Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2796

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12022221
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:625 BWArt. 7:673 lid 1 onder c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens diefstal van cliëntgeld door thuiszorgmedewerkster

De werknemer, werkzaam als verpleegkundige bij Stichting Jah-Jireh, werd op 14 oktober 2025 op staande voet ontslagen nadat camerabeelden toonden dat zij geld uit de portemonnee van een zwaar dementerende cliënt had weggenomen. De werkgever had meerdere meldingen ontvangen van vermiste geldbedragen bij cliënten, die stopten tijdens de ziekteperiode van de werknemer.

De werknemer ontkende diefstal en stelde dat zij geld had gepakt om klaar te leggen voor de pedicure van de cliënt, wat door de werkgever werd weersproken. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onverwijld was gegeven en dat de dringende reden, het wegnemen van geld zonder toestemming, voldoende was voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet.

De kantonrechter vond het ongeloofwaardig dat de werknemer geld voor de cliënt had klaargelegd en stelde vast dat het vertrouwen van de werkgever ernstig was geschaad. De verzoeken tot vernietiging van het ontslag, loonbetaling, transitievergoeding en billijke vergoeding werden afgewezen. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens diefstal van cliëntgeld is rechtsgeldig verklaard en alle vorderingen van de werknemer zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12022221 \ HA VERZ 25-196
Beschikking van 18 maart 2026
in de zaak van
[naam verzoeker]
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
hierna te noemen: [de verzoeker]
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.
tegen
STICHTING JAH-JIREH WOONZORG
gevestigd te Wageningen
verwerende partij
hierna te noemen: Jah-Jireh
gemachtigde: mr. M. Broeders

1.De procedure

1.1.
[de verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een ontslag te vernietigen. Jah-Jireh heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft Jah-Jireh producties 10 en 11 nagezonden. [de verzoeker] heeft producties 10 tot en met 12 nagezonden.
1.2.
Op 4 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van [de verzoeker] en Jah-Jireh hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.3.
Daarna is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
Jah-Jireh is een thuiszorgorganisatie die op drie locaties onder meer huishoudelijke zorg biedt aan oudere en zorgbehoevende Getuigen van Jehovah.
2.2.
[de verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 1 maart 2025 in dienst bij Jah-Jireh op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 jaar. De functie van [de verzoeker] is Verpleegkundige MBO met een loon van € 3.646,45 bruto per maand.
2.3.
[de verzoeker] heeft zich op 10 juni 2025 ziekgemeld.
2.4.
Vanaf 9 september 2025 is [de verzoeker] begonnen met het opbouwen van uren.
2.5.
Op 14 oktober 2025 had [de verzoeker] een zorgmoment bij een cliënt. Jah-Jireh had daar een camera geplaatst. Jah-Jireh heeft die camerabeelden in het geding ingebracht.
2.6.
Tijdens het zorgmoment keek mevrouw [de bestuurder] (bestuurder Jah-Jireh, hierna: [de bestuurder] ) live mee via de geplaatste camera. Na het zorgmoment heeft zij [de verzoeker] dezelfde dag op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van dezelfde datum staat:
Door middel van deze brief bevestig ik schriftelijk het mondeling door mij op 14 oktober 2025 aan u gegeven ontslag op staande voet.
Aan het besluit tot het verlenen van ontslag op staande voet liggen de volgende redenen ten
grondslag. Deze zijn zowel ieder voor zich, als in onderling verband bezien, een dringende reden voor het ontslag op staande voet.
Het afgelopen grofweg half jaar zijn er meerdere malen (grote) geldbedragen verdwenen van cliënten. Sinds u in dienst bent gekomen hebben wij meerdere meldingen van cliënten gehad die geld misten. Wij hebben hierin een patroon ontdekt dat deze meldingen telkens kwamen nadat u bij deze cliënten bent geweest voor de zorgverlening. In de periode dat u ziek bent geweest – en daardoor afwezig – zijn er geen meldingen meer binnengekomen m.b.t. geld van cliënten dat is verdwenen.
Kort nadat u in het kader van uw re-integratie vanaf vorige week met zelfstandige routes bent gestart kwamen er opnieuw meldingen binnen over het vermissen van een tablet en van geld. Wij hebben daarom een camera geïnstalleerd bij één van onze cliënten om te zien of u degene bent die het geld wegneemt.
Op camerabeelden is te zien dat u vandaag (14 oktober 2025) geld heeft willen ontvreemden van een (zwaar dementerende) cliënt mevrouw [cliënt] , waar u op dat moment een zorgroute liep. Mevrouw [cliënt] was in een andere ruimte en lag daar op bed. Te zien is dat u rechtstreeks naar haar portemonnee bent gelopen, de portemonnee meeneemt (buiten beeld) en grofweg 1 minuut later de portemonnee heeft teruggelegd. U gaat daarna zorgen voor de cliënt.
Even later komt u uit de slaapkamer van cliënt en wordt de camera op de vensterbank gewaar. U blijft even stokstijf staan, lijkt even na te denken wat u moet doen. Daarna loopt u naar de keuken en buiten beeld hoor je gerommel. Dan komt u terug naar de portemonnee en kijkt er vervolgens nogmaals in en haalt uit de zak van uw uniform één of meerdere papieren briefjes van € 10,- die u weer in de portemonnee stopt. Daarbij vraagt u aan de cliënt of zij naar de pedicure moet vandaag. Vanmorgen vroeg zaten er 3 briefjes van 10 euro in de portemonnee, toen wij hem later controleerden zaten er alleen de briefjes van 10 euro in het briefje van 20 euro is verdwenen. Daarna is ook te zien dat u in laatjes van betreffende cliënt rommelt zonder toestemming en noodzaak daartoe.
Na het zien van de camerabeelden heb ik u uitgenodigd bij mij op kantoor. Daarbij heb ik benoemd dat ik gezien heb dat u geld uit de portemonnee van mevrouw [cliënt] heeft gepakt, waarop u aangaf dat het ging om geld voor de pedicure. Vervolgens heb ik mondeling aangegeven dat u op staande voet ontslagen bent, waarna u de bedrijfseigendommen heeft ingeleverd.
Met de vraag aan mevrouw [cliënt] m.b.t. de pedicure, nadat u de camera ontdekte, lijkt u te suggereren dat u dat geld nodig had om de pedicure te betalen. U bent echter niet degene die de pedicure dient te betalen en bovendien had zij geen afspraak bij de pedicure. In uw functie als verpleegkundige hoeft u nooit geld te pakken uit een portemonnee van onze cliënten of geldbedragen in een portemonnee te controleren. Uw verklaring dat u daarom geld uit haar portemonnee zou moeten pakken is daarmee volstrekt ongeloofwaardig.
Op basis van het patroon en het ontbreken daarvan tijdens uw afwezigheid i.v.m. ziekte kunnen wij niet anders dan concluderen dat u ook een sterk aandeel heeft gehad in de eerdere vermissingen van het geld van onze cliënten.
Wij nemen deze situatie heel hoog op. Onze cliënten zijn oudere en zeer kwetsbare cliënten die in een volstrekt afhankelijke positie van u zijn als verpleegkundige. Vanuit uw functie bent u (vaak) alleen bij onze cliënten. De zorg aan en voor deze cliënten is aan Stichting Jah-Jireh en meer specifiek aan u toevertrouwd. Stichting Jah-Jireh moet er als zorginstelling volkomen op vertrouwen dat u in deze functie het vertrouwen van onze cliënten niet schaadt.
In dat kader weet u of had u moeten weten dat het stelen dan wel wegnemen van geld van
cliënten volstrekt onacceptabel is. Hoewel dit algemeen bekend is (of zo moeten zijn), volgt dit ook uit onze beroepscode V&V. Los van het wegnemen van geld is ook het enkel pakken van de portemonnee en deze grondig (en meerdere keren) bekijken zeer verwijtbaar. In uw functie heeft u bij deze cliënt namelijk niets te zoeken in de portemonnee van cliënt.
Gelet op het voorgaande heeft u ons geen andere keuze gelaten dan u op staande voet te ontslaan. Uw persoonlijke omstandigheden en de gevolgen van dit ontslag op staande voet, hebben wij meegewogen bij het besluit om over te gaan tot dit ontslag op staande voet. Deze omstandigheden en gevolgen hebben niet tot een ander besluit geleid en maakt dat wij u vandaag ontslag op staande voet hebben gegeven. Redelijkerwijs kan van ons niet gevergd worden dat uw dienstverband blijft voortbestaan.
Het ontslag op staande voet betekent dat u vanaf heden niet meer in dienst bent van onze
organisatie en dat u vanaf vandaag geen recht meer heeft op salaris. Op korte termijn zal de
eindafrekening van het dienstverband worden opgesteld, waarvan u een specificatie krijgt.
Stichting Jah-Jireh zal daarbij de schade die zij heeft geleden door uw handelen verrekenen.
Daarbij wijs ik u er reeds nu op dat aanspraak wordt gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding en hierbij geef ik expliciet te kennen dat deze verrekend wordt met hetgeen u nog toekomt op grond van de eindafrekening.
Eventuele postcontractuele verplichtingen, zoals uw verplichting tot geheimhouding, blijven ook na de arbeidsovereenkomst onverkort van kracht. Ook verzoek ik u dringend uw Social Media accounts (Facebook/Linkedin) waar nodig per direct aan te passen, zodat duidelijk is dat u niet meer in dienst bent bij Stichting Jah-Jireh.
2.7.
Bij brief van 24 oktober 2025 heeft [de verzoeker] bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[de verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
primair
  • het ontslag op staande voet te vernietigen;
  • Jah-Jireh te veroordelen tot betaling van het salaris van [de verzoeker] van € 3.646,45 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, 8,33% eindejaarsuitkering en bij ziekte de gemiddeld verdiende ORT, vanaf 14 oktober 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro;
  • Jah-Jireh te veroordelen tot betaling van de onterechte inhouding van € 6.645,67 bruto (inhouding vergoeding onregelmatige opzegging), te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro;
  • Jah-Jireh te veroordelen om te doen toekomen aan [de verzoeker] binnen 5 dagen na datum van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag bij het in gebreke blijven van tijdige toekoming:
  • een bijbehorende bruto/netto specificatie van de voornoemde te betalen bedragen;
subsidiair
  • Jah-Jireh te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan [de verzoeker] van € 19.942,84 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;
  • aan [de verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen, zijnde een bedrag van € 6.645,67 bruto;
  • Jah-Jireh te veroordelen tot betaling aan [de verzoeker] van de wettelijke transitievergoeding van € 902,19 bruto;
meer subsidiair
- voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande
voet, Stichting Jah-Jireh te veroordelen tot betaling aan [de verzoeker] van de wettelijke transitievergoeding van € 902,19 bruto;
primair en subsidiair / meer subsidiair
  • Jah-Jireh te veroordelen tot betaling aan [de verzoeker] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag van volledige betaling;
  • Jah-Jireh te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.
3.2.
[de verzoeker] legt – kort gezegd – aan haar verzoeken ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Zij ontkent dat zij geld zou hebben gestolen.
3.3.
Jah-Jireh voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Op het verweer van Jah-Jireh wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is (artikel 7:677 lid 1 BW Pro). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Belangrijk is de aard en ernst van de dringende redenen. Ook kunnen meespelen de duur van de dienstbetrekking en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Verder kan meewegen wat de gevolgen van een ontslag op staande voet voor de werknemer zijn. Maar ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag gerechtvaardigd zijn. Verder moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende redenen onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk gebeuren.
4.3.
De kantonrechter oordeelt in onderhavig geval dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat het ontslag onverwijld is gegeven. Hetgeen Jah-Jireh aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025 en [de verzoeker] is diezelfde dag ontslagen.
4.5.
De vraag is vervolgens of er een dringende reden aan het ontslag ten grondslag ligt. Jah-Jireh heeft als dringende reden(en) aan het ontslag ten grondslag gelegd, zowel ieder voor zich als in onderlinge samenhang bezien dat Jah-Jireh sinds de indiensttreding van [de verzoeker] meerdere meldingen van cliënten heeft ontvangen dat er geld ontbrak. In de periode dat [de verzoeker] ziek was, zijn die meldingen niet binnengekomen. Vanaf het moment dat [de verzoeker] in het kader van haar re-integratie weer startte met zelfstandige routes, kwamen er opnieuw meldingen binnen. Jah-Jireh heeft daarom een camera geïnstalleerd bij één van de cliënten om te zien of het [de verzoeker] was die geld zou wegnemen bij cliënten. Samen met de heer [medewerker] (ICT medewerker Jah-Jireh, hierna: [medewerker] ) heeft zij € 50,00 in de portemonnee van de eerste cliënt van [de verzoeker] gestopt en de portemonnee voor de camera gelegd. Naar aanleiding van hetgeen op die camerabeelden te zien was – geld uit de portemonnee van een cliënt nemen – heeft Jah-Jireh [de verzoeker] op staande voet ontslagen.
4.6.
Jah-Jireh heeft meerdere video’s in het geding gebracht. Op de eerste overgelegde video is te zien dat [de verzoeker] de kamer van de cliënt binnenloopt. De cliënt ligt op bed en het bed is nat. [de verzoeker] trekt handschoenen aan en loopt naar de portemonnee die op de tafel ligt. Zij pakt de portemonnee en loopt ermee buiten beeld. Vervolgens komt [de verzoeker] weer terug in beeld, legt de portemonnee terug op de plek waar deze lag en loopt weer buiten beeld. Op de tweede overgelegde video is te zien dat [de verzoeker] richting de slaapkamer loopt. In de deuropening draait ze zich om en loopt weer richting de portemonnee. Die pakt ze op, kijkt erin en legt deze vervolgens (nog steeds open) terug. Ze steekt haar handen in haar zakken en loopt uit beeld. Vervolgens loopt ze terug naar de portemonnee, vouwt een briefje van € 10,00 open en stopt deze in de portemonnee. Terwijl [de verzoeker] de portemonnee dichtdoet vraagt ze aan de cliënt of ze vandaag naar de pedicure moet.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Jah-Jireh aangevoerd dat zij op basis van verdenkingen camera’s bij twee cliënten van [de verzoeker] had geplaatst. Samen met [medewerker] heeft [de bestuurder] live de beelden bekeken. Na het zien van voornoemde camerabeelden heeft [de bestuurder] [de verzoeker] haar naar haar kantoor geroepen en samen hebben ze de beelden bekeken. Vervolgens heeft zij [de verzoeker] ontslagen. Daarna heeft ze de portemonnee van de cliënt samen met [medewerker] bekeken en samen hebben zij geconstateerd dat een bedrag van € 20,00 uit de portemonnee was gehaald.
4.8.
[de verzoeker] ontkent dat zij geld heeft gestolen uit de portemonnee van cliënt. Zij stelt zich op het standpunt dat zij geld uit de portemonnee van cliënt heeft gepakt om het vast voor haar klaar te leggen voordat zij naar de pedicure zou gaan. Later heeft zij zich bedacht, omdat ze van mening was dat het handiger was voor de cliënt – die zwaar dementerend is – om de portemonnee mee te nemen in plaats van losse briefjes.
4.9.
De kantonrechter overweegt als volgt. De handelingen die [de verzoeker] met betrekking tot de portemonnee verricht vragen om een duidelijke uitleg, die [de verzoeker] niet heeft kunnen geven. Bij binnenkomst laat zij een dementerende cliënte die in haar eigen urine in bed ligt aan haar lot over om zich bezig te houden met de portemonnee. Op de camerabeelden is te zien dat [de verzoeker] in ieder geval de portemonnee heeft geopend, erin heeft gekeken, het mee buiten beeld heeft genomen en er geld in heeft gedaan. Dit wijst er op dat zij buiten beeld geld uit de portemonnee heeft gehaald. Dit wordt door [de verzoeker] bevestigd in het gesprek nadien op kantoor. Volgens [de verzoeker] heeft zij dit namelijk gedaan om geld voor de pedicure klaar te leggen. Jah-Jireh heeft zowel tijdens het gesprek op kantoor, als in de ontslagbrief, als tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat verpleegkundigen nooit geld hoeven te pakken uit de portemonnee van cliënten. Geld klaarleggen voor cliënten is geen beleid. Dit is door [de verzoeker] niet weersproken. Gelet hierop is het dan ook ongeloofwaardig dat [de verzoeker] geld heeft klaar willen leggen voor de cliënt en is het aannemelijk dat zij geld voor zichzelf heeft gepakt uit de portemonnee. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat [de bestuurder] en [medewerker] samen de portemonnee van cliënt hebben bekeken en hebben geconstateerd dat een bedrag van € 20,00 uit de portemonnee was verdwenen. Dat dit pas is gebeurd ná het ontslag van [de verzoeker] maakt niet dat het ontslag onterecht was. Dit was slechts de bevestiging dat er inderdaad geld was weggenomen.
4.10.
Met het voorgaande staat het voor de kantonrechter vast dat [de verzoeker] , zonder toestemming van de cliënt, geld heeft weggenomen. Daarmee heeft [de verzoeker] het door Jah-Jireh in haar gestelde vertrouwen ernstig en onherstelbaar beschadigd. Van Jah-Jireh kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Gezien de ernst van de handelswijze van [de verzoeker] , geld wegnemen van een cliënt, is een ontslag op staande voet een proportionele maatregel. Het feit dat [de verzoeker] ziek is en nog niet (volledig) is hersteld maakt dit niet anders.
4.11.
Dat brengt met zich dat de door [de verzoeker] verzochte vernietiging van dat ontslag, de veroordeling tot betaling van het loon en de nevenverzoeken die betrekking hebben op de gefixeerde schadevergoeding en de billijke vergoeding moeten worden afgewezen.
De transitievergoeding wordt afgewezen
4.12.
Het verzoek om Jah-Jireh te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is verleend. De feiten en omstandigheden die aan dat ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [de verzoeker] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Ingevolge artikel 7:673 lid 1 onder Pro c BW is daarom geen transitievergoeding verschuldigd.
Proceskosten
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van [de verzoeker] , omdat [de verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Jah-Jireh worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken af;
5.2.
veroordeelt [de verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] .
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.