Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2983

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11720215 CV EXPL 25-1486
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:226 BWArt. 7:230a BWArt. 7:290a BWArt. 8.5 huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over huurprijs en gebruik gehuurde na verkoop ouderlijk huis aan zoon

De ouders verkochten hun ouderlijk huis met bijbehorende opstallen aan hun zoon en diens partner. Vervolgens verhuurden zij een deel van de woning, een appartement in de schuur, van de zoon. Er ontstond een geschil over de huurprijs, het gebruik van het gehuurde en de vraag of de huurovereenkomst ontbonden kon worden vanwege vermeend strijdig gebruik met het bestemmingsplan.

De zoon vorderde onder meer een huurprijsverhoging naar € 950 per maand, betaling van achterstallige huur, ontruiming van het gehuurde en verwijdering van beveiligingscamera’s. De ouders voerden verweer en stelden dat de huurovereenkomst niet ontbonden kon worden en dat de huurprijs niet was verhoogd. De kantonrechter wees de ontbindingsvordering af omdat er geen voldoende belang was en het gebruik van het gehuurde conform de huurovereenkomst was.

De vorderingen tot huurprijsverhoging en betaling van achterstallige huur werden afgewezen wegens gebrek aan overeenstemming. De vordering tot verwijdering van beveiligingscamera’s werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Bewijslevering werd aangehouden over de vraag of de ouders de huurbetalingen van een onderhuurder aan de zoon moesten afdragen en of de overkapping tot het gehuurde behoorde.

De kantonrechter gaf partijen in overweging om alsnog tot een totaaloplossing te komen en hield verdere beslissingen aan in afwachting van bewijslevering.

Uitkomst: De ontbindingsvordering en huurprijsverhoging worden afgewezen, bewijslevering over huurbetalingen en overkapping wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11720215 \ CV EXPL 25-1486
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[naam eiser in conventie / verweerder in voorwaardelijke reconventie 1] ,

hierna afzonderlijk genoemd: de zoon,
2.
[naam eiser in conventie / verweerder in voorwaardelijke reconventie 2],
hierna afzonderlijk genoemd: [de eiser in conventie sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: de zoon c.s.,
gemachtigde: mr. R.H. van de Beeten,
tegen

1.[naam gedaagde in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie 1] ,

hierna afzonderlijk te noemen: de vader,
2.
[naam gedaagde in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie 2],
hierna afzonderlijk te noemen: de moeder,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: de ouders,
gemachtigde: mr. M.L.W.J.S. Knook.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte uitlating producties en akte houdende voorwaardelijke vermeerdering van eis
- de akte uitlating (voorwaardelijke) eisvermeerdering
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Van het overige verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben tot medio 2020 in de woning aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: de woning) gewoond. Naast de woning staat een grote schuur.
De woning en de schuur zijn met elkaar verbonden via een overkapping.
2.2.
De ouders hebben de schuur in 2004 opgeknapt en hebben daarin twee appartementen gerealiseerd.
2.3.
De ouders hebben vanaf 1 mei 2016 een zelfstandig appartement, dat onderdeel uitmaakt van de schuur, verhuurd aan de heer [huurder] .
2.4.
In 2017 heeft de zoon een relatie gekregen met [de eiser in conventie sub 2] , inmiddels zijn echtgenote.
2.5.
Op 8 juni 2020 hebben de ouders de woning met alle daarbij behorende opstallen verkocht aan de zoon c.s. voor een bedrag van € 260.000,00. De ouders hebben in dit kader een belastingvrije schenking van € 100.000,00 aan de zoon gedaan.
2.6.
Op 8 juli 2020 hebben de zoon en de vader een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. In de huurovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“(…)
HUUROVEREENKOMST BEDRIJFSRUIMTE -WOONRUIMTE
in de zin van artikel 7:230a BW
(…)
Het gehuurde, bestemming
1.1
Verhuurder verhuurt aan huurder en huurder huurt van verhuurder de bijgebouwen en buitenterrein hierna “het gehuurde” genoemd, gelegen: [adres] kad. Bekend [kadasterkenmerk] (…).
1.2
Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte en eventueel als woning.
(…)
Voorwaarden
2.1
Van deze huurovereenkomst maken deel uit de “ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST woonruimte in de zin van artikel 7:290a BW”, gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank te Den Haag op 17 februari 2015 (…).
Duur, verlenging en opzegging
3.1
Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd ingaande op 1 juli 2020 of zoveel eerder of later als partijen overeenkomen.
(…)
Huurprijs (…)
4.1
De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt :
€ 100,= per jaar.
(…)
4.4
Het boekjaar van huurder loopt van 1 januari tot en met 31 december.
4.5
De huurprijs wordt jaarlijks per 1 januari voor het eerst met ingang van 1 januari 2025 aangepast overeenkomstig 9.1 t/m 9.4 Algemene Bepalingen (CBS indexering).
(…)
Bijzondere bepalingen
(…)
8.4
Het in artikel 9.1 (Huurprijswijziging) van de Algemene Bepalingen genoemde basisjaar “2000 = 100” voor het prijsindexcijfer is gewijzigd in “2006 = 100”.
Marktprijsherziening
8.5
Onverminderd een huurprijsaanpassing op grond van 4.5 is elk der partijen bevoegd om herziening van de huurprijs aan de markt te verlangen.
Deze aanpassing kan voor het eerst plaatsvinden met ingang van 1 januari 2025 en vervolgens steeds na een periode van tenminste drie jaar na de laatste huurprijsherziening aan de markt.
(…)”
2.7.
De ouders hebben het gehuurde vervolgens geschikt gemaakt voor bewoning als (mantelzorg-)woning. Daarvoor waren aanzienlijke renovaties en investeringen nodig. De ouders en de zoon noemen in dat verband respectievelijk een bedrag van € 80.000,00 en
€ 60.000,00. Toen de verbouwing was afgerond zijn de ouders in één van de zelfstandige appartementen gaan wonen.
2.8.
Nadien zijn de onderlinge verhoudingen in de loop van de tijd verslechterd. Vanwege de gerezen geschillen tussen partijen woont de zoon met zijn echtgenote en dochtertje vanaf maart 2025 (tijdelijk) ergens anders.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De zoon c.s. vordert, na vermeerdering van eis, – samengevat – bij vonnis:
voorwaardelijk, namelijk voor zover de gemeente [woongemeente] (hierna: de gemeente) overgaat tot handhaving van het bestemmingsplan ten aanzien van het door de ouders bewoonde appartement in de schuur, de huurovereenkomst met betrekking tot het appartement in de schuur te ontbinden met ingang van een datum gelegen niet verder dan zes maanden na de aanzegging door de gemeente van handhaving van het bestemmingsplan,
voorwaardelijk, namelijk voor zover de vordering sub a wordt toegewezen: tot veroordeling van de ouders om uiterlijk per datum ontbinding over te gaan tot ontruiming van de woning in de schuur,
te verklaren voor recht dat tussen partijen vanaf 1 januari 2025 een huurprijs geldt van € 950,00,
e ouders te veroordelen over te gaan tot betaling van de achterstallige huur van
€ 950,00 per maand, ingaande 1 januari 2025, plus de wettelijke rente,
de ouders te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 450,00 per maand, zijnde de huur ontvangen door de ouders van [huurder] , vanaf 1 augustus 2023, plus de wettelijke rente, alsmede een bedrag van € 250,00 voor de periode 13 juli 2023 tot en met 31 juli 2023, plus rente,
de ouders te veroordelen om aan [huurder] de mededeling te doen dat de huur in het vervolg moet worden afgedragen aan de zoon c.s. en wel op straffe van verbeurte van een dwangsom,
de ouders te veroordelen om voor het parkeren van auto’s enkel gebruik te maken van de op productie 12 aangeduide vakken,
de ouders te veroordelen tot verwijdering van alle (beveiligings-)camera’s, althans buitenwerking stellen van op het woonhuis en bijbehorend erf gerichte camera’s, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
te verklaren voor recht dat de overkapping die zich bevindt tussen woning en bijgebouw behoort tot de woning en ieder geval niet tot het gehuurde,
de ouders te verbieden zich in die ruimte te begeven of daarvan op enigerlei wijze gebruik te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom,
de ouders te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De ouders voeren verweer. De ouders concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de zoon c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de zoon c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de zoon c.s. in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
3.4.
De ouders vorderen – samengevat – voorwaardelijk, namelijk in het geval de (voorwaardelijke) vordering in conventie tot ontbinding en ontruiming van het gehuurde wordt toegewezen, de zoon c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 80.000,00 plus de wettelijke rente.
3.5.
De zoon c.s. voert verweer. De zoon c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de ouders, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de ouders, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de ouders in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in voorwaardelijke reconventie

Geen ontbinding en ontruiming
4.1.
De zoon c.s. heeft aangegeven dat hij gezien de verwikkelingen tussen partijen geen mantelzorg meer zal gaan verlenen aan zijn ouders. Dat betekent volgens de zoon c.s. dat de ouders in strijd met het bestemmingsplan in het gehuurde wonen. De zoon c.s. wenst de huurovereenkomst dan ook voorwaardelijk te ontbinden, namelijk voor het geval de gemeente overgaat tot handhaving van het bestemmingsplan.
4.2.
Er is geen grondslag voor ontbinding van de huurovereenkomst omdat de zoon c.s. hierbij onvoldoende belang heeft. De vordering is namelijk alleen gericht op een hypothetische toekomstige situatie. Het is nog maar de vraag of de gemeente in een situatie als deze overgaat tot handhaving en zo ja, op welke termijn en in welke vorm. Daar komt bij dat niet gesteld of gebleken is dat de gemeente zich bij de zoon c.s. dan wel de ouders heeft gemeld, terwijl de zoon kennelijk al vanaf mei 2025 de woning heeft verlaten. Er is nog geen begin van bewijs dat de gemeente in een situatie als deze voornemens is om handhavend op te treden tegen het huidige gebruik van het gehuurde door de ouders. Bovendien heeft de zoon c.s. zelf aangegeven dat als de gemeente alleen een last onder dwangsom zal opleggen aan de ouders, er ook geen behoefte bestaat aan een voorwaardelijke ontbinding.
4.3.
Ook als de zoon c.s. wel voldoende belang bij de vordering zou hebben, zou de ontbindingsvordering zijn afgewezen omdat er geen sprake is van een tekortkoming, laat staan van een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Het was immers vanaf het begin af aan de bedoeling van partijen dat de ouders het gehuurde zouden gaan gebruiken als woonruimte (en niet als kantoorruimte of bedrijfsruimte). De ouders zijn op grond van de huurovereenkomst dan ook gehouden om het gehuurde als woonruimte te gebruiken en dit hebben zij ook op deze manier gedaan. Daaruit volgt dat de ouders het gehuurde naar de overeengekomen (huurrechtelijke) bestemming hebben gebruikt.
4.4.
De voorwaardelijke vorderingen onder a) en b) zullen daarom worden afgewezen.
4.5.
Gelet op het voorgaande wordt niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de tegenvordering van de ouders. Aan de voorwaarde waaronder de tegenvordering is ingesteld wordt niet voldaan.
Huurprijs niet € 950,00
4.6.
Een volgend geschilpunt tussen partijen gaat over de huurprijs. De zoon c.s. vordert om voor recht te verklaren dat tussen partijen vanaf 1 januari 2025 een huurprijs geldt van
€ 950,00 (waarschijnlijk is bedoeld: per maand). Daaraan gekoppeld wordt een veroordeling gevorderd tot betaling van de achterstallige huur vanaf 1 januari 2025.
4.7.
De ouders bestrijden dat de huurprijs vanaf 1 januari 2025 € 950,00 per maand zou bedragen.
4.8.
De vorderingen van de zoon c.s. kunnen niet worden toegewezen omdat de grondslag daarvoor ontbreekt. Uit de stellingen van de zoon c.s. zelf volgt niet dat partijen genoemde huurprijs van € 950,00 per maand zijn overeengekomen. In de dagvaarding wordt verwezen naar de brief van 23 januari 2024 waarin aan de ouders te kennen is gegeven dat “ [de zoon] afspraken wilde maken over een aanpassing van de huur…”. Vervolgens staat in de dagvaarding dat, na een huurprijscheck, “een voorstel (is) gedaan van € 950,00 per maand”, waarna wordt benoemd dat de ouders niet op het voorstel zijn ingegaan. Alleen al uit deze stellingen (met “afspraken” en “voorstel”) volgt dus juist niet dat de verhoogde huurprijs is overeengekomen omdat daarvoor aanvaarding van dat voorstel nodig is. Ook uit de gedragingen van partijen kan niet worden afgeleid dat zij die huurprijs zouden zijn overeengekomen.
4.9.
Dit betekent dat de vorderingen onder c) en d) zullen worden afgewezen.
4.10.
In (het lichaam van) de dagvaarding staat overigens dat – kennelijk op grond van artikel 8.5 van de huurovereenkomst - een verklaring voor recht zal worden gevraagd dat vanaf 1 januari 2025 een marktconforme huur is verschuldigd. Dat is vervolgens niet op die manier gevorderd, zodat hierover geen beslissing kan worden genomen.
Als het wel zou zijn gevorderd is het hoe dan ook de vraag of artikel 8.5 van de overeenkomst, of in ieder geval de manier waarop de zoon c.s. dit uitlegt, voldoet aan de grenzen die de wet stelt aan de wijze waarop huurprijsverhogingen kunnen worden doorgevoerd. De onderafdeling 7.4.5.2. BW en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bevatten namelijk regelingen voor het geval tussen partijen geen overeenstemming tot stand komt of om een eventueel overeengekomen aanpassing zo nodig te corrigeren. De zoon c.s. heeft niets aangevoerd waaruit zou zijn af te leiden dat aan die regels is voldaan.
Afdracht huurbetalingen [huurder] : bewijs
4.11.
Vaststaat dat vanaf 1 mei 2016 één van de zelfstandige appartementen in de schuur wordt verhuurd aan [huurder] . Op het moment dat de huurovereenkomst werd gesloten waren de ouders nog eigenaar van het gehele perceel. Door de overdracht van het perceel aan de zoon c.s. is de zoon c.s. in beginsel op grond van het bepaalde in artikel 7:226 BW Pro opvolgend verhuurder geworden. Maar partijen zijn het er kennelijk over eens dat de ouders één van de appartementen aan [huurder] in onderhuur heeft gegeven en er dus sprake is van een onderhuursituatie, zodat daarvan verder uit zal worden gegaan.
4.12.
De ouders ontvangen op dit moment de huurbetalingen van [huurder] ter hoogte van
€ 450,00 per maand. De zoon c.s. stelt zich op het standpunt dat hij op grond van een tussen partijen gemaakte afspraak vanaf 1 augustus 2023 recht heeft op de huurbetalingen van [huurder] . Volgens de zoon c.s. hebben partijen afgesproken dat de huur van [huurder] naar de zoon c.s. zou gaan als de zoon c.s. de tussen partijen gesloten lening van € 10.000,00 heeft afgelost. Die afspraak wordt door de ouders betwist.
4.13.
Omdat de door de zoon c.s. gestelde afspraak op dit moment niet kan worden vastgesteld, is het aan de zoon c.s. om in dit verband bewijs te leveren van zijn stelling. Daartoe zal hij in de gelegenheid worden gesteld. De beslissing op de vorderingen onder e) en f) worden aangehouden.
Parkeerplekken
4.14.
Partijen discussiëren ook over de vraag of alleen de ruimte voor twee auto’s nabij de toegang van de woning van de ouders tot het gehuurde behoort.
4.15.
In de huurovereenkomst staat vermeld dat de ouders het buitenterrein huren van de zoon c.s. Als door de ouders onweersproken gesteld staat vast dat dit (mede) omvat het gehele buitenterrein aan de voorzijde van de woning van de ouders, waar de ouders hun auto’s parkeren. Voor zover de zoon c.s. stelt dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst hebben afgesproken dat het gebruik beperkt zou zijn, in die zin dat de ouders maximaal twee auto’s zo dicht mogelijk bij de toegang van hun woning mogen parkeren, mist hiervoor een overtuigende onderbouwing.
4.16.
Dat partijen tijdens het overleg van 21 februari 2025 zijn overeengekomen dat het gebruik van het buitenterrein zou worden beperkt, zoals de zoon c.s. stelt, valt ook niet in te zien. De zoon c.s. verwijst in dit kader naar de brief van 7 maart 2025 van zijn gemachtigde waarin dit onderwerp aan bod komt en de reactie daarop van de gemachtigde van de ouders. Maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat er een definitieve afspraak is gemaakt over (het beperkte gebruik van) de parkeerplaatsen. De brief van 7 maart 2025 bevat alleen een overzicht van dat wat tijdens het overleg is besproken – zo staat ook op pagina 3 van de brief vermeld – en nog geen definitieve vastlegging van de afspraken. Dit blijkt ook uit de slotzin van deze brief waarin staat ‘
Gaarne verneem ik of we op deze basis tot een vervolg kunnen komen’, en uit de reactie van de gemachtigde van de ouders waarin wordt vermeld dat de ouders handhaving van het oude huurcontract wensen met een addendum over de nieuwe afspraken. Dat addendum over de nieuwe afspraken (over de parkeerplaatsen) is nooit tot stand gekomen.
4.17.
Dit betekent dat de vordering van de zoon c.s. onder g) zal worden afgewezen.
Verwijdering beveiligingscamera’s
4.18.
De vordering van de zoon c.s. die betrekking heeft op de verwijdering van (alle) beveiligingscamera’s wordt bij gebrek aan voldoende onderbouwing afgewezen. De ouders hebben aangevoerd dat zij niet beschikken over beveiligingscamera’s. Omdat dit door de zoon c.s. vervolgens niet is weersproken en hij zijn stelling ook niet op een andere manier heeft onderbouwd, zal de vordering onder h) worden afgewezen.
Overkapping: bewijs
4.19.
Tussen de woning van de zoon c.s. en de schuur van de ouders – waarin het appartement van de ouders is gerealiseerd – staat een overkapping. De overkapping is zowel verbonden aan de woning van de zoon c.s. als aan de schuur. De zoon c.s. vindt dat de overkapping niet tot het gehuurde behoort en de ouders vinden van wel.
4.20.
Op dit moment kan nog niet worden vastgesteld of de overkapping onder het gehuurde valt, zodat bewijslevering nodig is.
4.21.
Voor de beantwoording van de vraag of de overkapping onderdeel uitmaakt van
het gehuurde moet worden onderzocht wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het verhuurde, omtrent het gebruik voor ogen heeft gestaan. Hierbij is niet zonder meer beslissend de wijze waarop dit gebruik in de overeenkomst is omschreven of gekwalificeerd, aangezien het aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [1] Bij deze uitleg dient bovendien rekening te worden gehouden met alle bijzondere omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen.
4.22.
In de huurovereenkomst is vermeld dat de zoon aan de vader ‘de bijgebouwen en buitenterrein’ verhuurt. Niet beschreven is wat hieronder precies moet worden verstaan.
Vaststaat wel dat er ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst feitelijk ‘slechts’ twee bijgebouwen bestonden, namelijk de schuur en de overkapping. Als wordt uitgegaan van de tekst van de huurovereenkomst lijkt het er op dat de overkapping valt onder één van de genoemde bijgebouwen en dus onderdeel uitmaakt van het gehuurde. Het ligt in beginsel niet voor de hand dat, zoals de zoon c.s. stelt, de term ‘bijgebouwen’ in de huurovereenkomst slaat op de twee schuren die vóór 1995 op het perceel stonden en die in 1995 zijn samengevoegd tot één grote schuur.
4.23.
Maar zoals overwogen is het vooral van belang wat partijen vóór of tijdens het sluiten van de huurovereenkomst hebben besproken of voor ogen stond over het gebruik van de overkapping. Hierover hebben partijen zich (nog) niet expliciet uitgelaten. Als door de zoon c.s. onweersproken gesteld staat wel vast dat zowel het raam richting de woonkamer als de achterdeur van de woning zich onder de overkapping bevinden waardoor de zoon c.s. feitelijk veel gebruik maakt van de overkapping. Deze omstandigheid is een relevant gezichtspunt, maar dit alleen leidt nog niet tot de conclusie dat de overkapping niet aan de ouders is verhuurd.
4.24.
Daarom is nadere bewijslevering nodig. Omdat de zoon c.s. zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten draagt de zoon c.s. de bewijslast. De zoon c.s. zal daarom voor wat betreft de vordering onder i) in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren van zijn stelling dat de overkapping behoort tot de woning en in ieder geval niet tot het gehuurde. Op de vordering onder j) kan nog niet worden beslist, zodat ook die beslissing wordt aangehouden.
Alsnog overeenstemming beproeven
4.25.
Uit het voorgaande volgt dat partijen op een aantal punten duidelijkheid krijgen en op een aantal punten niet. Door de familieband tussen partijen en de mogelijk nog lange (juridische) weg die partijen hebben te gaan, geeft de kantonrechter partijen in overweging om te proberen alsnog overeenstemming - een totaaloplossing voor alle geschilpunten rondom de huursituatie - te bereiken.
4.26.
In afwachting van de eventuele bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5.De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter
5.1.
draagt de
zoon c.s.op te bewijzen:
  • dat partijen hebben afgesproken dat de huurbetalingen van [huurder] , na de aflossing van het door de zoon c.s. van de ouders geleende geld van € 10.000,00, aan de zoon c.s. zou toekomen;
  • dat de overkapping tot de woning behoort en geen onderdeel uitmaakt van het gehuurde,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 11 maart 2026voor uitlating door de zoon c.s. of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als de zoon c.s. geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.4.
bepaalt dat, als de zoon c.s.
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
maarttot en met
mei 2026dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. S.E. Sijsma, in het gerechtsgebouw te Zutphen, Martinetsingel 2,
5.6.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op
11 februari 2026.
(ldj)

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7356.