Beoordeling door de rechtbank
15. De rechtbank beoordeelt allereerst of belanghebbende in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Verder beoordeelt zij of de aanslag IB/PVV 2021 niet te hoog is vastgesteld. Daarbij gaat het om de vraag of de betaalde royementkosten kwalificeren als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning.
16. De rechtbank verklaart het beroep gegrond uitsluitend omdat het hoorrecht is geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is belanghebbende ten onrechte niet gehoord?
17. Een bestuursorgaan dient een belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist.
18. De inspecteur betwist dat het hoorrecht is geschonden. Daartoe voert hij aan dat hij belanghebbende bij brief van 26 september 2024 in de gelegenheid heeft gesteld om een afspraak te maken voor een hoorgesprek en dat belanghebbende daarop niet heeft gereageerd.
19. Belanghebbende betoogt dat hij wilde worden gehoord, dat hij de brief van de inspecteur van 26 september 2024 nooit heeft ontvangen, daarom daarop niet heeft kunnen reageren en dat daarom het hoorrecht is geschonden.
20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord. Weliswaar heeft belanghebbende niet expliciet verzocht te worden gehoord, maar hij heeft wel te kennen gegeven – zowel in zijn bezwaarschrift als in de daaropvolgende e- mailcorrespondentie met de inspecteur – dat hij bereid is tot het geven van een nadere toelichting. De inspecteur heeft in zijn brief van 26 september 2024 de gemachtigde gelegenheid gegeven te worden gehoord. Bij achterwege blijven van een reactie had de inspecteur niet zonder meer de conclusie kunnen trekken dat het horen achterwege kon blijven.In dit kader acht de rechtbank verder relevant dat de inspecteur de verzending en de terpostbezorging van de brief van 26 september 2024 niet aannemelijk heeft gemaakt.
21. Partijen hebben voor dat geval verzocht om voortzetting van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de inspecteur.
Kwalificeren de royementskosten als aftrekbare kosten voor de eigen woning?
22. Artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001, bepaalt:
“1. De aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zijn het gezamenlijke bedrag van:
(..)
b. de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld;”
23. Onder het begrip ‘kosten van geldleningen’ vallen uitsluitend kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het opnemen, verlengen of aflossen van een geldlening.Daarnaast dient de geldlening te behoren tot de eigenwoningschuld zoals die is gedefinieerd in artikel 3.119a van de Wet IB 2001.
24. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat een belanghebbende, die aftrekbare kosten inzake de eigen woning in aanmerking wil nemen, feiten en omstandigheden dient te stellen en, bij betwisting door de inspecteur, aannemelijk dient te maken die leiden tot de conclusie dat de door hem gestelde kosten aftrekbaar zijn.
25. Belanghebbende voert aan dat dat de royementskosten zien op het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de ex-partner ten aanzien van de bestaande hypotheek en de nieuwe financiering van de woning. De ex-partner wilde namelijk niet meewerken aan het royement. Dit zijn kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. De onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gewezen jurisprudentie en uitleg van de wet op dit punt is volgens belanghebbende nog steeds van toepassing. Daarnaast zou volgens de inspecteur de royementskosten mogelijk wel aftrekbaar zijn wanneer deze situatie zich met een ander dan de ex-partner had voorgedaan.
26. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de tussen belanghebbende en de ex-partner gevoerde procedures zien op de vraag wie rechthebbende was in relatie tot de woning. De royementskosten zien dus niet op de kosten voor het doorhalen van een hypotheek, maar op de verdeling van de woning. Die kosten zijn daarom niet aftrekbaar. Daarnaast heeft belanghebbende de hypotheek afgelost, waardoor zijn ex-partner niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid hoefde te worden ontslagen. De royementkosten staan dus niet in rechtstreeks verband met het aflossen, verlengen of opnemen van een geldlening door belanghebbende die voor een kwalificerende eigenwoningschuld, aldus de inspecteur.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de dagvaarding in hoger beroep blijkt dat de inzet van het kort geding de vordering van de ex-partner tot verkoop van de woning was. Belanghebbende heeft kosten gemaakt om zich tegen deze vordering te verweren. Uit de eerste verklaring van de advocaat blijkt dat het verweer in ieder geval ook zag op de verkrijging van het aandelen in de woning door belanghebbende. Als in het ongelijk gestelde partij heeft belanghebbende tegen het kortgedingvonnis hoger beroep ingesteld. Uit de dagvaarding in hoger beroep blijkt dat slechts één van de zes grieven ziet op de vordering om de ex-partner uit haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen te ontslaan en daarbij haar aandeel in de woning aan belanghebbende overdraagt.
28. De rechtbank overweegt verder dat de advocaat wisselende verklaringen heeft afgelegd. De tweede verklaring onderbouwt het standpunt van belanghebbende. Echter, deze verklaring is in tegenstelling tot de eerste, oorspronkelijke verklaring afgegeven nadat de inspecteur belanghebbende had geïnformeerd van zijn voornemen om het verzoek om ambtshalve vermindering af te wijzen. Daarnaast wordt in de tweede verklaring verwezen naar de samenlevingsovereenkomst als titel voor de verdeling, terwijl uit de akte van verdeling blijkt dat de titel wordt gevormd door de afspraken die in de bodemprocedure zijn gemaakt (zie hieronder in overweging 30). De rechtbank kent bewijsrechtelijk daarom minder waarde toe aan de tweede verklaring dan aan de eerste.
29. De rechtbank overweegt daarnaast dat in enkele stukken wordt verwezen naar correspondentie met de Rabobank over het ontslag van de ex-partner uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en het gebrek aan medewerking van haar daarbij. Belanghebbende heeft deze correspondentie op geen enkel moment overgelegd. Dit standpunt is dan ook op geen enkele wijze onderbouwd. Hieraan doet niet af de door de gemachtigde ter zitting gedane opmerking dat ten aanzien van deze beide punten hij zich heeft gebaseerd op inlichtingen van de advocaat. Ook is de ex-partner uiteindelijk niet ontslagen uit haar aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, omdat belanghebbende die geldleningen geheel heeft afgelost.
30. De rechtbank overweegt tot slot dat in de akte van verdeling niet is aangesloten bij de afspraken die in de samenlevingsovereenkomst zijn gemaakt, maar bij de afspraken zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal in de bodemzaak van 6 mei 2022. Belanghebbende en zijn ex-partner zijn in het kader van de overdracht van het aandeel in de woning aan belanghebbende een waarde van de woning overeengekomen op peildatum 6 mei 2022. Als gevolg daarvan is ook een overbedelingsvordering van de ex-partner op belanghebbende ontstaan die in het kader van de verdeling moest worden afgewikkeld.
31. Al het voorgaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de royementkosten rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de eigenwoningschuld.Omdat deze kosten in een te ver verwijderd verband tot de financiering van de woning staan, zijn het geen kosten van geldleningen als bedoeld in artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering dus terecht afgewezen.
32. Gelet op de feitelijke aard van deze zaak is niet relevant of de royementkosten in een andere zaak wellicht wel aftrekbaar zouden zijn.