AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van bezwaren tegen ambtshalve vermindering en aanslagen IB/PVV en ZVW 2015-2020
Belanghebbende voerde beroep tegen afwijzing van bezwaren en ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) over de jaren 2015 tot en met 2020.
De inspecteur had de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, maar stemt in met rechtstreeks beroep tegen de afwijzende beschikkingen om inhoudelijk te kunnen beoordelen.
De rechtbank stelt vast dat voor de jaren 2015, 2016 en 2019 de bewijslast omgekeerd en verzwaard is vanwege het niet tijdig indienen van aangiften. De aanslagen voor 2015, 2016, 2017 en 2020 zijn niet te hoog vastgesteld, maar die voor 2019 wel. De aanslagen en belastingrente voor 2019 worden verminderd naar een belastbaar inkomen van €17.156 en een bijdrage-inkomen van €15.194. De verzuimboetes zijn terecht niet ambtshalve verminderd. Het griffierecht wordt aan belanghebbende terugbetaald.
Uitkomst: De aanslagen IB/PVV en ZVW voor 2019 worden verminderd, de overige beroepen worden ongegrond verklaard en de verzuimboetes blijven in stand.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/6264, 23/6266 tot en met 23/6269, 23/8120 en 23/8122 tot en met 23/8124
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar tevens inhoudende afwijzende beschikkingen ambtshalve vermindering van de inspecteur van 25 juli 2023 en 21 september 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015, 2016, 2017, 2019 en 2020 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) zoals weergegeven in de tabel hieronder.
De inspecteur heeft daarnaast voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend over een bijdrage-inkomen zoals weergegeven in de tabel hieronder.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en verzuimboetes opgelegd zoals weergegeven in de tabel hieronder.
Jaar
Belastbaar inkomen box 1
Bijdrage-inkomen ZVW
Belastingrente
Verzuim-boete
2015
€ 90.000
€ 6.590
€ 436 (IB/PVV)
€ 0 (ZVW)
€ 369
2016
€ 90.000
€ 3.338
€ 230 (IB/PVV)
€ 0 (ZVW)
€ 369
2017
€ 90.714
n.v.t.
€ 2.246 (IB/PVV)
geen
2019
€ 19.354
€ 17.500
€ 25 (IB/PVV)
€ 43 (ZVW)
€ 385
2020
€ 22.236
€ 0
€ 0 (IB/PVV
€ 0 (ZVW)
€ 385
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ook aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Die verzoeken heeft de inspecteur afgewezen. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende als volgt geregistreerd:
Zaaknummer
Heeft betrekking op
23/6264
IB/PVV 2015
23/6266
IB/PVV 2016
23/6267
IB/PVV 2017
23/6268
ZVW 2015
23/6269
ZVW 2016
23/8120
IB/PVV 2019
23/8122
ZVW 2019
23/8123
IB/PVV 2020
23/8124
ZVW 2020
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft tussen 2 januari 2025 en 5 januari 2026 meerdere pogingen gedaan om een zitting te plannen. Belanghebbende heeft echter steeds om uitstel verzocht en dit is (uiteindelijk) ook verleend. De rechtbank heeft in een bericht van 7 januari 2026 waarin het verleende uitstel wordt bevestigd belanghebbende verzocht de week van 16 maart 2026 tot en met 20 maart 2026 vrij te houden voor een zitting. Op 23 januari 2026 is een vooraankondiging gestuurd voor de zitting van 17 maart 2026 en op 5 februari 2026 is belanghebbende uitgenodigd voor die zitting. Op 26 februari 2026 heeft belanghebbende opnieuw om uitstel verzocht. De rechtbank heeft dit uitstelverzoek afgewezen. Op 15 maart 2026 heeft belanghebbende nogmaals om uitstel verzocht en – voor zover het uitstel zou worden afgewezen – verzocht om deelname via videoverbinding. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen en het verzoek om deelname via videoverbinding toegewezen en de Teamslink aan belanghebbende gestuurd. Op 17 maart 2026 vroeg in de ochtend heeft belanghebbende de rechtbank een bericht gestuurd waarin hij kenbaar heeft gemaakt niet deel te nemen aan de zitting, ook niet via videoverbinding.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].
Feiten
1. Belanghebbende drijft sinds 5 december 2014 een eenmanszaak onder de naam “[naam bedrijf 1]”. De naam is later gewijzigd in “[naam bedrijf 2]”.
2. Belanghebbende verkoopt meubels en woonaccessoires. Deze bood hij in de jaren 2014 tot en met 2020 te koop aan via Loods 5. Daarvoor huurde hij units in de winkels van Loods 5. Over de omzet was hij 10% commissie verschuldigd aan Loods 5.
3. Belanghebbende was bij aanvang van de onderneming full-time in loondienst bij Philips. Dit dienstverband eindigde in 2018.
4. Belanghebbende woont vanaf 2009 op het adres [locatie 1] in [plaats].
5. Belanghebbende is eigenaar van een woning aan de [locatie 2] in [plaats].
6. De inspecteur heeft belanghebbende voor alle jaren uitgenodigd om aangifte te doen voor de IB/PVV. Voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 heeft de inspecteur belanghebbende een herinneringsbrief en een aanmaning gestuurd. In het volgende overzicht is te zien wat de data waren van de uitnodigingen, de herinneringen en de aanmaningen en op welke datum de aangifte volgens de aanmaningen uiterlijk moest zijn ingediend:
Jaar
Datum uitnodigings-brief
Datum herinnerings-brief
Datum aanmaning
Uiterste datum aangifte
Aangifte ingediend
Ontv.datum aangifte
2015
28-2-2016
27-9-2016
4-11-2016
18-11-2016
nee
2016
28-2-2017
8-6-2017
7-7-2017
21-7-2017
nee
2017
28-2-2018
ja
20-8-2018
2019
28-2-2020
16-10-2020
25-11-2020
8-12-2020
nee
2020
27-2-2021
28-6-2021
2-8-2021
15-8-2021
ja
12-10-2021
7. Belanghebbende heeft alleen voor de jaren 2017 en 2020 een aangifte IB/PVV ingediend. Daarin heeft hij het volgende aangegeven:
Jaar
Loon
Uitkering
Belastbare winst
Verzamelinkomen
2017
€ 90.714
- € 69.974
€ 20.740
2020
€ 24.196
€ 3.957
- € 5.917
€ 22.236
8. De inspecteur heeft voor de jaren 2015, 2016 en 2019 ambtshalve aanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2017 is de inspecteur afgeweken van de aangifte en heeft het aangegeven verlies van € 69.974 niet geaccepteerd. De aanslag IB/PVV 2020 is opgelegd overeenkomstig de aangifte. De (ambtshalve) aanslagen IB/PVV zijn opgelegd naar de volgende inkomensbestanddelen:
Jaar
Loon
Uitkering
Resultaat overige werkzaamheden
Belastbare winst
Belastbaar inkomen box 1
Verzamel-inkomen
2015
€ 83.410
€ 6.590
€ 90.000
€ 90.000
2016
€ 86.662
€ 3.338
€ 90.000
€ 90.000
2017
€ 90.714
€ 90.714
€ 90.714
2019
€ 1.854
€ 17.500
€ 19.354
€ 19.354
2020
€ 24.196
€ 3.957
- € 5.917
€ 22.236
€ 22.236
9. Belanghebbende heeft op de volgende data alsnog (herziene) aangiften voor de IB/PVV ingediend:
Voor 2015: op 20 augustus 2018 en op 31 december 2020.
Voor 2016: op 20 augustus 2018, op 3 januari 2021 en op 23 oktober 2021.
Voor 2017: op 3 januari 2021, op 23 oktober 2021 en op 31 december 2022.
Voor 2019: op 7 februari 2023.
10. De inspecteur heeft de aangiften aangemerkt als bezwaren en als verzoeken om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft daarop beslist op de volgende data:
Voor 2015: bij uitspraak op bezwaar van 2 mei 2019 met betrekking tot de aangifte van 20 augustus 2018 en bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 met betrekking tot de aangifte van 31 december 2020.
Voor 2016: bij uitspraak op bezwaar van 2 mei 2019 met betrekking tot de aangifte van 20 augustus 2018, bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 met betrekking tot de aangiften van 3 januari 2021 en 23 oktober 2021.
Voor 2017: bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 met betrekking tot de aangiften van 3 januari 2021, 23 oktober 2021 en 31 december 2022.
Voor 2019: bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2023.
De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze buiten de bezwaartermijn zijn ontvangen. De verzoeken om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur afgewezen.
11. De inspecteur heeft een boekenonderzoek uitgevoerd bij belanghebbende. In het kader van dit boekenonderzoek zijn de aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 en 2017 beoordeeld. De inspecteur heeft een rapport opgemaakt met datum 19 november 2019.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf inzake de ontvankelijkheid van de bezwaren en de rechtstreeks beroepen
12. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende (in de vorm van aangiften) niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze te laat zijn ingediend. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint te lopen op de dag na de datum van de aanslag. [2] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. [3]
13. Vast staat dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende (in de vorm van aangiften) heeft ontvangen buiten de bezwaartermijn. Belanghebbende heeft geen reden gegeven waarom hij zijn bezwaren te laat heeft ingediend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verschoonbare termijnoverschrijding aannemelijk te achten. Dat betekent dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
14. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ook aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen. [4] De inspecteur heeft daarop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikkingen. Belanghebbende heeft echter geen bezwaar gemaakt tegen die beschikkingen. Voordat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank geldt wel als uitgangspunt dat eerst de bezwaarfase moet worden doorlopen. Dit kan anders zijn indien beide partijen instemmen met een rechtstreeks beroep en met het overslaan van de bezwaarfase.
15. De inspecteur heeft in dit geval in een brief van 11 maart 2024 akkoord gegeven voor het rechtstreeks beroep. Belanghebbende heeft zich in zijn beroepsschriften niet uitdrukkelijk uitgelaten over een rechtstreeks beroep. Omdat belanghebbende niet aanwezig was op de zitting heeft de rechtbank het hem ook niet kunnen voorhouden. Belanghebbende heeft in zijn beroepsschriften enkel inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de hoogte van de vastgestelde aanslagen. De rechtbank begrijpt daaruit dat belanghebbende wel in heeft/zou willen stemmen met een rechtstreeks beroep tegen de afwijzende beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering, nu dit de enige manier is voor de rechtbank om in deze beroepen tot een inhoudelijke beoordeling van de aanslagen te komen. Daar komt bij dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de brief van 11 maart 2024 van de inspecteur, waarin de inspecteur instemt met rechtstreeks beroep. Integendeel, ook na die datum heeft belanghebbende een veelheid aan inhoudelijke stukken overgelegd. De rechtbank zal daarom – mede om redenen van proceseconomie – de tegen de afwijzende beschikkingen gerichte beroepen aanmerken als rechtstreekse beroepen en daarop beslissen. [5]
Vooraf inzake het schorsingsverzoek
16. Belanghebbende heeft verzocht om schorsing van het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64 vanPro de Awb om hem in de gelegenheid te stellen de reconstructie van de administratie voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 af te ronden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te schorsen. De rechtbank heeft daarbij het volgende meegewogen. Belanghebbende heeft inmiddels al enige jaren de tijd gehad om zijn administratie inzichtelijk te krijgen en stukken daaruit te overleggen. Een verder uitstel om belanghebbende in de gelegenheid te stellen om alsnog een reconstructie van de administratie voor de verzochte jaren te overleggen acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Temeer omdat van meet af aan duidelijk was dat de gebrekkige administratie van belanghebbende het springende punt in de discussie tussen de Belastingdienst en belanghebbende was. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat belanghebbende in het kader van de reconstructie voor het jaar 2017 vlak voor de zitting de nodige stukken heeft overgelegd, die tegenstrijdigheden bevatten ten opzichte van eerder overgelegde stukken, niet volledig zijn en geen nieuwe inzichten opleveren met betrekking tot de aan de orde zijnde geschilpunten.
Geschil
17. De rechtbank beoordeelt de volgende geschilpunten:
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard voor de jaren 2015, 2016 en 2019?
Zijn de aanslagen IB/PVV en ZVW voor de jaren 2015, 2016, 2017, 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen opgelegd?
Heeft de inspecteur de verzuimboetes voor de jaren 2015, 2016, 2019 en 2020 terecht niet ambtshalve verminderd?
18. De rechtbank is van oordeel dat:
De bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard voor de jaren 2015, 2016 en 2019.
De aanslagen voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd, maar voor 2019 wel.
De verzuimboetes terecht niet ambtshalve zijn verminderd.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard voor de jaren 2015, 2016 en 2019?
19. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd en ook aangemaand om aangifte IB/PVV en ZVW te doen voor de jaren 2015, 2016 en 2019. Belanghebbende heeft de verzending van de uitnodigingen en de aanmaningen niet betwist. Belanghebbende heeft geen aangiften gedaan binnen de in de aanmaningen gestelde uiterste termijn. Belanghebbende heeft dus niet de vereiste aangiften gedaan voor de jaren 2015, 2016 en 2019. Daarom wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard.
Zijn de aanslagen niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
2015, 2016 en 2019
20. Voor deze jaren is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat houdt in dat de inspecteur de aanslagen moet baseren op een redelijke schatting. Die schatting mag niet willekeurig zijn. [6] Belanghebbende moet vervolgens overtuigend aantonen dat en in hoeverre de ambtshalve opgelegde (geschatte) aanslagen onjuist zijn.
21. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen voor de jaren 2015 en 2016 geschat op € 90.000 (zie 7.). Het belangrijkste deel daarvan bestaat uit het door belanghebbende genoten loon uit zijn dienstverband bij Philips. De inspecteur heeft bij zijn schatting daarnaast een beperkt resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen (€ 6.590 voor 2015 en € 3.338 voor 2016). Gelet op het feit dat belanghebbende naast zijn dienstverband ook een eenmanszaak dreef, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij daaruit ook inkomen genoot. Tussen partijen is niet in geschil dat die inkomsten winst uit onderneming vormen. De inspecteur heeft de inkomsten echter aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarom is bij het bepalen van het belastbaar inkomen door de inspecteur onterecht geen rekening gehouden met een MKB-winstaftrek van 14%. De inspecteur heeft zich de zitting op het standpunt gesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de redelijke schatting, omdat de belastbare winst in werkelijkheid nog hoger ligt dan wat in aanmerking is genomen. De rechtbank vat dit op als een beroep op interne compensatie en volgt de inspecteur hierin. Uit de uitspraak op bezwaar van 25 juli 2023 op pagina 7 volgt dat de inspecteur de belastbare winst voor 2015 heeft berekend op € 13.298 en voor 2016 op € 23.522 en op welke wijze hij dit heeft gedaan. De inspecteur heeft daarmee voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit valt af te leiden dat de redelijke schatting die hij heeft gedaan voor de jaren 2015 en 2016, ondanks dat uit is gegaan van de verkeerde bron, eerder te laag dan te hoog is.
22. Het is aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat de schattingen van de inspecteur onjuist zijn. Belanghebbende heeft voor de jaren 2015 en 2016 na het opleggen van de aanslagen alsnog aangiften IB/PVV ingediend. Volgens die aangiften is het belastbaar inkomen in box 1 voor de jaren 2015 en 2016 respectievelijk € 31.796 en € 26.731. Belanghebbende claimt voor beide jaren een verlies van ruim € 50.000. De inspecteur heeft deze geclaimde verliezen gemotiveerd bestreden. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de schattingen van de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 onjuist zijn.
23. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen voor 2019 geschat op € 19.354. Een beperkt deel daarvan (€ 1.854) bestaat uit door belanghebbende genoten loon. Daarnaast heeft de inspecteur bij zijn schatting een belastbare winst van € 17.500 in aanmerking genomen. De inspecteur heeft deze schatting (nagenoeg) niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft waaruit valt af te leiden dat de schatting voor 2019 niet onredelijk en dus niet willekeurig is. Het beroep met betrekking tot 2019 is daarom gegrond.
24. Belanghebbende heeft na het opleggen van de aanslag alsnog een aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het daarbij aangegeven inkomen in box 1 bedraagt € 17.156. De belastbare winst bedraagt € 15.194. De rechtbank zal het belastbaar inkomen in box 1 daarom vaststellen op € 17.156 en het bijdrage-inkomen voor de ZVW op € 15.194.
25. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de aanslagen IB/PVV en ZVW voor de jaren 2015, 2016 niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De aanslagen IB/PVV en ZVW voor het jaar 2019 zijn wel tot te hoge bedragen vastgesteld.
2017
26. Voor 2017 claimt belanghebbende een verlies van € 69.974. De inspecteur heeft dit verlies niet geaccepteerd, omdat belanghebbende bij het boekenonderzoek de kosten niet heeft onderbouwd.
27. De rechtbank overweegt als volgt. Een geclaimd verlies dan wel de aftrek van kosten is een belastingverlagend element en belanghebbende heeft daarvan de bewijslast. Belanghebbende heeft niets aangevoerd ter onderbouwing van het verlies of de kosten. Ook in de veelheid van stukken die belanghebbende vlak voor de zitting heeft overgelegd heeft de rechtbank niets aangetroffen dat het standpunt van belanghebbende onderbouwt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een verlies voor 2017 dan wel dat hij kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2017 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
2020
28. Voor 2020 heeft de inspecteur de aanslag opgelegd overeenkomstig de eerste door belanghebbende ingediende aangifte. Belanghebbende heeft op 7 februari 2023 een herziene aangifte ingediend waarbij hij een aftrek eigen woning claimt van € 12.724. De inspecteur heeft deze aftrek niet geaccepteerd, omdat de kosten betrekking hadden op de woning aan de [locatie 2] en belanghebbende niet in deze woning woont.
29. De rechtbank overweegt als volgt. De eigenwoningaftrek vormt een belastingverlagend element. Belanghebbende heeft daarom de bewijslast dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze aftrek. Uit de definitie van de eigen woning in de Wet IB 2001 volgt dat het moet gaan om een woning die de belastingplichtige duurzaam als hoofdverblijf ter beschikking staat. [7] Uit de stukken volgt dat de woning aan de [locatie 2] het bezoekadres is van de eenmanszaak van belanghebbende, maar dat hij woonachtig is op een ander adres. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning aan de [locatie 2] kwalificeert als eigen woning en dat hij voldoet aan de voorwaarden voor aftrek. De inspecteur heeft de aftrek daarom terecht niet geaccepteerd. Ook de aanslag IB/PVV 2020 is dus niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.
Zijn de verzuimboetes terecht niet ambtshalve verminderd?
30. Belanghebbende heeft tegen de gelijktijdig met de aanslag opgelegde boetebeschikkingen niet tijdig een rechtsmiddel aangewend. Dat betekent dat de boetebeschikkingen onherroepelijk vaststaan. De mogelijkheid van ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 ontneemt aan die boetebeschikkingen niet het definitieve karakter. [8] De rechtbank kan alleen beoordelen of de inspecteur ten onrechte heeft geweigerd om de verzuimboetes ambtshalve te verminderen.
31. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geoordeeld dat de boete, om andere redenen dan de te lange duur van de procedure moet worden verminderd. De inspecteur heeft de verzuimboetes dus terecht niet ambtshalve verminderd.
32. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of de boete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. [9] De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg bedraagt twee jaar. Die termijn is in dit geval gaan lopen op de datum van de boetebeschikking en eindigt met het doen van uitspraak door de rechtbank, waarbij de omstandigheid dat belanghebbende geen bezwaar heeft ingesteld tegen de boetebeschikking maar een verzoek om ambtshalve vermindering van de boete heeft gedaan meebrengt dat de redelijke termijn hiermee wordt verlengd. [10] Ondanks deze verlenging is sinds de datum van deze uitspraak in alle gevallen meer dan twee jaar verstreken. Omdat de boete niet meer dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [11]
33. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2020. Met betrekking tot 2019 geldt dat nu de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende aanslagen worden verminderd, de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig moeten worden verminderd.
Conclusie en gevolgen
34. De beroepen IB/PVV en ZVW voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2020 zijn ongegrond. Dat betekent dat die aanslagen en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De beroepen IB/PVV en ZVW met betrekking tot 2019 zijn gegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug dat met betrekking tot die beroepen in rekening is gebracht (€ 50) terug. De rechtbank heeft geconstateerd dat ook in zaaknummer 23/8123 griffierecht is geheven, maar omdat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van samenhang met de zaak 23/8120 is door de rechtbank opdracht gegeven om het te veel geheven griffierecht terug te storten. Er is niet verzocht om een proceskostenvergoeding en de rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen met de zaaknummers 23/6264, 23/6266, 23/6267, 23/6268, 23/6269, 23/8123 en 23/8124 ongegrond;
- verklaart de beroepen met de zaaknummers 23/8120 en 23/8122 gegrond;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.156;
- vermindert de aanslag ZVW 2019 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 15.194;
- vermindert de bij de aanslagen IB/PVV en ZVW 2019 behorende belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 15 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).