AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van naheffingsaanslagen BPM en immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen drie naheffingsaanslagen BPM opgelegd door de inspecteur. De aanslagen betreffen verschillende Audi-voertuigen waarvoor belanghebbende taxatierapporten had overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de taxatierapporten niet als bewijs kunnen dienen vanwege essentiële gebreken aan de voertuigen en gedeeltelijke herstelwerkzaamheden voorafgaand aan taxatie.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de aanslagen terecht en tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de koerslijst Eurotax met correcties tot een lagere BPM zou leiden. Ook het beroep op het EU-recht inzake de WLTP/NEDC2-methode wordt verworpen wegens gebrek aan bewijs van gelijksoortigheid en toepasselijkheid.
Verder wijst de rechtbank het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen af en wijst zij het verzoek tot immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De schadevergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Ook worden proceskosten en griffierecht deels vergoed aan belanghebbende.
Uitkomst: De beroepen tegen de naheffingsaanslagen BPM worden ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/2695, 23/3657 en 23/6118
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 april 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende] h.o.d.n. [naam bedrijf], uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, CAP, de inspecteur,
en
de minister van Justitie en Veiligheid van de Staat der Nederlandente Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 februari 2023, 30 maart 2023 en 26 juli 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende drie naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (de aanslagen) opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij de aanslagen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B].
Feiten
1. Belanghebbende heeft aangiften belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ingediend voor onderstaande voertuigen en de bijbehorende bedragen aan BPM op aangifte voldaan.
Zaaknr.
Auto
Merk
Kenteken
Datum 1e toelating
Bruto
BPM
Betaald
BPM
23/2695
1
Audi SQ5 3.0 TFSI
[kentekennummer 1]
10-1-2018
€ 77.856
€ 4.811
23/3657
2
Audi A3 Limousine 2.5 TFSI
[kentekennummer 2]
9-1-2018
€ 24.390
€ 1.948
23/6118
3
Audi A3 Sportback 40 TFSI
[kentekennummer 3]
29-5-2018
€ 7.706
€ 1.622
2. Bij de aangiften heeft belanghebbende taxatierapporten, inclusief foto’s, van
[website], [persoon C], gevoegd. Daarin zijn de volgende bedragen opgenomen.
Zaaknr.
Auto
Historische nieuwprijs
Inkoopwaarde. onbesch. staat
Schade (verleden)
Inkoopwaarde besch. staat
23/2695
1
€ 169.282
€ 55.815
€ 45.352
€ 10.463
23/3657
2
€ 93.542
€ 30.431
€ 22.959
€ 7.472
23/6118
3
€ 45.091
€ 27.7003
€ 17.711
€ 9.492
3. Belanghebbende heeft auto 2 en 3 getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De rapporten van DRZ vermelden de volgende bedragen.
Zaaknr.
Auto
Historische nieuwprijs
Inkoopwaarde. onbesch. staat
Schade (verleden)
Inkoopwaarde. besch. staat
23/3657
2
€ 97.916
€ 30.744
€ 1.580
€ 29.164
23/6118
3
€ 48.364
€ 29.742
€ 6.795
€ 22.947
4. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende naheffingsaanslagen opgelegd, waarbij geen belastingrente in rekening is gebracht.
Zaaknr.
Auto
Berekende BPM
Nageheven BPM
23/2695
1
€ 16.489
€ 11.678
23/3657
2
€ 7.263
€ 5.315
23/6118
3
€ 3.164
€ 1.542
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt hieronder de gronden van belanghebbende. Zij komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn vastgesteld. Zij doet aan de hand van de gronden van belanghebbende.
6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Hij doet een beroep op de taxatierapporten en heeft gesteld dat de aangiften moeten worden gevolgd. Subsidiair heeft belanghebbende aangevoerd dat de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
7. Ter zitting heeft de gemachtigde de gronden met betrekking tot het in de branche ontwikkelde beleid over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en schade alsmede de deskundigheid van de taxateur van DRZ ingetrokken. Daarnaast heeft hij de beroepsgrond ingetrokken die ziet op de schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel met betrekking tot de invoering van de WLTP-NEDC2-methode.
Bbruikbaarheid taxatierapport en essentiële gebreken (auto 1, 2 en 3)
8. De taxatiemethode komt niet in aanmerking indien het motorrijtuig een essentieel gebrek kent. Hiervan is sprake wanneer dat motorvoertuig het niet voldoet aan de bij of krachtens de wegenverkeerswet 1994 gestelde eisen waardoor er niet mee mag worden gereden op de weg. [1]
9. Ten aanzien van auto 1 heeft de inspecteur aangevoerd dat op voorhand al duidelijk was dat met het voertuig geen gebruik van de openbare weg kon worden gemaakt. De rechtbank stelt aan de hand van de foto’s en schadelijst in het taxatierapport vast dat de voorkant van de auto dusdanige frontaal is beschadigd dat deze daardoor geen verlichting kan voeren en een nieuwe motor nodig heeft. Met deze auto kan dus niet wordt deelgenomen aan het verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank is bij auto 1 sprake van een essentieel gebrek waardoor de taxatiemethode niet mag worden toegepast.
10. DRZ heeft geconstateerd dat auto 2 al gedeeltelijk is hersteld voordat de auto werd aangeboden voor controle bij DRZ. In reactie op het standpunt van de inspecteur heeft de gemachtigde over auto 3 ter zitting verklaard dat de auto voor de controle bij DRZ gedeeltelijk was hersteld, maar dat dat niets afdoet aan de geldigheid van het taxatierapport voor de bepaling van de afschrijving. In beide taxatierapporten is geen rekening gehouden met dit deelherstel. Alleen al daarom kunnen deze taxatierapporten niet worden gebruikt voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde. [2]
11. De taxatierapporten kunnen daarom niet dienen als bewijs dat de inspecteur met meer schade rekening had moeten houden. Belanghebbende heeft ook verder niets aangevoerd waaruit dit wel volgt.
Artikel 10b Wet BPM (auto 1)
12. Belanghebbende doet een beroep op artikel 10b van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van essentiële gebreken en de taxatiemethode daarom niet mag worden gebruikt. Op grond van dit artikel wenst belanghebbende het historische tarief en maatstaf van heffing toe te passen.
12. Door belanghebbende is niet inzichtelijk gemaakt dat het historisch tarief of de historische maatstaf van heffing na tweede maand vóór de eerste ingebruikneming van auto 1 leiden tot een lagere verschuldigde BPM. Deze beroepsgrond kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen. Herleidingsmethode (auto 2)
12. Belanghebbende heeft gesteld dat de toepassing van artikel 110 vanPro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ertoe verplicht om voor auto 2 aan te sluiten bij de herrekende BPM, de zogenoemde herleidingsmethode. In het arrest van 11 juli 2025 [3] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de herleidingsmethode niet is toegestaan als waarderingsmethode voor de verschuldigde BPM, omdat dit geen wettelijke toegestane methoden is.
Koerslijst Eurotax (auto 3)
15. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019 [4] , dat bij de gebruikmaking van de koerslijst van Eurotax de inspecteur heeft verzuimd voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening te houden met de correctiefactoren ‘bijstelling dealersituatie ’en ‘bijstelling marktsituatie’ van samen 15%. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat uit het beleid van de inspecteur volgt dat de correcties mogen worden toegepast.
16. De inspecteur heeft deze stelling betwist door primair te wijzen op het feit dat de taxateur van belanghebbende bij het opmaken van het taxatierapport alleen aanleiding heeft gezien om de correctie van de dealersituatie toe te passen. Verder ontbreekt een motivering voor toepassing van deze bijstellingen in het taxatierapport. Subsidiair heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat indien voor de dealersituatie alsnog een correctie wordt toegepast omdat de koerslijstmethode zou worden toegepast, een hoger bedrag aan BPM verschuldigd is dan het bedrag dat in de aanslag is berekend. In dat geval moet immers uit worden gegaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals die uit de koerslijst van Eurotax volgt. Voor wat betreft het door de gemachtigde gestelde beleid is daar volgens de inspecteur geen sprake van maar betreft dat een kennisgroepstandpunt en dat ziet op een ander punt.
16. Naar het oordeel van de rechtbank is het belanghebbende toegestaan, nu het taxatierapport niet als onderbouwing kan dienen, de koerslijstmethode toe te passen. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de koerslijst Eurotax met bijstelling voor de markt- en dealersituatie leidt tot een lagere handelsinkoopwaarde dan die door de inspecteur is gehanteerd bij het opleggen van de naheffingsaanslag op grond van de koerslijst Xray minus schade. De rechtbank volgt de stelling van belanghebbende dat de koerslijst Eurotax moet worden gevolgd dan ook niet.
Bruto BPM voor eerder ingevoerde soortgelijke referentievoertuigen (auto 1)
18. Auto 1 was oorspronkelijk bestemd voor de Amerikaanse markt, waardoor geen Europese typegoedkeuring beschikbaar is. De CO2-uitstoot is volgens belanghebbende aan de hand van de Scandinavische rekenmethode te worden vastgesteld op 311 gr/km. Tenminste 22 soortgelijke auto’s zijn aan de hand van de NEDC1 geregistreerd met een uitstoot van 195 gr/ km. De inspecteur had bij die uitstoot moeten aansluiten. Door dit niet te doen is volgens belanghebbende sprake van fiscale discriminatie.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is de CO2-uitstoot zoals opgenomen in het kentekenregister leidend. [5] De inspecteur is daar bij het opleggen van de aanslag terecht niet van afgeweken. Indien de geregistreerde CO2-uitstoot onjuist is, dan dient belanghebbende zich te wenden tot de RWD.
WLTP/NEDC2 (auto 3)
20. Belanghebbende stelt dat auto 3 door de invoering van de WLTP/NEDC2-methode een hogere uitstoot hebben gekregen en daardoor zwaarder belast wordt dan wanneer deze auto zou zijn getest overeenkomstig de NEDC1-methode. Dit is volgens belanghebbende in strijd met artikel 110 vanPro het VWEU. In het arrest van 24 april 2024 heeft de Hoge Raad [6] volgens belanghebbende een toetsingskader gegeven met een temporele beperking tussen 1 september 2018 en 1 september 2019. Hij verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025 [7] ter onderbouwing van zijn standpunt dat de voornoemde temporele beperking is toegespitst op de zaak waarin de Hoge Raad de prejudiciële vragen hierover heeft beantwoord.
21. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft de CO2-uitstoot van de auto op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving geregistreerd. Uit de door belanghebbende overgelegde technische gegevens blijkt volgens de inspecteur dat de EG-typegoedkeuring van de importauto’s afwijkt van de EG-typegoedkeuring van de referentieauto’s. De referentieauto zijn dan ook niet als gelijksoortig aan te merken. Verder is op basis van de overige verschillen tussen de onderhavige auto en de referentievoertuigen ook geen sprake van gelijksoortigheid.
21. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 april 2024 [8] een feitelijke toelichting gegeven op de Europees- en nationaalrechtelijke aspecten van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat de belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 vanPro het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in de in dat arrest bedoelde zin in nieuwe staat is geregistreerd.
23. Belanghebbende is niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Uit de door belanghebbende overgelegde excelsheets volgt dat voor auto 3 een gecombineerde CO2-uitstoot is vastgesteld van 139 gr/km en een gecombineerde CO2-uitstoot op basis van een WLTP-methode van 159 gr/km. De vergelijkingsauto hebben allemaal een vastgestelde gecombineerde CO2-uitstoot van 129 gr/km. Bovendien verschillen onder andere de variantcode, de uitvoeringscode, de technische maximum massa en de motorcode. Het is dus niet aannemelijk dat het verschil in uitstoot uitsluitend komt door een verschil in meetmethode. Of de temporele beperking van toepassing is, behoeft geen behandeling meer.
Prejudiciële vragen
24. Belanghebbende heeft de rechtbank ter zitting verzocht de beroepen aan te houden en prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Zij is op grond van het Unierecht hiertoe ook niet verplicht.
Immateriële schadevergoeding
25. Belanghebbende heeft in het beroep van 7 maart 2023 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [9] Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [10] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
26. De inspecteur heeft het eerste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 13 april 2021. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 36 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zes keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.000 [11] . De laatste uitspraak op bezwaar dateert van 26 juli 2023. Dit is afgerond 22 maanden langer dan zes maanden. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van (afgerond) € 1.833. [12] De Staat moet de rest betalen, dus € 1.167. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.
27. In dit geval is sprake van meer zaken van één belanghebbende, die tegelijk zijn behandeld. Omdat de zaken uiteindelijk allemaal gaan over hetzelfde onderwerp, namelijk de vraag hoeveel BPM belanghebbende is verschuldigd, kent de rechtbank voor alle zaken gezamenlijk maar één keer het tarief van € 500 per half jaar toe. Daarbij is de overschrijding van de redelijke termijn berekend vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift dat het eerste is ingediend. [13]
Conclusie en gevolgen
28. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen worden gehandhaafd.
28. Omdat de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade toewijst, ziet zij aanleiding de inspecteur en de Staat te veroordelen in de forfaitair bepaalde kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25 en factor 1 in verband met samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door de inspecteur en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
28. Het door belanghebbende betaalde griffierecht wordt vergoed omdat zij het verzoek om immateriële schadevergoeding voor 31 mei 2024 [14] heeft ingediend. De inspecteur en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht te voldoen. [15]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een schadevergoeding van belanghebbende tot een bedrag van €1.833;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van belanghebbende tot een bedrag van € 1.167;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 117;
veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 117;
bepaalt dat de inspecteur en de Staat ieder de helft van het door belanghebbende betaalde griffierecht, dus ieder een bedrag van € 276, vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Knol, griffier.
Uitgesproken op * april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 10, achtste lid, onderdeel b, van de Wet BPM.
10.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
11.6 keer een half jaar van € 500.
12.22 maanden / 36 maanden * € 3.000.
13.Zie punt 3.10.2 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en ook HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, punt 2.4.3.