Belanghebbende exploiteerde een coffeeshop en deed voor 2007 aangifte inkomstenbelasting met een belastbaar inkomen van circa €190.000. Na het opleggen van de aanslag ontdekte de Inspecteur dat tussen oktober en november 2007 contante stortingen van €415.000 waren gedaan op de bankrekening van de coffeeshop. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarbij het belastbaar inkomen werd verhoogd met dit bedrag.
Belanghebbende voerde bezwaar aan en stelde dat de Inspecteur, ondanks de omkering en verzwaring van de bewijslast, aannemelijk moest maken uit welke bron de stortingen afkomstig waren. Het Hof oordeelde dat het aan belanghebbende is om de onjuistheid van de navorderingsaanslag overtuigend aan te tonen en dat de Inspecteur niet verplicht is de concrete bron te specificeren.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de Inspecteur wel voldoende aanknopingspunten moet bieden waaruit blijkt dat de correctie niet willekeurig is. In dit geval sloot de Inspecteur aan bij de door belanghebbende zelf gedane stortingen, en belanghebbende slaagde er niet in aan te tonen dat de correctie onjuist was. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond.