven in strijd met de bestemming en afgewezen voor het onderdeel dat ziet op het realiseren van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning. Bij besluit van 1 februari 2024 is aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. Hierin is bepaald dat de derde-partij het aantal duiven moet terugbrengen tot maximaal acht en vervolgens maximaal acht duiven op het perceel mag houden. De hoogte van de dwangsom is €1.000,- per geconstateerde overtreding (maximaal één constatering per week), met een maximum van €4.000,-. De begunstigingstermijn bedroeg drie maanden na de verzenddatum van het besluit.
3.3.
Tegen deze last onder dwangsom heeft de derde-partij tijdig bezwaar gemaakt. Het college heeft vervolgens besloten het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom te herroepen en het handhavingsverzoek af te wijzen. Op basis van aanvullende controles op 9 september, 26 september en 8 oktober 2024, in samenhang bezien met de eerder uitgevoerde controles, blijkt volgens het college dat de ruimtelijke uitstraling van het houden van de duiven naar aard, omvang en intensiteit niet in strijd is met de woonbestemming. Tegen de beslissing om het dwangsombesluit te herroepen en het handhavingsverzoek af te wijzen, heeft eiser beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Valt het houden van de duiven onder de woonbestemming?
4. Eiser stelt dat uit de bevindingen van de toezichthouders valt af te leiden dat sprake is van diverse vormen van overlast. Daarnaast heeft het college in het primaire besluit voldoende gemotiveerd waarom de ruimtelijke uitstraling van de activiteit qua aard, omvang en intensiteit in strijd is met de woonbestemming. Het bestreden besluit is volgens eiser enkel gebaseerd op drie nieuwe controles, die niet overeenkomen met de bevindingen die eerder zijn gedaan. Eiser stelt dat de controles op 9 september, 26 september en 8 oktober 2024 niet als representatief kunnen worden aangemerkt. Deze controles zijn uitgevoerd in een periode waarin de duiven naar verwachting de minste overlast veroorzaken. Het college had moeten onderbouwen waarom de eerdere controles niet langer relevant zijn. Nu het college dat niet heeft gedaan, is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
4.1.
Het college stelt dat de controles van 9 september, 26 september en 8 oktober 2024 representatief zijn, net als de controles uit 2022 en 2023. In 2022 is gecontroleerd in mei, juli en december. Hierbij waren de duiven de ene keer wel en de andere keer niet buiten. In 2023 is gecontroleerd in februari, juni en juli, waarbij de duiven eveneens afwisselend wel en niet buiten waren. Hieruit blijkt volgens het college dat in verschillende seizoenen is gecontroleerd en dat de duiven zich zowel binnen als buiten bevonden. Het totaalbeeld van alle controles samen is volgens het college dan ook representatief. Het college stelt dat het niet zo is dat de controles uit 2023 niet correct of relevant zijn. Maar wel dat dit betekent dat in de beslissing op bezwaar een bredere afweging is gemaakt van alle uitgevoerde controles, waar het primaire besluit vooral op de controles uit 2023 was gebaseerd. Het college was voornemens om gedurende een langere periode op verschillende momenten opnieuw controles uit te voeren. Het college stelt dat eiser hiervan op de hoogte was, omdat de toezichthouder ook bij hem thuis is geweest tijdens de controles. Op 15 oktober 2024 heeft eiser het college echter in gebreke gesteld wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar. De ingebrekestelling dwong het college binnen twee weken te beslissen om te voorkomen dat dwangsommen zouden worden verbeurd en beroep kon worden ingesteld. Hierdoor was het college niet langer in de gelegenheid om in een ander seizoen en onder andere omstandigheden controles uit te voeren.
4.2.
De vraag of het door de derde-partij van het perceel gemaakte gebruik voor het houden van ongeveer 50 duiven in strijd is met de bestemming "Wonen", dient te worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel. [1]
4.3.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het houden van circa 50 (post)duiven passend is binnen de bestemming ‘Wonen’. Uit de aanvullende motivering van het besluit van 29 oktober 2024 blijkt dat het college, op basis van de meest recente controles in samenhang met de eerdere controles, tot de conclusie is gekomen dat de ruimtelijke uitstraling passend is binnen de woonbestemming. Echter, zoals door eiser is aangevoerd en door de derde partij is bevestigd, bevonden de duiven zich tijdens de meest recente controles in de ruiperiode, waardoor minder activiteit zichtbaar was. Uit eerder uitgevoerde controles blijkt dat toezichthouders een grotere mate van overlast hebben waargenomen. Zo volgt uit de controles van juni en juli 2023 dat sprake was van veel hoorbaar gekoer, gefladder en een waarneembare duivengeur. De duiven bevonden zich gedurende langere perioden buiten het duivenhok en vlogen rond de woningen van de buren, waar zij ook neerstreken. Hoewel de derde partij de juistheid van deze bevindingen betwist, heeft hij dit niet onderbouwd, zodat van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan. Het college heeft onvoldoende onderkend dat de duiven zich tijdens de meest recente controles in de ruiperiode bevonden, waardoor de ruimtelijke uitstraling geringer was. Hoewel het houden van 50 duiven tijdens de ruiperiode minder overlast veroorzaakt, had het college er rekening mee moeten houden dat de ruimtelijke uitstraling buiten deze periode aanzienlijk groter is. Met name in de periode april tot september, wanneer de (post)duiven deelnemen aan wedstrijden, is dit het geval en dat is juist in de periode dat mensen graag in hun tuin verblijven.
Verder kan aan de laatste controles weinig betekenis worden toegekend nu vanwege de afwezigheid van derde-partij de toezichthouders niet op het perceel zijn geweest (9 en 20 september 2024) en dus ook niet is vastgesteld hoeveel duiven aanwezig waren. Op 8 oktober 2024 heeft derde-partij de toezichthouders de toegang geweigerd en zij hebben dan ook zelf niet kunnen constateren hoeveel duiven aanwezig waren en in hoeverre sprake is van overlast. Dat het college voornemens was aanvullende controles uit te voeren, doet hier niet aan af. Bovendien geven de al eerder uitgevoerde controles al een voldoende duidelijk beeld van de ruimtelijke uitstraling van het houden van duiven over verschillende perioden. Verder had het college, indien het van mening was dat aanvullende controles noodzakelijk waren voor een zorgvuldig besluit, hierover met eiser in overleg moeten treden in verband met de ingebrekestelling.
Had het college voorwaarden moeten stellen voor het houden van de duiven?
5. Eiser stelt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft aangegeven niet te hoeven onderzoeken of de ruimtelijke impact op andere wijze kan worden beperkt. Doordat het college besluit niet handhavend op te treden en tevens geen voorwaarden stelt aan het houden van de duiven, ontstaat volgens eiser rechtsonzekerheid. Hierdoor krijgt de derde-partij volgens eiser feitelijk een ‘carte blanche’ voor het houden van duiven, zonder beperkingen ten aanzien van het aantal duiven of de omstandigheden waaronder.
5.1.
Het college stelt dat de derde-partij in de beslissing op bezwaar nadrukkelijk is verzocht zoveel mogelijk rekening te houden met de omliggende percelen. De situatie kan immers wijzigen door onder meer veranderingen in het aantal duiven, seizoensinvloeden of het al dan niet schoonhouden van hok en perceel. Daarnaast is de derde-partij de mogelijkheid geboden te onderzoeken of het uitvliegpunt van de duiven kan worden verplaatst naar de achterzijde van het hok, om toekomstige overlast te beperken. Omdat geen overtreding is vastgesteld, stelt het college geen voorwaarden te kunnen stellen. Dat betekent echter niet dat de derde-partij een ‘carte blanche’ heeft; wanneer de situatie wijzigt en wel sprake is van strijd met het bestemmingsplan, kan alsnog handhavend worden opgetreden.
5.2.
De beroepsgrond slaagt. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het houden van 50 duiven passend is binnen de bestemming ‘Wonen’, zal het college opnieuw op het bezwaar van de derde-partij moeten beslissen en beoordelen waar de grens ligt van het aantal duiven dat, gelet op aard, omvang en intensiteit, nog passend is binnen de woonbestemming. Daarbij moet een op de concrete situatie toegesneden beoordeling plaatsvinden, waarbij het college de vraag of het gebruik van de gronden voor het houden van duiven in strijd is met de woonbestemming, dient te beantwoorden aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dit specifieke gebruik, gezien zijn aard, omvang en intensiteit, heeft. [2] Het college dient daarbij te betrekken dat de duiven worden gehouden in een tuin met een oppervlakte van 53 m², dat sprake is van een rijtjeswoning binnen de bebouwde kom, dat het duivenhok zich op korte afstand van de percelen van de buren bevindt en dat de uitvliegpunten zijn gericht naar het perceel van eiser.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat, omdat het beroep slaagt, direct na verzending van deze uitspraak de dwangsommen kunnen worden verbeurd. Gelet op die omstandigheid acht de rechtbank het redelijk om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de gestelde begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Voor finale geschillenbeslechting ziet de rechtbank geen aanleiding, gelet op het onder 5.2 geschetste toetsingskader. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van € 1868,- aan proceskosten en € 35,64 aan reiskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 29 oktober 2024;
  • draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de derde-partij;
  • bepaalt dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom van 1 februari 2024 wordt verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,00 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 1903,64 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd dezeuitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de eerder genoemde uitspraken ECLI:NL:RVS:2022:1465 en ECLI:NL:RVS:2025:3383