Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3008

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
445578
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 BWArt. 6:38 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting betaling en retentierecht bij aanneming van werk voor verbouwing molen

De zaak betreft een geschil tussen een aannemer en opdrachtgever over de uitvoering en betaling van werkzaamheden voor de verbouwing van een molen en de bouw van een woning. De aannemer vordert betaling van openstaande facturen, inclusief meerwerk, wettelijke rente en incassokosten, en stelt dat het retentierecht rechtmatig was. De opdrachtgever betwist de vorderingen, voert onder meer verweer tegen het retentierecht en stelt dat de aannemer tekort is geschoten in de uitvoering.

De rechtbank oordeelt dat de aannemingsovereenkomst door de opdrachtgever is opgezegd met de e-mail van 12 november 2024, waardoor de aannemer recht heeft op de aanneemsom minus besparingen. De rechtbank wijst het beroep op ontbinding af omdat de aannemer niet in verzuim was na ingebrekestelling. De meerwerkvorderingen van de aannemer worden grotendeels toegewezen, waarbij de rechtbank oordeelt dat de aannemer de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op prijsverhogingen en dat de opdrachtgever de noodzaak daarvan redelijkerwijs had moeten begrijpen.

De rechtbank verwerpt het beroep van de opdrachtgever op een contractuele boete wegens overschrijding van de opleveringstermijn, omdat geen fatale termijn was overeengekomen. Het retentierecht van de aannemer wordt echter afgewezen omdat hij niet de exclusieve feitelijke macht over de bouwplaats had toen hij dit uitoefende. De opdrachtgever handelde onrechtmatig door het retentierecht eigenmachtig te verbreken, maar de aannemer heeft geen recht op schadevergoeding voor de kosten die hij maakte in verband met het retentierecht.

De rechtbank veroordeelt de opdrachtgever tot betaling van € 74.867,34 exclusief rente en incassokosten aan de aannemer, met wettelijke rente en een opslag van 2% vanaf bepaalde data. De vorderingen van de opdrachtgever in reconventie worden afgewezen en de proceskosten worden grotendeels aan de opdrachtgever opgelegd, met compensatie van de kosten in reconventie.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de opdrachtgever tot betaling van € 74.867,34 exclusief rente en incassokosten aan de aannemer en wijst de vorderingen van de opdrachtgever in reconventie af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/445578 / HA ZA 24-619
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eisend bedrijf in conventie / verwerend in reconventie] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de eiser in conventie] ,
advocaat: mr. F.M. Aarts,
tegen

1.[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [de gedaagde in conventie] dan wel samen in enkelvoud te noemen: [de gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. H.T.L. Janssen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2025.
1.2.
Bij conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie hebben [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat zij niet zijn getrouwd en dat [de gedaagde sub 2] niet de achternaam van [de gedaagde in conventie] draagt. De rechtbank zal de achternaam van [de gedaagde sub 2] , in de dagvaarding omschreven als “ [de gedaagde sub 2] ”, rectificeren en de juiste naam staat ook in de kop van dit vonnis vermeld. Het is in dit geval voor de processuele wederpartij inmiddels kenbaar dat van een vergissing sprake was en [de eiser in conventie] is blijkens de conclusie van antwoord in reconventie door de vergissing en de rectificatie niet benadeeld of in zijn verdediging geschaad (zie HR 4 december 1998, NJ 1999, 269 en HR 14 december 2007, NJ 2008, 10).
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de gedaagde in conventie] is eigenaar van de [de molen] (de molen) aan de [adres] te [plaatsnaam] .
2.2.
In opdracht van [de gedaagde in conventie] zijn ten behoeve van de verbouwing van de molen en de bouw van een woning aan die molen de volgende voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd. MH Tekenwerk heeft in 2018 een technische omschrijving “renovatie [de molen] ” opgesteld, alsmede bestektekeningen. [bouwkundig adviseur 1] , adviseur voor bouwtechniek, heeft in 2018 constructieberekeningen uitgevoerd en constructietekeningen opgesteld. De architect heeft op 8 april 2022 een projectomschrijving “Renovatie [de molen] ” opgesteld (de projectomschrijving). Het project heeft (onder meer) vertraging opgelopen in het vergunningentraject en als gevolg van de coronacrisis.
2.3.
De projectomschrijving van 8 april 2022 houdt onder meer het volgende in:
1.2.3
Betalingen
(…) Voor te late oplevering wordt een korting van € 100,- excl. BTW per kalenderdag op de aanneemsom toegepast.
1.2.4
Verrekening meer- en minderwerken
Meer- en minderwerken slechts uitvoeren na voorafgaande goedkeuring door de directie.
De aannemer heeft geen recht op verrekening van meerwerk, waarvan de prijs vooraf niet schriftelijk is overeengekomen.
Indien zich meerwerk voordoet dient de aannemer de te besteden tijd vooraf af te stemmen met de directie. Het meerwerk zal tegen een uurtarief van EUR 35 (vijfendertig euro) per uur worden uitgevoerd.
(…)
1.2.7
Opleveringstermijn
De oplevering zal plaatsvinden in overleg directie en aannemer. Datum oplevering wordt vastgelegd bij de opdracht.
(…)
1.2.10
Planning
De aannemer dient een planning ter goedkeuring bij de directie in.
2.4.
[de eiser in conventie] is aannemer en heeft op 4 juni 2018 voor de verbouwing van de molen en de bouw van de woning aan die molen een offerte uitgebracht aan [de gedaagde in conventie] .
De offerte is nadien meerdere keren aangepast.
2.5.
De laatste door [de eiser in conventie] uitgebrachte offerte -waarin de door [de eiser in conventie] te verrichten werkzaamheden uitgebreid en gedetailleerd worden omschreven- dateert van 2 mei 2023.
In de offerte is vastgelegd dat de datum van aanvang van het werk alsmede de datum van oplevering nader zullen worden bepaald.
Verder worden in de offerte de ontvangen stukken genoemd, te weten: tekeningenset nummer 01 tot en met 16.7 van 15 maart 2018, geotechnisch onderzoek 2017-2022 van 30 januari 2018, constructieberekeningen van 14 februari 2018 en constructietekeningen B-01 tot en met B03 van 14 februari 2018.
2.6.
[de eiser in conventie] en [de gedaagde in conventie] hebben op 12 mei 2023 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten “
met Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013 (AVA 2013).” In de aannemingsovereenkomst staat achter de omschrijving van het werk:

Verbouwing/aanbouw van de [de molen] te [plaatsnaam] conform onze offerte met uitwerkdatum 2 mei 2023.De offerte zal leidend zijn.”
2.7.
[de gedaagde in conventie] heeft [de eiser in conventie] op 28 mei 2023 de overeenkomst getekend teruggestuurd en hem per e-mail bericht:
Met enige vertraging zenden we je de aanneemovk getekend retour. Kan jij hem ook tekenen en aan ons terugsturen?
Bij de overeenkomst maken we de volgende opmerkingen.
(…)
3. Het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt.
4. Prijsdalingen zullen worden doorgevoerd waar mogelijk.
5. Prijsstijgingen zullen voorafgaand ter goedkeuring met opdrachtgever worden afgestemd. (…)
2.8.
In de AVA 2013 komen onder meer de volgende passages voor:
Artikel 2: Overeenkomst Pro en contractstukken
1. De overeenkomst komt tot stand door aanvaarding van de offerte door de opdrachtgever.
2. Indien een opdracht wordt gegeven door twee of meer opdrachtgevers zijn zij hoofdelijk verbonden en heeft de aannemer tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel.
3. Tegenstrijdigheden in of tussen contractstukken worden, met inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie deze zijn opgesteld. Dit laat onverlet de verplichting van partijen om elkaar te waarschuwen in geval van klaarblijkelijke tegenstrijdigheden.(…)
Artikel 6: Meer Pro en minder werk1. Verrekening van meer en minder werk vindt plaats:a. ingeval van wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering;
b. ingeval van afwijkingen van de bedragen van de stelposten;c. ingeval van afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden;
2. In geval van door de opdrachtgever gewenste wijzigingen in de overeenkomst dan wel in de voorwaarden van uitvoering kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.3. Wijzigingen in de overeenkomst dan wel de voorwaarden van uitvoering zullen- behoudens spoedeisende omstandigheden - schriftelijk of elektronisch worden overeengekomen. Het gemis van een schriftelijke of elektronische opdracht laat de aanspraken van de aannemer en van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet. Bij gebreke van een schriftelijke opdracht rust het bewijs van de wijziging op degene die de aanspraak maakt.4. Stelposten zijn in de overeenkomst genoemde bedragen, die in de aannemingssom zijn begrepen en die bestemd zijn voor hetzija. het aanschaffen van bouwstoffen;
b. het aanschaffen van bouwstoffen en het verwerken daarvan;
c. het verrichten van werkzaamheden, welke op de dag van de overeenkomst onvoldoende nauwkeurig zijn bepaald en welke door de opdrachtgever nader moeten worden ingevuld. Ten aanzien van iedere stelpost wordt in de overeenkomst vermeld waarop deze betrekking heeft.
5. Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven wordt gerekend met de aan de aannemer berekende prijzen respectievelijk de door hem gemaakte kosten, te verhogen met een aannemersvergoeding van 10%.
(…)
9. (…) Tenzij anders is overeengekomen zal minder werk door de aannemer worden verrekend bij de eindafrekening. (…)
Artikel 10: Uitvoeringsduur Pro, uitstel van oplevering en schadevergoeding wegens te late oplevering
1. Indien de termijn, waarbinnen het werk zal worden opgeleverd, is uitgedrukt in werkbare werkdagen, wordt onder werkdag verstaan een kalenderdag, tenzij deze valt op een algemeen of ter plaatse van het werk erkende, of door de overheid dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst voorgeschreven rust- of feestdag, vakantiedag of andere niet individuele vrije dag (…).2. De aannemer heeft recht op verlenging van de termijn waarbinnen het werk zal worden opgeleverd indien door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden, dan wel als gevolg van meer en minder werk, niet van de aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd.
3. Bij overschrijding van de overeengekomen bouwtijd is de aannemer een gefixeerde schadevergoeding aan de opdrachtgever verschuldigd van € 40 per werkdag tot de dag waarop het werk aan de opdrachtgever wordt opgeleverd, behoudens voor zover de aannemer recht heeft op bouwtijdverlenging. Voor de toepassing van dit lid wordt als dag van oplevering aangemerkt de dag waarop het werk volgens de aannemer gereed was voor oplevering, mits het werk vervolgens als opgeleverd geldt, dan wel de dag van ingebruikneming van het werk door de opdrachtgever.
4. De gefixeerde schadevergoeding is zonder ingebrekestelling verschuldigd en kan worden verrekend met hetgeen de aannemer nog toekomt.
5. De gefixeerde schadevergoeding bedraagt bij een overeengekomen aannemingssom kleiner of gelijk aan € 20.000 ten hoogste 25% van die aannemingssom en bij een overeengekomen aannemingssom groter dan € 20.000 ten hoogste 15% van die aannemingssom. (…)
Artikel 11: In Pro gebreke blijven van de opdrachtgever
1. Indien de opdrachtgever met de betaling van hetgeen hij ingevolge de overeenkomst aan de aannemer verschuldigd is in gebreke blijft, is hij daarover met ingang van de vervaldag de wettelijke rente verschuldigd. Indien na verloop van 14 dagen na de vervaldag nog geen betaling heeft plaatsgevonden, wordt het in de voorgaande zin bedoelde rentepercentage met 2 verhoogd.
2. Indien de opdrachtgever niet tijdig betaalt, is de aannemer gerechtigd tot invordering van het verschuldigde over te gaan, mits hij de opdrachtgever schriftelijk of elektronisch heeft aangemaand om alsnog binnen 14 dagen te betalen en die betaling is uitgebleven. Indien de aannemer tot invordering overgaat, zijn de daaraan verbonden buitengerechtelijke kosten voor rekening van de opdrachtgever, mits de hoogte hiervan in de aanmaning is vermeld. De aannemer is gerechtigd hiervoor in rekening te brengen het bedrag conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (…).
4. Indien de opdrachtgever enige op hem rustende verplichting niet nakomt, is de aannemer gerechtigd het werk te schorsen tot het moment waarop de opdrachtgever deze verplichting is nagekomen, dan wel het werk in onvoltooide staat te beëindigen, mits de aannemer de opdrachtgever vooraf schriftelijk of elektronisch op deze gevolgen van het niet-nakomen heeft gewezen. Het in de vorige zin bepaalde laat onverlet het recht van de aannemer op vergoeding van schade, kosten en rente. (…).6. Indien op grond van dit artikel sprake is van schorsing respectievelijk beëindiging in onvoltooide staat, is het bepaalde in artikel 14 lid 5 van Pro toepassing.(…)
Artikel 13: Opschorting Pro van de betaling
Indien het uitgevoerde werk niet voldoet aan de overeenkomst heeft de opdrachtgever het recht de betaling geheel of gedeeltelijk op te schorten. Het met de opschorting gemoeide bedrag dient in redelijke verhouding te staan tot de tekortkoming. De opdrachtgever meldt schriftelijk of elektronisch de opschorting en de reden daarvan aan de aannemer.
Artikel 14: Schorsing Pro, beëindiging van het werk in onvoltooide staat en opzegging
(…) 5. De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. De aannemer heeft in dat geval recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten (…).
2.9.
De aanneemsom bedraagt € 334.277,00 exclusief btw en € 404.475,17 (inclusief 21% btw), waarbij het doorberekenen van prijsstijgingen tijdens de bouw is voorbehouden.
2.10.
[de gedaagde in conventie] heeft op 4 oktober 2023 van [de eiser in conventie] een “
Voorlopige planning de Molen [plaatsnaam] .” ontvangen. Als einddatum van de werkzaamheden van [de eiser in conventie] is daarin uitgegaan van 9 februari 2024.
2.11.
[de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] per e-mail van 27 oktober 2023 het volgende bericht over “steiger ivm stucadoor”:
(…)
Montage en demontage steiger geeft een meerprijs op de offerte van € 993,00
Huur steiger per week € 332,00
(…)
2.12.
Per e-mail van 2 november 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] de kosten voor het zetwerk geoffreerd en daarbij vermeld
“De totaalprijs is €16.050 excl btw”.
2.13.
Op 21 november 2023 heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] het volgende per e-mail bericht over “stalen hoeken”:
(…) De hoeken op maat gemaakt kosten €2990,00 ex btw
Plaatsen incl bevestigingsmateriaal €1160,00 ex btw (…)
2.14.
Het werk was op 9 februari 2024 niet gereed om opgeleverd te worden.
2.15.
In de aannemingsovereenkomst is vastgelegd dat de aannemingsovereenkomst in 10 termijnen zal worden betaald, telkens binnen 10 dagen na factuurdatum.
2.16.
[de gedaagde in conventie] heeft de eerste 8 facturen betaald.
De 9e termijn (10 % van de aanneemsom) is verschuldigd na “leveren tegels”.
De 10e termijn (5% van de aanneemsom) is verschuldigd “voor/bij oplevering”.
2.17.
[de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd op 13 februari 2024 voor € 25.877,06 (inclusief btw). Na een correctie van die factuur heeft [de gedaagde in conventie] € 24.097,15 betaald.
2.18.
Op 21 maart 2024 heeft [de eiser in conventie] materialen voor buitenstucwerk gefactureerd voor € 66.620,65 (inclusief btw). [de gedaagde in conventie] heeft deze factuur betaald.
2.19.
[de eiser in conventie] heeft [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd op 15 mei 2024 voor
€ 23.556,04 (inclusief btw). Die factuur is aangepast wegens het vervallen van “voordeur hout” en van het vervallen van “aanpassing dakluik” tot € 13.215,38 en door [de gedaagde in conventie] betaald.
2.20.
[de eiser in conventie] heeft op 15 mei 2024 de factuur voor de 9e termijn aan [de gedaagde in conventie] verzonden onder vermelding van “10% van de aanneemsom, leveren tegels.”
(€ 33.427,70 exclusief btw en € 40.447,52 inclusief btw). De factuur kent een betalingstermijn van 10 dagen. Betaling van deze factuur heeft niet binnen deze termijn plaatsgevonden.
2.21.
[de eiser in conventie] heeft per e-mail van 31 mei 2024 onder meer het volgende aan [de gedaagde in conventie] medegedeeld:

De faktuur van het 9e termijn zal zoals vanmorgen besproken, worden voldaan na het leggen van de cementdekvloer.”
2.22.
De cementdekvloer is op 12 juni 2024 gestort. Betaling van de 9e termijn is echter uitgebleven.
2.23.
[de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 26 juni 2024 onder meer aan [de eiser in conventie] bericht:
Wij verwachten dat morgen weer mensen op de bouw zijn om de doorgangen af te werken en de overige werkzaamheden af te werken. Wanneer je hiervan af ziet en er wederom niemand op de bouw is om de overige werkzaamheden af te ronden als ook de garagedeur te plaatsen zullen wij alle toekomstige betalingen opschorten totdat je de gemaakte afspraken nakomt. Dit geldt dan ook voor eventuele termijnbetalingen.
2.24.
[de gedaagde in conventie] heeft bij e-mail van 21 juli 2024 aan [de eiser in conventie] laten weten dat in strijd met de gemaakte afspraken [de eiser in conventie] de afgelopen week niet op het werk is verschenen en dat hij iedere betaling opschort totdat [de eiser in conventie] de werkafspraken nakomt.
2.25.
[de gedaagde in conventie] heeft op de factuur voor de 9e termijn op 23 juli 2024 en 25 augustus 2024 telkens een bedrag van € 6.000,00 aan [de eiser in conventie] betaald. [de gedaagde in conventie] heeft per
e-mail van 8 augustus 2024 (tijdens de bouwvak) onder meer het volgende aan [de eiser in conventie] medegedeeld:
Je bent nu 6 maanden te laat met de oplevering en in de afgelopen 7 weken is er sporadisch (nog geen 4 volle dagen) iemand van jullie team op de bouw geweest. Er is dan ook nagenoeg niks door jouw team gedaan en de werkzaamheden die gedaan zijn zijn kwalitatief zo slecht dat, door ons ingeschakelde derden, deze werkzaamheden hebben moeten corrigeren of dat het overnieuw gedaan moest worden (bijvoorbeeld: Doorgangen molen, muurtje badkamer, trap, trappengat etc). (…)
Wij stellen jou (…) hierbij dan ook in gebreke (…) en sommeren jullie de nog te verrichten werkzaamheden zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor eind augustus 2024 af te ronden (…).
Zoals reeds eerder aangegeven zullen wij zodra het werk goed en volledig is uitgevoerd, het nog niet betaalde deel van het overeengekomen bedrag aan jullie overmaken.
Wanneer jullie niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoen, behouden wij ons het recht voor om het herstel door een andere partij te laten uitvoeren. Eventuele kosten of hierdoor ontstane schade zullen wij hiervoor op jullie verhalen (…).
2.26.
Op 21 augustus 2024 heeft [de eiser in conventie] met [de gedaagde in conventie] alle openstaande punten in het werk doorgenomen.
[de gedaagde in conventie] heeft vervolgens op 22 augustus 2024 een e-mail aan [de eiser in conventie] verzonden met de punten die volgens hem nog open stonden.
[de eiser in conventie] heeft daarop per e-mail van 28 augustus 2024 gereageerd, waarbij hij heeft aangegeven wat er wel en wat er niet klopt aan de door [de gedaagde in conventie] opgesomde punten.
[de gedaagde in conventie] heeft per e-mail van 30 augustus 2024 zijn reactie aan [de eiser in conventie] kenbaar gemaakt.
[de eiser in conventie] en [de gedaagde in conventie] zijn niet tot overeenstemming met elkaar gekomen over de afronding van de werkzaamheden.
2.27.
[de eiser in conventie] heeft per factuur van 18 september 2024 aan [de gedaagde in conventie] meerwerk gefactureerd ad € 36.876,75 inclusief btw (€ 30.476,65 exclusief btw) onder vermelding van: “
Betaling gaarne binnen 10 dagen (…).” In deze factuur is minderwerk verdisconteerd.
Nadien heeft [de eiser in conventie] twee posten van deze meerwerkfactuur naar beneden bijgesteld en gecrediteerd met de factuur van 13 juni 2025 voor de 10e termijn.
Betaling door [de gedaagde in conventie] van de meerwerkfactuur van 18 september 2024 is uitgebleven.
2.28.
Mr. [bouwkundig adviseur 2] , werkzaam bij Bouwend Nederland advies, heeft bij brief van 20 september 2024 namens [de eiser in conventie] aan [de gedaagde in conventie] laten weten dat de volgende onderdelen nog uitgevoerd moeten worden: “
tegels ter plaatse van balkon”; “
balustrade (stelpost)”; “
aftimmeren deurkozijnen” en “
plaatsen vloerplinten”.
Namens [de eiser in conventie] heeft mr. [bouwkundig adviseur 2] [de gedaagde in conventie] daarbij gesommeerd om het restant van de factuur van de 9e termijn, zijnde een bedrag van € 28.447,52 binnen 15 dagen te voldoen onder vermelding dat bij uitblijven van betaling aanspraak wordt gemaakt op rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.059,48. Van deze tevens per
e-mail verzonden brief heeft mr. [bouwkundig adviseur 2] een leesbevestiging ontvangen.
2.29.
Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft bij brief van 11 oktober 2024 [de gedaagde in conventie] ook gesommeerd om binnen 5 dagen -naast het restant van de factuur van de 9e termijn- ook de meerwerknota van 18 september 2024 ad € 36.876,75 te betalen. [de gedaagde in conventie] heeft niet betaald.
2.30.
[de eiser in conventie] heeft op 18 oktober 2024 -onder het plaatsen van borden waarop wordt aangegeven dat hij van zijn retentierecht gebruik maakt- de bouwplaats afgesloten. Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft [de gedaagde in conventie] per brief van 18 oktober 2024 over de uitoefening van het retentierecht geïnformeerd.
2.31.
[de gedaagde in conventie] heeft zich dezelfde dag nog toegang tot de bouwplaats verschaft en heeft daarbij de sloten vervangen.
2.32.
Mr. [bouwkundig adviseur 2] heeft [de gedaagde in conventie] bij brief van 25 oktober 2024 nogmaals -tevergeefs- gesommeerd tot betaling, binnen 15 dagen vanaf bezorging van de brief, van het restant van de 9e termijn alsmede van de (naar een bedrag van € 35.130,72) bijgestelde meerwerkfactuur van 18 september 2024 onder aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel.
2.33.
[de eiser in conventie] heeft op 1 november 2024 bij de politie aangifte gedaan van vernieling en het verbreken van het retentierecht door [de gedaagde in conventie] .
2.34.
Tussen partijen is een impasse ontstaan: [de eiser in conventie] wilde pas verder gaan met zijn werkzaamheden nadat [de gedaagde in conventie] het restant van de 9e termijnfactuur had betaald en [de gedaagde in conventie] wenste pas te betalen nadat [de eiser in conventie] haar werkzaamheden had voltooid.
2.35.
Bij brief van 6 november 2024 heeft [de eiser in conventie] zich om de ontstane impasse te doorbreken jegens [de gedaagde in conventie] bereid verklaard om het werk te voltooien, zodat het werk kon worden opgeleverd en heeft hij [de gedaagde in conventie] verzocht om toegelaten te worden tot het werk.
2.36.
[de gedaagde in conventie] heeft daarop bij e-mail van 12 november 2024 aan de raadsman van [de eiser in conventie] laten weten dat [de eiser in conventie] niet meer in de gelegenheid zal worden gesteld om werkzaamheden op de bouw uit te voeren.
2.37.
Bij vonnis in incident van deze rechtbank van 5 maart 2025 is de vordering van [de eiser in conventie] , strekkende tot -kort gezegd- herstel van het retentierecht voor de duur van het geding op grond van een belangenafweging afgewezen, met veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van het incident.
2.38.
[de eiser in conventie] heeft op 13 juni 2025 de factuur voor de 10e termijn ad € 16.713,85 (exclusief btw) opgesteld en bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht en haar eis daarop aangepast.
In deze factuur heeft [de eiser in conventie] daarnaast voor montage en demontage van de steiger en transport en handelingen de eerder aangekondigde minderprijs van in totaal € 1.443,00 (exclusief btw) doorgevoerd.
Verder heeft [de eiser in conventie] wegens “
Besparing aftimmeren kozijnen en plinten” een bedrag van € 804,07 in mindering gebracht, voor “
Besparing balustrade balkon” een bedrag van
€ 5.200,00 (“
totaal € 6.000,00 minus: ankers leveren/lassen, winst en risico”) en voor “
Besparing rubberen tegels balkon” een bedrag van € 1.379,95 (“
totaal € 1.533,28 minus: winst en risico”), alle bedragen exclusief btw.
De factuur komt daarmee uit op een door [de gedaagde in conventie] te betalen bedrag van € 9.543,06 (inclusief btw ad € 1.656,23).
[de gedaagde in conventie] heeft ook deze factuur niet betaald.
2.39.
[de gedaagde in conventie] is in december 2024 naar de molen (-woning) verhuisd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de eiser in conventie] vordert -na wijziging c.q. vermeerdering van eis- samengevat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht verklaart dat het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht rechtmatig
was en dat [de gedaagde in conventie] het retentierecht onrechtmatig heeft verbroken;
b. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 74.876,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum, welke rente dient te worden vermeerderd met 2% vanaf 14 dagen na het verstrijken van de betaaltermijn, dan wel subsidiair de wettelijke rente vanaf de vervaldatum;
c. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.207,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum;
d. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.858,36;
e. [de gedaagde in conventie] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
[de eiser in conventie] legt aan de uiteindelijke vordering het volgende ten grondslag.
[de gedaagde in conventie] c.s. heeft door hem op 12 november 2024 de toegang tot het werk te ontzeggen de aannemingsovereenkomst per die datum opgezegd. [de eiser in conventie] heeft op grond van artikel 7:764 BW Pro recht op de voor het hele werk geldende prijs minus de besparingen.
[de gedaagde in conventie] is in verzuim met betaling van de volgende facturen: a) restant factuur 9e termijn (€ 28.477,52), b) meerwerkfactuur (€ 36.875,75) en c) factuur 10e termijn (€ 9.543,06).
De AVA 2013 zijn van toepassing en [de eiser in conventie] maakt op grond daarvan aanspraak op de wettelijke rente, te vermeerderen met 2% vanaf 14 dagen na de vervaldag.
Zijn retentierecht was gegrond en [de gedaagde in conventie] mocht dit recht niet eigenhandig verbreken. [de gedaagde in conventie] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld en daarbij aan [de eiser in conventie] schade berokkend ten bedrage van € 1.207,17. [de gedaagde in conventie] dient die schade aan hem te vergoeden.
[de eiser in conventie] heeft kosten gemaakt om nakoming buiten rechte te verkrijgen. Op grond van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten heeft hij jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak op een bedrag van € 1.858,36.
3.3.
[de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] .
3.4.
[de gedaagde in conventie] voert onder meer het volgende aan.
Bedingen in de AVA 2013 zijn vernietigbaar op grond van artikel 6:233 aanhef Pro en onder b BW. Omdat [de eiser in conventie] zijn werkzaamheden niet voltooide, althans niet voortvarend en in een aangesloten periode voortzette, kwam [de eiser in conventie] op 1 september 2024 in verzuim te verkeren. Ook nadien heeft hij [de eiser in conventie] tevergeefs aangespoord om alsnog aan de overeenkomst uitvoering te geven. Door anderhalve maand later een beroep te doen op haar vermeend retentierecht heeft [de eiser in conventie] er blijk van gegeven geen uitvoering meer te zullen geven aan de overeenkomst. [de gedaagde in conventie] doet een beroep op partiële ontbinding van de overeenkomst per 18 oktober 2024 voor zover de overeenkomst door [de eiser in conventie] nog niet is nagekomen. De e-mail van [de gedaagde in conventie] van 12 november 2024 kan daarom niet worden beschouwd als opzegging. [de eiser in conventie] heeft geen aanspraak op de hele aanneemsom minus de besparingen.
De (meer- en minderwerk-)facturen van 13 februari 2024, 21 maart 2024, 15 mei 2024 en 18 september 2024 zijn (deels) onjuist. Zo heeft [de eiser in conventie] over een aantal posten onterecht btw in rekening gebracht. Dit is een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk (artikel 6:193d lid 2 jo 193e lid 1 sub c jo. 193b lid 3 BW). Om die reden dient partiële vernietiging te volgen en heeft [de gedaagde in conventie] de btw onverschuldigd betaald. [de eiser in conventie] heeft ook niet voldaan aan zijn informatieplicht jegens [de gedaagde in conventie] als consument. Daarom dient als sanctie de prijs met 20% te worden verminderd.
Aan [de eiser in conventie] kwam geen retentierecht toe omdat [de eiser in conventie] toen in verzuim verkeerde en hij op [de gedaagde in conventie] dus geen opeisbare vordering had. Het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht vormde een inbreuk op zijn eigendomsrecht en [de gedaagde in conventie] mocht die inbreuk eigenhandig ongedaan maken. Daarbij heeft hij geen schade toegebracht aan [de eiser in conventie] .
Voor zover [de gedaagde in conventie] nog enige betaling aan [de eiser in conventie] verschuldigd zou zijn, verrekent hij het verschuldigde bedrag met hetgeen hij (in reconventie) nog van [de eiser in conventie] te vorderen heeft.
3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[de gedaagde in conventie] vordert -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [de eiser in conventie] veroordeelt tot betaling van € 64.397,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.
3.7.
[de gedaagde in conventie] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.
[de eiser in conventie] heeft de offerte verstrekt op basis van het bestek. In het bestek staan de kernprestaties van de overeenkomst. [de gedaagde in conventie] heeft de offerte van [de eiser in conventie] aanvaard onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het bestek leidend zou zijn. [de eiser in conventie] heeft deze voorwaarde aanvaard. Het bestek (en niet de offerte) is dus leidend.
[de eiser in conventie] overschreed de contractuele bouwplanning en bouwtermijn (punt 1.2.7. en 1.2.10 bestek). Hij is met [de eiser in conventie] overeengekomen dat het werk op 9 februari 2024 zou worden opgeleverd. [de eiser in conventie] is er niet in geslaagd om het werk tijdig op te leveren. Op grond van punt 1.2.3 van het bestek maakt hij jegens [de eiser in conventie] wegens overschrijding van de opleveringstermijn primair aanspraak op een korting op de aanneemsom van € 100,00 per kalenderdag. Berekend tot de dag waarop [de eiser in conventie] het retentierecht uitoefende (18 oktober 2024) bedraagt de korting € 25.200,00. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] wegens de vertraging in de uitvoering van het werk een vergoeding van € 13.537,25 voor (met name) extra woonlasten.
[de eiser in conventie] heeft verder tot een bedrag van in totaal € 27.883,08 teveel aan hem gefactureerd.
[de eiser in conventie] heeft een aantal van de overeengekomen werkzaamheden niet verricht. Tevens heeft [de eiser in conventie] bij de uitoefening van het werk diverse zaken die derden reeds hadden voltooid, beschadigd. [de eiser in conventie] heeft de schade niet hersteld. [de eiser in conventie] is gehouden deze schade aan hem te vergoeden. Ter zake van niet verrichte (herstel-) werkzaamheden dient [de eiser in conventie] aan hem te betalen bedrag van € 33.733,93.
Bij de uitoefening van het retentierecht heeft [de eiser in conventie] schade toegebracht aan zowel de molenromp als aan de aanbouw. [de gedaagde in conventie] heeft een deskundige ingeschakeld om de omvang van de schade vast te stellen. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad
€ 1.352,18 aan hem te vergoeden. De deskundige heeft de door [de eiser in conventie] toegebrachte schade begroot op een bedrag van € 4.600,65. [de eiser in conventie] weigerde de sleutels van de molenromp met aanbouw aan hem terug te geven. Hierdoor was [de gedaagde in conventie] genoodzaakt om de sloten te vervangen. Omdat [de eiser in conventie] er blijk van had gegeven eigenrichting toe te passen om zijn recht te halen, zag hij zich genoodzaakt om camerabewaking te laten aanleggen. De aan het vervangen van de sloten en de aanleg van de camerabewaking verbonden kosten bedragen € 6.180,85. De door [de eiser in conventie] in verband met het uitoefenen van het retentierecht veroorzaakte schade bedraagt in totaal € 12.133,86.
Het totaal van bovenstaande bedragen komt uit op € 98.950,69.
[de gedaagde in conventie] is aan [de eiser in conventie] verschuldigd het restant van de 9e factuur ad € 28.447,52 alsmede een bedrag van € 6.105,66 aan meerwerk. Dit is in totaal € 34.553,18.
Per saldo heeft hij een bedrag van € 64.397,51 (€ 98.950,69 - € 34.553,18) van [de eiser in conventie] te vorderen.
3.8.
[de eiser in conventie] voert verweer. [de eiser in conventie] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure.
3.9.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen de vorderingen gezamenlijk behandeld worden.
De wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de wijziging c.q. vermeerdering van eis in conventie -waartegen [de gedaagde in conventie] overigens geen bezwaar heeft gemaakt- toelaatbaar is (artikel 130 Rv Pro). De rechtbank zal dan ook op basis van de gewijzigde c.q. vermeerderde eis in conventie recht doen.
Zijn bedingen in de algemene voorwaarden van [de eiser in conventie] vernietigbaar?
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de AVA 2013 als algemene voorwaarden van toepassing zijn op de door partijen op 12 mei 2023 gesloten aannemingsovereenkomst.
4.4.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] deze algemene voorwaarden niet heeft meegezonden bij de overeenkomst van 12 mei 2023. [de eiser in conventie] heeft de algemene voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan hem ter hand gesteld, zodat aan hem niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Daarom is op grond van artikel 6:233 aanhef Pro en sub b BW een beding in deze algemene voorwaarden vernietigbaar, aldus [de gedaagde in conventie] .
4.5.
De rechtbank volgt [de gedaagde in conventie] niet in deze stelling. [de eiser in conventie] heeft immers aangevoerd dat hij bij de contractstukken op 22 april 2022 de algemene voorwaarden (AVA 2013) aan [de gedaagde in conventie] heeft toegezonden. Dit heeft [de gedaagde in conventie] bij de mondelinge behandeling erkend.
Daarmee heeft [de eiser in conventie] [de gedaagde in conventie] een redelijke mogelijkheid geboden om van deze algemene voorwaarden kennis te nemen. Onder deze omstandigheden was het niet nodig om deze algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de uiteindelijke overeenkomst van 12 mei 2023 nogmaals ter hand te stellen.
Is de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) ontbonden?
4.6.
Een overeenkomst kan door een partij buiten rechte worden ontbonden door het uitbrengen van een (schriftelijke) verklaring aan de wederpartij waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de overeenkomst wordt ontbonden.
4.7.
Gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] buiten rechte een dergelijke verklaring aan [de eiser in conventie] heeft uitgebracht. Eerst in de conclusie van antwoord beroept [de gedaagde in conventie] zich op ontbinding van de overeenkomst per 18 oktober 2024. [de gedaagde in conventie] heeft daartoe ter zitting aangevoerd dat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde de plinten te monteren en dat [de eiser in conventie] daardoor op 31 augustus 2024 in verzuim kwam te verkeren. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog verklaard dat hij de overeenkomst gedeeltelijk wil ontbinden ten aanzien van het werk dat volgens hem nog moet worden voltooid.
4.8.
Nu -zoals hierna zal worden overwogen- [de eiser in conventie] na de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet in verzuim is geraakt, is er naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijke grond om de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden.
4.9.
Voor zover [de gedaagde in conventie] aan de ontbinding van de overeenkomst tevens ten grondslag heeft willen leggen dat [de eiser in conventie] de met hem overeengekomen opleveringstermijn al ruimschoots had overschreden, verwerpt de rechtbank die stelling. Zoals hierna zal worden overwogen is tussen partijen geen (fatale) opleveringstermijn afgesproken.
4.10.
Voor zover [de gedaagde in conventie] uit het door [de eiser in conventie] uitoefenen van het retentierecht heeft afgeleid dat [de eiser in conventie] de overeenkomst na 18 oktober 2024 niet meer wenste na te komen, is dat niet terecht. Het retentierecht geeft aan de schuldeiser de bevoegdheid om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten tot de vordering wordt voldaan. [de eiser in conventie] heeft het retentierecht als drukmiddel ingezet om [de gedaagde in conventie] tot betaling van de openstaande facturen te bewegen. Bij brief van 6 november 2024 heeft [de eiser in conventie] zich om de ontstane impasse te doorbreken jegens [de gedaagde in conventie] nog bereid verklaard om het werk te voltooien.
Is de aannemingsovereenkomst door opzegging geëindigd?
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat de aannemingsovereenkomst wordt geacht door [de gedaagde in conventie] te zijn opgezegd met zijn e-mail van 12 november 2024.
4.12.
Immers, in dat bericht ontzegt [de gedaagde in conventie] -in reactie op het aanbod van [de eiser in conventie] om de werkzaamheden te voltooien- [de eiser in conventie] definitief de toegang tot het werk. Dat kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [de gedaagde in conventie] de met [de eiser in conventie] gesloten aannemingsovereenkomst heeft opgezegd voordat het werk is voltooid en opgeleverd. Het werk is bovendien door derden afgemaakt c.q. voortgezet en dit strookt ook met de inhoud van de brief van [de gedaagde in conventie] .
Het verweer van [de gedaagde in conventie] dat hij niet de wil had om de overeenkomst op te zeggen en dat hij ook niet de wil heeft geopenbaard om de overeenkomst op te zeggen, wordt dan ook verworpen.
Gevolgen van de opzegging van de overeenkomst, afrekening meer- en minderwerk
4.13.
De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de aannemingsovereenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen (artikel 7:764 lid 1 BW Pro; artikel 14 lid 5 AVA Pro 2013).
Ingeval van opzegging zal de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk (artikel 7:764 lid 2 BW Pro; artikel 14 lid 5 AVA Pro 2013).
De opdrachtgever heeft daarbij stelplicht en zonodig bewijslast van het bestaan en de omvang van die besparingen, waarbij op de aannemer een belangrijke mededelingsplicht rust (Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8728).
4.14.
Vast staat dat [de gedaagde in conventie] de 9e factuur voor een bedrag van € 28.447,52 (inclusief btw) onbetaald heeft gelaten.
De 10e (en tevens de laatste) termijn bedraagt 5% van de aanneemsom. Dit is een bedrag van € 16.713,85 (exclusief btw). Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 20.223,76. [de gedaagde in conventie] heeft de 10e termijn niet betaald.
Van de overeengekomen aanneemsom is [de gedaagde in conventie] dus nog een bedrag van € 48.671,28
(€ 28.447,52 + € 20.223,76 ) aan [de eiser in conventie] verschuldigd.
4.15.
Dit bedrag kan nog naar boven en naar beneden worden bijgesteld als gevolg van meer- en minderwerk dan wel als gevolg van besparingen wegens opzegging. Partijen hebben ieder stellingen betrokken over meer- en minderwerk en over de daarmee samenhangende kosten, alsmede over de besparingen. De rechtbank zal deze stellingen hierna beoordelen.
Geen schending informatieplicht artikel 6:230l sub c BW
4.16.
[de gedaagde in conventie] heeft in het kader van het meer- en minderwerk ter zitting aangevoerd dat [de eiser in conventie] niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht jegens [de gedaagde in conventie] als consument en dat daarop als sanctie moet volgen een vermindering van de prijs met 20%.
4.17.
Partijen zijn het eens dat zij bij [de gedaagde in conventie] thuis hebben overlegd over een te sluiten overeenkomst, dat zij vervolgens per post of e-mail stukken zoals offertes hebben gewisseld en dat [de gedaagde in conventie] thuis, buiten aanwezigheid van [de eiser in conventie] , de overeenkomst heeft getekend. Dit betekent dat de aannemingsovereenkomst geen overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte is en evenmin een overeenkomst gesloten op afstand (artikel 6:230g lid 1 sub f resp. sub e BW).
4.18.
Op grond van artikel 6:230l sub c BW is de aannemer bij een aannemingsovereenkomst met een consument verplicht adequate informatie verstrekken over de prijs van het werk, vooraf of uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst. Deze verplichting vloeit voort uit Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU. Bij schending van de informatieplicht betreffende de prijs dient de rechter ambtshalve een korting op te leggen (Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieverplichtingen).
Deze informatieverplichting op grond van artikel 6:230l sub c BW komt daarmee als het ware boven op de (wettelijke) regeling van artikel 7:755 BW Pro en geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor meerwerk, nu daaraan een aanvullende overeenkomst ten grondslag ligt.
4.19.
De rechtbank dient (ambtshalve) te onderzoeken of op [de eiser in conventie] een verplichting rustte zoals bedoeld in artikel 6:230l sub c BW. Dat is naar het oordeel van de rechtbank, gehoord partijen bij de mondelinge behandeling, niet het geval.
4.20.
Op grond van artikel 6:230h lid 2 sub g BW is die specifieke verplichting namelijk niet van toepassing op een overeenkomst betreffende de constructie van nieuwe gebouwen en de ingrijpende verbouwing van bestaande gebouwen. Het door [de gedaagde in conventie] aan [de eiser in conventie] opgedragen werk betreft naar het oordeel van de rechtbank de constructie van een nieuw gebouw danwel een daarmee vergelijkbare ingrijpende verbouwing.
4.21.
De los staande oude molenromp, volgens [de gedaagde in conventie] daterend uit 1874, is namelijk verbouwd, waarbij om de molenromp heen een nieuwe woning is gebouwd, een en ander zoals ook zichtbaar op onderstaande door [de gedaagde in conventie] overgelegde afbeeldingen (productie 5 conclusie van antwoord/eis) en zoals door [de gedaagde in conventie] bij de mondelinge behandeling bevestigd.
[ Foto verwijderd ter anonimisatie. ]
4.22.
Dit betekent dat [de eiser in conventie] , anders dan [de gedaagde in conventie] meent, geen informatieverplichting heeft geschonden jegens [de gedaagde in conventie] als consument overeenkomstig de Richtlijn Consumentenrechten 2011/83/EU, zoals geïmplementeerd in artikel 6:230l sub c BW, zodat een grondslag voor een sanctie terzake, in de vorm van een prijsvermindering, ontbreekt.
4.23.
De verschuldigdheid van het meerwerk wordt hierna verder beoordeeld.
Meerwerk
4.24.
[de eiser in conventie] heeft bij factuur van 18 september 2024 jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 36.876,75 inclusief btw. In dit bedrag is ook de verrekening met minderwerk begrepen, dat hierna afzonderlijk zal worden besproken. De door [de gedaagde in conventie] erkende meerwerkposten zijn hieronder vet gedrukt.
4.25.
In de factuur van 18 september 2024 komen de volgende
meerwerkposten voor (exclusief btw):
1. Lekkage opsporen dak molen in verband met lekkage nieuwe
dakbedekking (snijnaden in de nieuwe dakbedekking door
eigen dakdekker) € 54,00
2. Leveren en aanbrengen extra vloerluiken
€ 424,00
3. Aanbrengen van balk in de molen, de balk is door u aangeleverd,
balk pas gezaagd en met een lift geplaatst € 2.174,00
4. Aanpassen vloeren in verband met doorloop 1ste verdiepingsvloer,
totaal 7 uur € 350,00
5. Aftimmeren kolom tbv carport (uit offerte gehaald, later zoals
afgesproken gewijzigd, zie mail 11 juni ’23) € 963,42
6. Leveren en aanbrengen geïsoleerde betonvloer en smeervloer in de
molen, mail 29 september 2023, opdracht 2 oktober
€ 2.650,00
7. Leveren en aanbrengen anti dreun onder het zetwerk
€ 1.812,00
8. Meerprijs hardstenen vensterbanken, 1 extra vensterbank
badkamerraam zijgevel, nog na te leveren in verband met gewijzigde
afwerking € 1.134,00
9. Metselwerk nieuw gemetselde muur gesloopt, kleur was niet naar wens € 285,00
10. Nieuwe muur opgemetseld op plaats van gesloopte muur, incl. stelwerk € 1.192,00
11. Maken trap begane grond, incl. stellen en stenen zagen
12-04; totaal 5 uur € 250,00
22-04 t/m 25-04; totaal 68 uur € 3.400,00
12. Metselwerk boog begane grond en verdieping 15-04 t/m 19-04;
totaal 80 uur € 4.000,00
13. (26-02) sloopwerk 1 st. doorgang groter gemaakt in overleg met
Susanne (vond het te smal) € 456,00
14. Inschalen boog ter plaatse van BC6, hoeklijn plaatsen in overleg met
constructeur
22-08; totaal 6 uur € 300,00
hoeklijnen € 65,00
15. 30-04 traptredes stelwerk 1ste verdieping en voorbereidingen,
totaal 8 uur € 400,00
16. 21-05 stelwerk onderste traptredes, stenen zagen, houtenbalk lossen
van de vrachtwagen / zeer zwaar, totaal 14 uur € 700,00
17. 22-05 traptredes bgg, overleg trap boven, bekisting zetten en beton
storten. betonmortel € 81,50
totaal 16 uur € 800,00
18. 27-05 stelwerk trap verdieping, stenen sorteren en mal maken,
totaal 8 uur € 400,00
19. 28-05 stenen zagen, metselwerk trap verdieping, totaal 16 uur € 800,00
20. 29-05 metselwerk stelwerk verdieping, totaal 8 uur € 400,00
21. 31-05 traptredes metselen, 1 ste verdieping stenen zagen,
totaal 8 uur € 400,00
22. 04-06 stelwerk traptredes, metselwerk trap en zaagwerk stenen,
Sloopwerk metselmortel € 82,50
totaal 8 uur € 400,00
23. 05-06 stelwerk traptredes, zaagwerk metselwerk, totaal 10 uur € 500,00
24. 06-06 stelwerk trap, stenen zagen en metselwerk, totaal 10 uur € 500,00
25. 10-06 stenen zagen, trap verdieping, totaal 8 uur € 400,00
26. 12-06 traptrede zagen en plakken met tegellijm.
tegellijm € 7,40
totaal 16 uur € 800,00
27. Week 28; aanpassen sparing ten behoeve van stalen trap richting
eerste verdieping in overleg met trapleverancier, totaal 6 uur (in
offerte door trapleverancier) € 300,00
Aanpassen ronding, totaal 1,5 uur (in offerte door trapleverancier) € 75,00
28. 02-11 Deurkozijnen verplaatst ter plaatse van slaapkamer / douche.
Loshalen en aanpassen van lateien en stellen en opnieuw aanmetselen
kozijnen, totaal 18 uur. In overleg met opdrachtgever in verband met
fout op de tekening € 900,00
29. 16-11 Sloopwerk ten behoeve van lood in de molen plat dak, op
jullie verzoek in verband met dieper in plaatsen, totaal 7 uur € 350,00
30. 17-11 Sloopwerk ten behoeve van lood in de molen platdak ivm
dieper in de molen, totaal 5 uur, in overleg met opdrachtgever € 250,00
31. 24-11 Uithakken metselwerk in verband met verkeerde steen
conform jullie verzoek, lood aanmetselen, totaal 6 uur € 300,00
32. 08-12 Metselwerk lood, totaal 12 uur € 600,00
Materiaal;12 zak metselmortel € 47,40
33. Huur steiger week 18 t/m 31, 14 weken € 4.508,00
Demontage steiger € 993,00
Transport en handeling terug € 450,00
34. Resterende termijn zetwerk, totaal conform afspraak € 16.050,00,
Reeds in rekening gebracht 1e termijn € 8.025,00 en 2e termijn
€ 4012,50 € 4.012,50
35. Meerprijs garagedeur
€ 160,00
4.26.
Het gefactureerde
meerwerk komt in totaal uit op een bedrag van € 39.126,72 (
exclusiefbtw).
4.27.
[de gedaagde in conventie] erkent meerkosten verschuldigd te zijn voor de garagedeur (€ 160,00), de betonvloer (€ 2.650,00), vloerluiken (€ 424,00) en de antidreun (€ 1.812,00). Het totaal van deze bedragen is € 5.046,00 (exclusief btw) en € 6.105,66 (inclusief btw).
4.28.
[de gedaagde in conventie] betwist de verschuldigdheid van het overige door [de eiser in conventie] gefactureerde meerwerk. [de gedaagde in conventie] voert aan dat hij de offerte van 2 mei 2023 heeft aanvaard onder de uitdrukkelijke voorwaarde in zijn mail van 28 mei 2023 dat het bestek leidend zou zijn en dat [de eiser in conventie] deze voorwaarde zou hebben aanvaard. Uit het bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] onder punt 1.2.4. volgt dat [de eiser in conventie] geen recht heeft op verrekening van meerwerk, waarvan de prijs vooraf niet schriftelijk is overeengekomen, aldus [de gedaagde in conventie] . Indien zich meerwerk voordeed, diende [de eiser in conventie] de te besteden tijd af te stemmen met [de gedaagde in conventie] en zou het meerwerk tegen € 35,00 per uur worden uitgevoerd. [de eiser in conventie] heeft meerwerk gefactureerd zonder dat hij [de gedaagde in conventie] (tijdig) had gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging en zonder dat [de gedaagde in conventie] die verhogingen conform afspraak had goedgekeurd, bij voorbeeld door middel van door [de gedaagde in conventie] ondertekende urenbonnen. Hij hoefde de noodzaak van prijsverhoging niet uit zichzelf te begrijpen, aldus [de gedaagde in conventie] .
4.29.
[de eiser in conventie] heeft daartegenover aangevoerd dat in de door [de gedaagde in conventie] ondertekende overeenkomst van 12 mei 2023 staat dat de offerte leidend is en dat de AVA 2013 van toepassing zijn, terwijl in de offerte en in de overeenkomst het bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] niet wordt vermeld. [de eiser in conventie] heeft ter zitting verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om het bestek, waarin de technische prestaties uitgewerkt zijn, niet van toepassing te verklaren omdat daarover te veel vragen bestonden, zoals de afwerking van onderdelen van het werk en de verdeling van werkzaamheden tussen nevenaannemers (zoals stukadoor, installateur). Hij heeft zijn begroting niet op het bestek gebaseerd maar op het werk dat hij in de offerte aanbood, aldus [de eiser in conventie] .
4.30.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat de inhoud van de aannemingsovereenkomst, die mede wordt bepaald door de offerte van 2 mei 2023 en de AVA 2013, vóór voornoemde bepalingen uit de projectomschrijving voor zover die bepalingen strijden met die overeenkomst. De getekende aannemingsovereenkomst staat namelijk gelet op haar specifieke betekenis in rangorde boven overige contractstukken zoals tekeningen en (technische) omschrijvingen en is bovendien van latere datum dan de projectomschrijving. De enkele verwijzing door [de gedaagde in conventie] in de mail van 28 mei 2023, inhoudende
“het bestek is leidende en de uitvoering van het werk dient dan ook in lijn hiermee uitgewerkt te worden tenzij later door of in samenwerking met opdrachtgever aanpassingen zijn gemaakt.”, is onvoldoende concreet en specifiek om voorrang te verbinden aan punt 1.2.4 uit de projectomschrijving van april 202
2(vgl. artikel 2 lid 3 AVA Pro 2013), terwijl [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld, gelet op de toelichting van [de eiser in conventie] , dat deze juist daarmee zou hebben ingestemd.
4.31.
De vraag of, en zo ja in hoeverre [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak kan maken op vergoeding van meerwerk dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van het beroep van [de eiser in conventie] op artikel 7:755 BW Pro (dat nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 6 AVA Pro 2013). Dit artikel bepaalt wanneer de aannemer recht heeft op prijsverhoging als gevolg van door de opdrachtgever gewenste (van hemzelf of van de aannemer afkomstige) toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk. Dit is het geval wanneer de aannemer de opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging heeft gewaarschuwd, tenzij de opdrachtgever de noodzaak van prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.32.
Bij de toepassing van deze tenzij-bepaling is niet van belang of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging dan wel de (concreet) te verwachten meerkosten. Artikel 7:755 BW Pro bepaalt immers alleen dat de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd duidelijk te maken dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer toestemming tot prijsverhoging impliceert. In dat opzicht heeft de wetgever de opdrachtgever bescherming willen bieden. Het is aan de opdrachtgever om zich, nadat hij tijdig door de aannemer is gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging of indien hij die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen, desgewenst te verstaan met de aannemer omtrent de omvang van de prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wil opdragen (Hoge Raad
1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989).
4.33.
[de eiser in conventie] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis uitgebreid gereageerd op het verweer van [de gedaagde in conventie] met betrekking tot het meerwerk. [de eiser in conventie] heeft ten aanzien van het meerwerk -kort samengevat- aangevoerd dat er sprake is geweest van herstel van schade die door een door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde onderaannemer was veroorzaakt, dat posten zijn erkend door [de gedaagde in conventie] , dat een slechte draagbalk op verzoek van [de gedaagde in conventie] is vervangen, dat op verzoek van [de gedaagde in conventie] met betrekking tot vensterbanken voor een duurdere uitvoering is gekozen, dat meerwerkposten vooraf met [de gedaagde in conventie] zijn besproken en het meerwerk door hem is geaccordeerd en aan hem is opgedragen. Met betrekking tot de meeste posten verwijst [de eiser in conventie] naar de bouwvergadering van 9 juni 2023 en een e-mail van 11 juni 2023 van [de gedaagde in conventie] aan hem, waarin [de gedaagde in conventie] de punten aangeeft waarover in de bouwvergadering is gesproken. [de eiser in conventie] stelt dat [de gedaagde in conventie] de noodzaak voor prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.34.
[de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat de posten die staan vermeld in de factuur van 18 september 2024 als meerwerk (dat wil zeggen dat het gaat om werkzaamheden die niet staan vermeld in de uitgebreide offerte van 2 mei 2023) kunnen worden gekwalificeerd. De meerwerkposten zijn in deze factuur voldoende gespecificeerd. Het feit dat er geen door [de gedaagde in conventie] ondertekende urenbonnen zijn, betekent dus niet dat [de eiser in conventie] daarom geen aanspraak kan maken op vergoeding van meerwerk, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. [de gedaagde in conventie] heeft ter zitting niet meer gereageerd op de hiervoor verkort weergegeven reactie van [de eiser in conventie] in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis. Evenmin heeft [de gedaagde in conventie] ter zitting verzocht om een akte te mogen nemen om te kunnen reageren op de uitgebreide reactie van [de eiser in conventie] .
4.35.
[de eiser in conventie] heeft (ook) ter zitting aangevoerd dat [de gedaagde in conventie] de regie over het werk had en dat uit de producties blijkt dat er zeer intensief contact was tussen partijen en dat [de gedaagde in conventie] een directierol heeft vervuld. Er is uiting gegeven aan de informatieplicht, niets is buiten [de gedaagde in conventie] omgegaan en [de gedaagde in conventie] heeft de noodzaak voor prijsverhoging bij meerwerk redelijkerwijs uit zichzelf moeten begrijpen.
4.36.
[de gedaagde in conventie] heeft hierop ter zitting slechts gereageerd door aan te voeren dat [de eiser in conventie] niet in het algemeen en niet in het bijzonder heeft voldaan aan zijn informatieplicht en dat hij de noodzaak van een prijsverhoging niet redelijkerwijs uit zichzelf heeft moeten begrijpen.
4.37.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende gemotiveerd bestreden dat hij de regie over het werk voerde. Steun voor de directierol van [de gedaagde in conventie] biedt overigens zijn eigen stelling (in de conclusie van antwoord in het incident onder 5.3.16.) dat hij met alle aannemers afsprak wanneer zij werkzaamheden zouden verrichten en de werkzaamheden van alle aannemers op elkaar afstemde. [de gedaagde in conventie] heeft evenmin voldoende gemotiveerd betwist dat hij op de hoogte was van aard en omvang van het door [de eiser in conventie] opgevoerde meerwerk. Dat geldt ook ten aanzien van de betwisting van de stelling van [de eiser in conventie] dat hij, [de gedaagde in conventie] , de noodzaak voor prijsverhoging bij meerwerk redelijkerwijs uit zichzelf heeft moeten begrijpen.
4.38.
Bij deze stand van zaken heeft [de eiser in conventie] ter zake van meerwerk in beginsel aanspraak op betaling van een bedrag van € 39.126,72 (exclusief btw).
[de gedaagde in conventie] heeft evenwel ten aanzien van sommige posten aangevoerd dat hij daarvoor geen bedrag verschuldigd is. Deze posten zullen hierna worden besproken.
Dubbel gefactureerde bedragen
4.39.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] in de factuur van 18 september 2024 kosten in rekening heeft gebracht voor de montage en demontage (€ 993) en transport en handelingen (€ 450) van de steiger, terwijl deze kosten al bij twee eerdere meerwerkfacturen in rekening waren gebracht.
[de eiser in conventie] heeft dit in de inleidende dagvaarding erkend en deze kosten gecrediteerd bij de factuur van 13 juni 2025 (de 10e termijn).
4.40.
Dit betekent dat op voormeld bedrag van € 39.126,72 exclusief btw een bedrag van
€ 1.443,00 exclusief btw (€ 1.746,03 inclusief btw) in mindering zal worden gebracht.
Ten onrechte gefactureerde btw over huur van de steiger
4.41.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] hem op 27 oktober 2023 per e-mail een aanbod deed voor huur van de steiger voor een bedrag van € 322,00 per week. [de eiser in conventie] vermeldde daarbij niet dat over deze kosten nog btw in rekening zou worden gebracht, zodat dit niet is overeengekomen. [de eiser in conventie] heeft echter in de factuur van 18 september 2024 ten onrechte btw over de huur van de steiger in rekening gebracht, aldus [de gedaagde in conventie] . Het gaat hierbij om een bedrag van € 946,68.
4.42.
De rechtbank gaat niet mee in deze -door [de eiser in conventie] betwiste- stelling van [de gedaagde in conventie] .
In de offerte van 2 mei 2023 wordt immers duidelijk vermeld dat het daarin vermelde totaalbedrag van € 334.277,00 exclusief btw is. Daaruit volgt dat de in die offerte opgenomen posten telkens bedragen exclusief btw betreffen.
In de e-mail van 27 oktober 2023 is bovendien achter “montage en demontage steiger” vermeld: “meerprijs op de offerte”. In de overeenkomst van 12 mei 2023 wordt het totaalbedrag van € 334.277,00 herhaald en verhoogd met 21% btw (ad € 70.198,17), zonder dat [de gedaagde in conventie] daartegen heeft geprotesteerd. De facturen met betrekking tot de termijnbedragen vermelden telkens het (wettelijk) btw-percentage en het bedrag van de btw.
Naar het oordeel van de rechtbank moet [de gedaagde in conventie] dan ook hebben begrepen dat als [de eiser in conventie] facturen uitschreef daarover ook (21%) btw verschuldigd zou zijn. En [de eiser in conventie] mocht ervan uitgaan dat [de gedaagde in conventie] dat ook had begrepen.
Het enkele feit dat in de offerte van [de eiser in conventie] van 27 oktober 2023 met betrekking tot de huur van de steiger per week niet wordt vermeld dat over de daarin bedoelde kosten nog btw in rekening zou worden gebracht, merkt de rechtbank gelet op het vorenstaande aan als een kenbare omissie. Dat brengt dus niet mee dat [de gedaagde in conventie] er vanuit mocht gaan dat de genoemde prijs een bedrag inclusief btw zou vormen en dat [de eiser in conventie] in de daarop volgende factuur dan geen btw aan [de gedaagde in conventie] in rekening zou mogen brengen.
4.43.
[de gedaagde in conventie] heeft nog aangevoerd dat het niet vermelden van btw in de offerte in strijd is met artikel 38 van Pro de Wet op de Omzetbelasting. Dit artikel bepaalt dat
het de ondernemer verboden is om aan anderen dan ondernemers en publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen. [de gedaagde in conventie] verbindt hieraan de conclusie dat [de eiser in conventie] hem in de factuur van 18 september 2024 over de huur van de steiger geen btw in rekening had mogen brengen.
4.44.
Tekst noch strekking van deze bepaling uit de Wet op de Omzetbelasting brengt met zich dat de ondernemer die nalaat om in een aan een consument uitgebrachte offerte de btw te vermelden, de over de betreffende goederen of diensten door de ondernemer verschuldigde omzetbelasting niet bij de consument in rekening zou mogen brengen met als gevolg dat de verschuldigde btw voor rekening van de ondernemer zou blijven. Die uitkomst zou in deze zaak bovendien niet stroken met hetgeen hiervoor is overwogen.
4.45.
Om dezelfde reden faalt onder deze omstandigheden het betoog van [de gedaagde in conventie] dat in het aanbod sprake is van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat in het aanbod essentiële informatie (als bedoeld in artikel 6:193e lid 1 aanhef en onder c BW) zou zijn weggelaten en daarom sprake zou zijn van een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] als bedoeld in artikel 6:193b lid 3 onder a BW.
4.46.
[de eiser in conventie] heeft de btw over de huur van de steiger dan ook met recht in de factuur van 18 september 2024 aan [de gedaagde in conventie] in rekening gebracht.
Conclusie ten aanzien van het meerwerk
4.47.
[de eiser in conventie] heeft ter zake van meerwerk jegens [de gedaagde in conventie] aanspraak op betaling van een bedrag van € 37.683,72 (€ 39.126,72 minus € 1.443,00), te vermeerderen met 21% btw (€ 7.913,58), dus € 45.597,30 inclusief btw.
Minderwerk, besparingen
4.48.
In de factuur van [de eiser in conventie] van 18 september 2024 zijn volgende posten als minderwerk vermeld (exclusief btw):
-openingen trapgat en bestaande stijl, stelpost offerte € 1.000,00
-vervallen herstellen van houtconstructie waar nodig uit offerte € 600,00
-minderprijs loodvervanger aansluiting molen € 460,00
-minderprijs hardstenen dorpels € 284,00
-minderprijs herplaatsen bestaande raam keuken € 112,00
-minderprijs pvc doorvoeren € 16,05
-minderprijs mantelbuizen € 462,00
-minderprijs geïsoleerde kantplank wegens andere opbouw € 5.641,02
-minderprijs steunen ten behoeve van sierrand € 75,00
Totaal exclusief btw: € 8.650,07
4.49.
[de gedaagde in conventie] stelt dat het door [de eiser in conventie] erkende minderwerk neerkomt op een bedrag van € 7.650,07 (exclusief btw). [de gedaagde in conventie] vergist zich hier aangezien hij de stelpost van € 1.000,00 in zijn opstelling van het minderwerk niet heeft meegenomen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het minderwerk voor een bedrag van € 8.650,07 (exclusief btw) door [de eiser in conventie] is erkend. Inclusief btw komt dit neer op een bedrag van € 10.466,58.
4.50.
De factuur van 13 juni 2025 (10e termijn) bevat drie wegens besparingen in mindering te brengen posten (alles exclusief btw):
  • Besparing aftimmeren kozijnen en plinten ad € 804,07,
  • Besparing balustrade balkon ad € 5.200,00,
  • Besparing rubberen tegels balkon ad € 1.379,95.
Dit is totaal € 7.384,02 exclusief btw en € 8.934,66 inclusief btw.
Ten onrechte niet gecrediteerd minderwerk of niet verrekende besparingen?
Niet aangebracht krimpnet
4.51.
[de gedaagde in conventie] is met [de eiser in conventie] overeengekomen dat [de eiser in conventie] in de dekvloer een krimpnet zou aanbrengen voor een bedrag van € 3.174,00, te vermeerderen met btw. [de eiser in conventie] heeft het krimpnet niet aangebracht, zodat een bedrag van
€ 3.840,54 (inclusief btw) als minderwerk dient te worden verrekend, aldus [de gedaagde in conventie] .
4.52.
[de eiser in conventie] heeft hiertegenover aangevoerd dat op verzoek van [de gedaagde in conventie] in plaats van krimpnet vezels en toevoegingen in de cementdekvloer zijn toegepast en dat hij dit kostenneutraal heeft uitgevoerd.
4.53.
[de gedaagde in conventie] heeft dit niet betwist. Van minderwerk is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Het bedrag van € 3.840,54 (inclusief btw) zal dan ook niet als minderwerk worden verrekend.
Werk in eigen beheer
4.54.
[de gedaagde in conventie] stelt dat een balustrade en rubber tegels voor het dakterras onderdeel van de overeenkomst uitmaakten, maar dat hij heeft besloten deze werkzaamheden in eigen beheer te laten uitvoeren. De daarmee gemoeide stelposten ad € 6.000,00 en € 1.533,28 dienen volgens [de gedaagde in conventie] nog te worden verrekend. Het gaat hierbij om een bedrag van
€ 9.115,27 (inclusief btw).
4.55.
[de eiser in conventie] heeft niet bestreden dat [de gedaagde in conventie] de hiervoor bedoelde werkzaamheden alsnog in eigen beheer heeft laten uitvoeren. [de eiser in conventie] verwijst naar de in deze procedure overgelegde slotfactuur van 13 juni 2025 (waarvan [de gedaagde in conventie] overigens betwist dat hij deze per post heeft ontvangen) waarbij hij als besparing voor de balustrade een bedrag van € 5.200,00 in mindering brengt en voor de tegels een bedrag van € 1.379,95. Het verschil met de hoogte van deze posten in de offerte wordt veroorzaakt doordat [de eiser in conventie] op deze -als besparingen verwerkte- posten winst en risico in mindering brengt alsmede terzake de balustrade “ankers leveren/lassen”.
4.56.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om een hoger bedrag aan besparingen in mindering te brengen, dan [de eiser in conventie] heeft gedaan. Vaststaat immers dat de bouwwerkzaamheden al waren begonnen toen [de gedaagde in conventie] besloot deze wel overeengekomen werkzaamheden niet door [de eiser in conventie] te laten uitvoeren, terwijl [de gedaagde in conventie] de door [de eiser in conventie] berekende en omschreven aftrek wegens besparingen niet heeft weersproken.
Dit betekent dat ter zake van de balustrade en de tegels voor het balkon een bedrag van
€ 5.200,00 respectievelijk € 1.379,95 (exclusief btw) als besparingen in aanmerking komt, zoals door [de eiser in conventie] in de factuur van 13 juni 2025 is verwerkt. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van € 6.579,95 exclusief btw. Inclusief btw is dit € 7.961,74.
Niet ingeslepen molen
4.57.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] zich heeft verbonden om ervoor te zorgen dat de aanbouw correct zou aansluiten op de molenromp. Daartoe diende de molen te worden ingeslepen. [de eiser in conventie] is ondanks diverse toezeggingen na de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot uitvoering van dit werk overgegaan en is daardoor in verzuim komen te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad
€ 1.750,00.
4.58.
[de eiser in conventie] voert daartegen aan dat hij zich steeds bereid heeft verklaard om de werkzaamheden uit te voeren, zodra de factuur voor de 9e termijn was voldaan. Aangezien [de gedaagde in conventie] met betalen in verzuim verkeerde, kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim raken en heeft hij met recht het verrichten van verdere werkzaamheden opgeschort zolang volledige betaling van de factuur uitbleef, aldus [de eiser in conventie] .
4.59.
Dit verweer van [de eiser in conventie] treft doel. Vast staat immers dat toen betaling van de 9e factuur uitbleef er tussen partijen nadere afspraken zijn gemaakt over het moment waarop [de gedaagde in conventie] tot betaling zou overgaan.
[de gedaagde in conventie] heeft niet langer bestreden dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat hij tot betaling zou overgaan nadat de cementvloer was gelegd. Aangezien de cementvloer op 12 juni 2024 is gelegd en de betalingstermijn van de 9e factuur 10 dagen bedroeg, verkeerde [de gedaagde in conventie] in ieder geval met ingang van 23 juni 2024 in verzuim (artikel 6:83 sub a BW Pro).
Het verzuim is door de nadien door [de gedaagde in conventie] verrichte deelbetalingen van twee maal
€ 6.000,00 niet gezuiverd. Er bleef na die betalingen nog een substantieel gedeelte van deze factuur onbetaald. Destijds heeft [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen beroep op verrekening gedaan. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van de beantwoording van de vraag of [de gedaagde in conventie] in verzuim was met betaling van de openstaande factuur van de 9e termijn, de beweerdelijke tegenvorderingen die [de gedaagde in conventie] thans opvoert niet zal meenemen.
De hoogte van het openstaande bedrag rechtvaardigde het door [de eiser in conventie] gedane beroep op opschorting. Het tegendeel is overigens door [de gedaagde in conventie] niet aangevoerd.
[de eiser in conventie] is door zijn werkzaamheden na de brief van 8 augustus 2024 niet te hervatten dan ook niet in verzuim geraakt.
Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] op die grond geen aanspraak kan maken op creditering van de met het inslijpen van de molen gemoeide kosten. [de gedaagde in conventie] heeft niet (onderbouwd) gesteld dat hier sprake is van een besparing. Het door [de gedaagde in conventie] opgevoerde bedrag van € 1.750,00 wordt dan ook niet in mindering gebracht op de overeengekomen aannemingssom.
Niet geplaatste vensterbanken
4.60.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] zich heeft verbonden om vensterbanken te plaatsen en te leveren, maar dat hij is vergeten er twee te plaatsen. [de eiser in conventie] is na de ingebrekestelling niet tot plaatsing van de laatste twee vensterplanken overgegaan. Hierdoor kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 256,00.
4.61.
[de eiser in conventie] voert daartegen aan dat de (natuurstenen) vensterbanken meerwerk was. Dit is juist. De vensterbanken worden vermeld in de meerwerk factuur van 18 september 2024. [de eiser in conventie] erkent dat twee vensterbanken niet zijn geplaatst en voert aan dat twee vensterbanken ook niet in rekening zijn gebracht. [de gedaagde in conventie] is hierop niet meer ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om (op de meerwerkfactuur) het door [de gedaagde in conventie] gevorderde bedrag ter zake van twee niet geplaatste vensterbanken in mindering brengen.
Niet geplaatste achterwand(en)
4.62.
[de gedaagde in conventie] stelt dat van het werk niet is uitgesloten de ombouw met achterwand van de toiletten. [de eiser in conventie] heeft deze achterwand slechts bij één van de toiletten gerealiseerd. [de eiser in conventie] is na de ingebrekestelling niet tot realisering van de overige achterwanden overgegaan. Hierdoor kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op creditering van de daarmee gemoeide kosten ad € 1.069,64.
4.63.
[de eiser in conventie] heeft met recht aangevoerd dat de ombouw niet in de offerte is opgenomen. Om die reden is er geen sprake van minderwerk en kan [de gedaagde in conventie] dan ook geen aanspraak maken op creditering van het door hem gevorderde bedrag.
Niet afgelakte en niet gemonteerde plinten
4.64.
[de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] afgelakte plinten zou leveren en monteren. Voor het leveren van afgelakte plinten bracht [de eiser in conventie] € 1.815,00 (inclusief btw) extra in rekening. Voor het monteren van de plinten was in de offerte een bedrag van € 1.766,00 (inclusief btw) opgenomen.
De plinten werden niet afgelakt geleverd. Wegens minderwerk heeft hij een vordering op [de eiser in conventie] van € 1.815,00 (inclusief btw).
De plinten werden ook niet gemonteerd. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de plinten te monteren, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte.
Hij heeft de montage van de plinten door derden moeten laten uitvoeren. [de eiser in conventie] dient de daarmee gemoeide kosten ad € 2.778,93 aan hem te vergoeden, aldus [de gedaagde in conventie] .
4.65.
[de eiser in conventie] heeft daarop als volgt gereageerd. Hij heeft de plinten afgelakt geleverd en binnen in de romp van de molen gelegd. Hij heeft de plinten niet aangebracht maar was daartoe wel bereid zodra de 9e factuur was betaald.
4.66.
[de gedaagde in conventie] heeft zijn stelling dat [de eiser in conventie] de plinten niet afgelakt heeft geleverd niet met een foto onderbouwd, zodat de rechtbank aan deze door [de eiser in conventie] (met een foto) bestreden stelling voorbij gaat. Het door [de gedaagde in conventie] aangegeven bedrag van € 1.815,00 komt dan ook niet als minderwerk in aanmerking.
4.67.
Anders dan [de gedaagde in conventie] heeft aangevoerd, is het uitblijven van het monteren van de plinten niet aan te merken als minderwerk. De omstandigheid dat de plinten niet zijn gemonteerd, houdt namelijk verband met het feit dat [de gedaagde in conventie] in verzuim was geraakt. [de gedaagde in conventie] , op wie in deze de stelplicht rust, heeft verder niet onderbouwd gesteld dat voor [de eiser in conventie] uit de opzegging van de overeenkomst op dit punt een besparing van
€ 1.766,00 (inclusief btw) is voortgevloeid. [de gedaagde in conventie] heeft niet verduidelijkt waar het door hem genoemde bedrag in de offerte staat en de rechtbank heeft het daar ook niet kunnen lezen. Vast staat wel dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 juni 2025 wegens besparing een bedrag in mindering heeft gebracht terzake “aftimmeren kozijnen en plinten”. Het door [de gedaagde in conventie] gestelde bedrag komt dus niet in mindering op de overeengekomen aanneemsom.
4.68.
Zoals hiervoor is overwogen, verkeerde [de gedaagde in conventie] voordat hij de ingebrekestelling naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken. [de gedaagde in conventie] kan dan ook jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op de kosten voor het door derden laten monteren van de plinten.
Niet afgestelde kozijnen
4.69.
[de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat een onderaannemer van [de eiser in conventie] de kozijnen en de deuren zou afstellen.
De kozijnen werden wel geplaatst, maar niet afgesteld. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 weigerde om de kozijnen af te (laten) stellen, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. Daarom ontbindt [de gedaagde in conventie] de overeenkomst voor dit gedeelte en maakt hij ter zake van minderwerk aanspraak op creditering van een bedrag van € 5.445,00.
4.70.
De rechtbank overweegt dat [de gedaagde in conventie] in verzuim verkeerde voordat hij de ingebrekestelling naar [de eiser in conventie] stuurde. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en is er geen deugdelijke grond om de aannemingsovereenkomst te ontbinden voor dit onderdeel. [de gedaagde in conventie] kan dan ook jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op creditering van een bedrag van € 5.445,00. [de eiser in conventie] heeft verder op de factuur van 13 juni 2025 wegens besparing een bedrag van € 972,92 (inclusief btw) in mindering gebracht terzake “aftimmeren kozijnen en plinten”. Die besparing is door [de gedaagde in conventie] verder niet weersproken.
Ondeugdelijke trapopening naar de eerste verdieping van de molen, niet aangebrachte opening naar de tweede verdieping van de molen, niet afgeronde werkzaamheden met betrekking tot de verdiepingsvloer in de molen
4.71.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] een trapopening in de molen van de begane grond naar de eerste verdieping heeft gemaakt. Het werk voldeed niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot herstel overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem geleden schade, naar redelijkheid te begroten op een bedrag van € 550,00.
[de eiser in conventie] was ook gehouden om een opening te maken van de eerste naar de tweede verdieping. [de eiser in conventie] heeft deze opening niet gemaakt. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot voltooiing van dit werk overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem te maken kosten om het werk alsnog te laten uitvoeren, naar redelijkheid te begroten op
€ 500,00.
[de eiser in conventie] heeft zich verbonden om de verdiepingsvloer in de molen te maken. [de eiser in conventie] rondde deze werkzaamheden nooit af door een gat in de vloer dicht te maken.
Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot voltooiing van dit werk overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] vordert vergoeding van de door hem te maken kosten om het werk alsnog te laten uitvoeren, naar redelijkheid te begroten op € 150,00.
4.72.
[de eiser in conventie] heeft daartegenover aangevoerd dat de trapopeningen uit de offerte zijn gehaald omdat de trapleverancier daarvoor zou zorgen. De trapopeningen vormden geen onderdeel van de overeenkomst. Later is hem verzocht dit werk toch uit te voeren. De trapleverancier had de ronding niet goed aangegeven en daarom is deze aangepast. Er is geen sprake van minderwerk. Toen [de gedaagde in conventie] de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 verzond, verkeerde [de gedaagde in conventie] in verzuim en kon [de eiser in conventie] niet in verzuim geraken.
4.73.
Met [de eiser in conventie] wordt geoordeeld dat de trapopeningen geen onderdeel uitmaken van de offerte en daarom ook niet onderdeel zijn van de overeenkomst. In de offerte staat achter “TRAPPEN EN HEKWERKEN” immers: “trappen doet u in eigen beheer”. Voor trappen en hekwerken zijn ook geen bedragen opgenomen in de offerte. Van minderwerk is dus geen sprake.
[de gedaagde in conventie] verkeerde voordat hij de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 naar [de eiser in conventie] stuurde in verzuim. Daarom kon [de eiser in conventie] niet meer in verzuim geraken en kan [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op schadevergoeding en de kosten van herstel.
Niet afgevoerd afval
4.74.
[de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] haar afval zou afvoeren. [de eiser in conventie] staakte het werk met achterlating van het nog aanwezige afval. Omdat [de eiser in conventie] ondanks de ingebrekestelling van 8 augustus 2024 niet tot het afvoeren van het afval overging, kwam [de eiser in conventie] in verzuim te verkeren. [de gedaagde in conventie] werd daardoor genoodzaakt om een container te huren om het afval van [de eiser in conventie] af te voeren. Hij vordert vergoeding van de door hem gemaakte kosten ad € 285,00.
4.75.
[de eiser in conventie] betwist dat hij deze kosten verschuldigd is. Afvoerkosten zijn niet in de offerte begrepen, terwijl het gaat om rommel van de stukadoors.
4.76.
De rechtbank stelt vast dat in de offerte voor “opruimen bouwterrein/gebouwen” een bedrag van € 672,00 is opgenomen en dat [de eiser in conventie] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat het hier gaat om rommel van de stukadoors en de steiger. Vast staat dat de stukadoor werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van een daartoe met [de gedaagde in conventie] gesloten overeenkomst. [de gedaagde in conventie] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd -los van het feit dat hij zelf in verzuim verkeerde- dat hij jegens [de eiser in conventie] aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de huur van een container.
Conclusie ten aanzien van het minderwerk/besparingen
4.77.
Op grond van het vorenstaande heeft [de gedaagde in conventie] op grond van minderwerk en besparingen aanspraak op de volgende creditering (alles inclusief btw):
-minderwerk factuur 18 september 2024 € 10.466,58
-besparingen factuur 13 juni 2025
€ 8.934,66+
Totaal minderwerk/besparingen € 19.401,24
Onverschuldigde betaling
Materialen voor het buitenstucwerk
4.78.
[de gedaagde in conventie] stelt dat hij met [de eiser in conventie] is overeengekomen dat [de eiser in conventie] de materialen voor het buitenstucwerk zou bestellen en tegen kostprijs aan hem zou leveren. [de eiser in conventie] bood op 19 maart 2024 per e-mail de materialen voor het buitenstucwerk te koop aan voor een bedrag van € 51.539,31 (exclusief btw). In de offerte (van 18 maart 2024) staat dat geen rekening is gehouden met de verpakking. De offerte vermeldt niet welk btw tarief van toepassing is en evenmin worden de exacte btw-bedragen vermeld. In de offerte staan ook niet de exact te verkopen hoeveelheden, terwijl het voor [de eiser in conventie] wel duidelijk was, althans moest zijn welke hoeveelheden er exact geleverd zouden worden. Er is volgens [de gedaagde in conventie] sprake van een misleidende omissie omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten. Daardoor kon [de gedaagde in conventie] als consument de exacte koopprijs niet berekenen.
[de eiser in conventie] bracht bij factuur van 21 maart 2024 voor deze materialen een bedrag van
€ 66.620,65 in rekening. Dat is € 15.081,34 meer dan de afgegeven koopprijs.
[de gedaagde in conventie] heeft het volledige gefactureerde bedrag voldaan.
Een doelmatige, evenredige en afschrikwekkende sanctie op de misleidende handelwijze van [de eiser in conventie] is dat wordt vastgesteld dat [de gedaagde in conventie] de materialen slechts tegen een all-in prijs van € 51.539,31 heeft gekocht. De partiële vernietiging moet er daarom toe leiden dat de in rekening gebrachte btw alsook de na verrekening van de bestelde materialen niet is overeengekomen. [de gedaagde in conventie] stelt dat hij dus € 15.081,34 onverschuldigd heeft betaald.
4.79.
[de eiser in conventie] betwist dat [de gedaagde in conventie] onverschuldigd heeft betaald. [de gedaagde in conventie] wilde het stucwerk in eigen beheer uitvoeren maar kon als particulier niet de materialen bestellen bij de gewenste leverancier. Op verzoek van [de gedaagde in conventie] heeft [de eiser in conventie] dat materiaal voor hem besteld. In de offerte van 18 maart 2024 is vermeld dat het gaat om bedragen exclusief btw. [de gedaagde in conventie] wist dus dat het een prijs te vermeerderen met btw betrof.
4.80.
De rechtbank volgt [de gedaagde in conventie] niet in zijn betoog.
De offerte vermeldt expliciet dat de daarin opgenomen bedragen exclusief btw zijn. Op dezelfde gronden als hiervoor reeds is overwogen, mocht [de eiser in conventie] btw in rekening brengen, ondanks dat in de offerte van 18 maart 2024 het (wettelijk) btw-percentage en het exacte bedrag aan btw niet werden vermeld.
In de offerte worden weliswaar per materiaal het aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters vermeld, maar nu in de offerte uitdrukkelijk staat vermeld dat het daarbij om aannames gaat kan niet gezegd worden dat er sprake is van een kennelijke omissie. [de eiser in conventie] was kennelijk niet staat om in de offerte per materiaal exact het aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters aan te geven. Gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] bij [de eiser in conventie] navraag heeft gedaan waarom [de eiser in conventie] van aannames is uitgegaan, laat staat dat hij daartegen heeft geprotesteerd.
Vergelijking van het in de offerte per materiaal vermelde aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters met de in de factuur per materiaal vermelde aantal (vierkante) meters, respectievelijk kilogrammen en liters, laat zien dat de verschillen zich enkel voordoen bij de (vierkante) meters “Ecoshape” en “EcoshapeHoek”. Dit levert ten opzichte van de offerte een verschil op van € 4.258,08 (€ 66.620,65 - € 62.362,57).
Aangezien [de gedaagde in conventie] niet heeft aangevoerd dat de gefactureerde (vierkante) meters van de hier bedoelde materialen onjuist zijn, gaat de rechtbank ervan uit dat de factuur ook in zoverre overeenstemt met de hoeveelheid aan [de gedaagde in conventie] geleverde materiaal.
De handelwijze van [de eiser in conventie] is dus niet misleidend. Van onverschuldigde betaling is in dit geval dan ook geen sprake.
Steiger
4.81.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 februari 2024 kosten in rekening heeft gebracht voor huur van de steiger in de laatste twee weken van december 2023 en de eerste week van januari 2024. Het gaat hierbij om een bedrag van € 779,24 (inclusief btw). Er was volgens [de gedaagde in conventie] echter geen reden om voor deze periode een steiger op de bouwplaats te hebben. De steiger zou in deze periode waarin de kerstvakantie viel niet worden gebruikt en daarom lag het op de weg van [de eiser in conventie] de steiger pas na de kerstvakantie te huren. [de gedaagde in conventie] heeft dit bedrag toch betaald. [de gedaagde in conventie] vordert dit bedrag terug als onverschuldigd betaald.
4.82.
[de eiser in conventie] voert daar tegenover aan dat de door [de gedaagde in conventie] als nevenaannemer ingeschakelde stukadoor [stukadoor] aan hem had aangegeven dat hij in december 2023 wilde beginnen met het buitenstucwerk. Na opdracht op 21 november 2023 zijn de steigers op
12 december 2023 geplaatst. Op 13 december 2023 begreep hij van de stukadoor dat deze direct in januari 2024 zou beginnen. De steigers waren daarvoor al nodig voor de dakdekkers en de stelkozijnen omdat dat werk niet van binnenuit gedaan kon worden.
4.83.
[de gedaagde in conventie] heeft niet meer gereageerd op dit betoog van [de eiser in conventie] .
Het feit dat de door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde stukadoor -in afwijking van de eerder door hem aan [de eiser in conventie] aangegeven planning- niet vóór de kerstvakantie is begonnen met het stucwerk, komt voor rekening en risico van [de gedaagde in conventie] . Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak kan maken op terugbetaling van voormeld bedrag.
4.84.
[de gedaagde in conventie] stelt verder dat [de eiser in conventie] op de factuur van 13 februari 2024 ad
€ 4.559,00 ten onrechte btw in rekening heeft gebracht over de kosten voor montage, demontage, transport en huur van de steiger. [de gedaagde in conventie] heeft dit bedrag betaald. Voor zover de factuur betrekking had op de btw is het daarmee gemoeide bedrag (€ 957,39) door hem onverschuldigd betaald. Hij maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag.
Op de factuur van 15 mei 2024 ad € 9.829,00 bracht [de eiser in conventie] ten onrechte btw ad
€ 2.064,09 in rekening. [de gedaagde in conventie] heeft de factuur betaald. Het bedrag van € 2.064,09 is door hem onverschuldigd betaald. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op terugbetaling van dit bedrag.
4.85.
Zoals volgt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, brengt het enkele feit dat [de eiser in conventie] in zijn aanbod van 27 oktober 2023 niet heeft vermeld dat over de kosten btw was verschuldigd niet met zich dat [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] geen aanspraak kan maken op btw over de hier bedoelde kosten. Van onverschuldigde betaling is dus geen sprake en [de gedaagde in conventie] kan jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op terugbetaling van de btw.
Zetwerk
4.86.
[de gedaagde in conventie] voert aan dat hij reeds meer voor het zetwerk heeft betaald, dan hij aan [de eiser in conventie] verschuldigd is geworden. [de eiser in conventie] heeft bij factuur van 18 september 2024 ten onrechte voor zetwerk nog een bedrag van € 4.855,13 (inclusief btw) in rekening gebracht.
4.87.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op 2 november 2023 het zetwerk aanbood voor een totaalprijs van € 16.050,00 (exclusief btw). Op 21 november 2023 bood [de eiser in conventie] de stalen hoeken -die verwerkt zouden worden in de isolatie om het zetwerk op te vangen- aan voor een totaalbedrag van € 4.150,00 (exclusief btw). [de eiser in conventie] bood het zetwerk en de stalen hoeken aan voor € 20.200,00 (exclusief btw).
[de eiser in conventie] vermeldde de exacte btw bedragen niet. Ook vermeldde [de eiser in conventie] niet welk btw-percentage over het zetwerk en de stalen hoeken van toepassing zou zijn. [de eiser in conventie] handelde daarmee in strijd met artikel 38 van Pro de Wet op de Omzetbelasting. Er was tevens sprake van een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW omdat daarmee essentiële informatie werd weggelaten, wat als een oneerlijke handelspraktijk van [de eiser in conventie] kwalificeert.
Op 13 februari 2024 factureerde [de eiser in conventie] € 8.025,00 voor het zetwerk en € 4.150,00 voor de stalen hoeken. Op 15 mei 2024 factureerde [de eiser in conventie] nog een bedrag van
€ 4.012,50 voor het zetwerk en nog eens € 4.160,00 voor stalen hoeken. In totaal heeft [de eiser in conventie] een bedrag van € 20.347,50 vermeerderd met btw in rekening gebracht, dus totaal € 24.620,48. [de gedaagde in conventie] heeft beide facturen voldaan. [de gedaagde in conventie] heeft een bedrag van € 4.420,48 (€ 24.620,48 - € 20.200,00) onverschuldigd betaald en [de eiser in conventie] moet dit bedrag aan hem voldoen, aldus [de gedaagde in conventie] .
4.88.
[de eiser in conventie] voert daartegenover aan dat de btw terecht in rekening is gebracht en dat -anders dan [de gedaagde in conventie] stelt- de laatste 25% van het zetwerk niet als post “stalen hoeken” in rekening is gebracht bij de factuur van 18 september 2024. [de gedaagde in conventie] lijkt de post voor de stalen hoeken ter plaatse van de middelste sierrand ad € 4.160,00 met het zetwerk te verwarren.
4.89.
[de gedaagde in conventie] heeft dit laatste niet bestreden. Bovendien is in de offertes van 2 november 2023 en 21 november 2023 expliciet vermeld dat de prijs exclusief btw is. Daar waar -zoals hiervoor reeds is overwogen- [de eiser in conventie] btw in rekening mocht brengen, ook al werd het btw-bedrag of het (wettelijk) btw-percentage niet afzonderlijk vermeld in de offerte voor het zetwerk, is er geen sprake van onverschuldigde betaling. [de gedaagde in conventie] heeft ter zake niets te vorderen van [de eiser in conventie] .
Beschadiging van zaken
4.90.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij de uitvoering van de aannemingsovereenkomst diverse zaken, die derden reeds hadden voltooid, heeft beschadigd.
[de eiser in conventie] heeft een (tijdelijke) kap over het gebouw die diende om te voorkomen dat
-zolang de waterslagen nog niet waren aangebracht- water langs een witte sierrand zou lopen, verwijderd voordat de waterslagen waren gemonteerd, waardoor er water langs die sierrand is gelopen. Hij maakt aanspraak op de kosten van herstel, in redelijkheid te begroten op € 112,50.
Bij de uitvoering van het werk verwijderde de door [de eiser in conventie] ingeschakelde dakdekker de door een andere aannemer aangebrachte dakdoorvoeren. [de gedaagde in conventie] maakt aanspraak op de kosten van herstel, in redelijkheid te begroten op € 275,00.
[de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij het bijmaken van 4 extra vloerluiken de vloerverwarming heeft beschadigd. Hij vordert de kosten voor herstel, in redelijkheid te begroten op € 375,00.
4.91.
[de eiser in conventie] betwist hetgeen hier door [de gedaagde in conventie] wordt gesteld. Ter zitting heeft [de eiser in conventie] toegelicht dat de kap eraf moest voor de dakdekker om een lekkage te verhelpen. Bij het zagen van de trapsparing werden door de trapbouwer danwel [de gedaagde in conventie] verkeerde maten doorgegeven. Bovendien heeft [de gedaagde in conventie] hem -voor zover de gebreken aan hem te wijten zijn of hij daardoor verantwoordelijk is- niet in de gelegenheid gesteld om voor herstel zorg te dragen.
4.92.
Op de ter zitting door [de eiser in conventie] gegeven toelichting bij deze werkzaamheden is [de gedaagde in conventie] niet meer ingegaan, zodat [de gedaagde in conventie] zijn stelling dat [de eiser in conventie] bij de uitvoering van haar werkzaamheden schade zou hebben veroorzaakt, onvoldoende heeft onderbouwd. Verder: uit de e-mail van 8 augustus 2024 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] een redelijke termijn heeft gesteld om deze specifieke (gestelde) gebreken te herstellen; daaruit lijkt zelfs te volgen dat [de gedaagde in conventie] derden de betreffende werkzaamheden al heeft laten uitvoeren. Nu gesteld noch gebleken is dat [de gedaagde in conventie] [de eiser in conventie] -anders dan van [de gedaagde in conventie] kon worden gevergd- heeft verzocht om tot herstel over te gaan, terwijl herstel redelijkerwijze nog mogelijk was, komen de door [de gedaagde in conventie] gevorderde kosten van herstel niet voor vergoeding is aanmerking. Van verzuim is immers onder deze omstandigheden geen sprake.
Het door [de eiser in conventie] uitgeoefende retentierecht en de verbreking daarvan door [de gedaagde in conventie]
4.93.
De eerste vraag die hier beantwoord moet worden is of [de eiser in conventie] een retentierecht toekwam.
4.94.
Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan (artikel 3:290 BW Pro).
4.95.
De 9e factuur van 15 mei 2024 bevatte een betalingstermijn van 10 dagen. Dit is in beginsel een fatale termijn (artikel 6:83 sub a BW Pro). [de gedaagde in conventie] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom geen sprake zou zijn van een fatale termijn. [de gedaagde in conventie] verkeerde daarom reeds op 26 mei 2024 in verzuim. Het enkele feit dat nadien tussen partijen is overeengekomen dat betaling zou plaatsvinden zodra de cementdekvloer was gelegd, betekent niet dat daardoor het verzuim is vervallen. De inhoud van de e-mail van [de eiser in conventie] van 31 mei 2024 biedt daarvoor geen aanknopingspunt. Hoe dan ook is [de gedaagde in conventie] in ieder geval op 23 juni 2024 in verzuim komen te verkeren doordat hij, nadat de cementdekvloer op 12 juni 2024 was gelegd, niet binnen 10 dagen tot betaling van de 9e factuur is overgegaan. Aan dit verzuim is ook geen einde gekomen door de nadien door [de gedaagde in conventie] verrichte deelbetalingen. Dit betekent dat [de eiser in conventie] op 18 oktober 2024 in beginsel bevoegd was om afgifte van de zaak, in dit geval de molen met aanbouw, op te schorten totdat zijn vordering was voldaan. [de eiser in conventie] heeft daartoe de bouwplaats afgesloten.
4.96.
Voor het kunnen uitoefenen van een retentierecht is echter vereist dat de [de eiser in conventie] vóór 18 oktober 2024 de feitelijke macht had over de molen en de aanbouw.
Van feitelijke macht in de hier bedoelde zin is sprake als afgifte in de zin van artikel 3:290 BW Pro van de molen en de aanbouw door [de eiser in conventie] nodig is om haar weer in de macht van [de gedaagde in conventie] te brengen. Daarvoor is nodig dat [de eiser in conventie] een zodanige feitelijke macht over de zaak heeft dat de molen en de aanbouw voor [de gedaagde in conventie] of een derde ontoegankelijk is, waarbij die situatie een normaal gevolg is van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Dit betekent dat de zeggenschap die [de eiser in conventie] over de molen en de aanbouw heeft, moet voortvloeien uit zijn op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst, dat deze zeggenschap de toegang door [de gedaagde in conventie] tot de molen en de aanbouw moet betreffen en dat deze zeggenschap exclusief aan [de eiser in conventie] moet toekomen. Het retentierecht kan ook worden uitgeoefend op een gedeelte van de onroerende zaak (HR 5 december 2003, LJN AL8440, NJ 2004, 340).
4.97.
[de eiser in conventie] stelt dat hij vanaf het begin de bouwplaats heeft omheind met een hekwerk. De aanbouw van de molen is voorzien van sloten met tijdelijke bouwcilinders. Deze tijdelijke cilinders worden voor de oplevering vervangen door definitieve cilinders voor de opdrachtgever. Hij oefende de feitelijke macht uit over de bouwplaats. Hij heeft zich steeds als houder van het werk gedragen.
4.98.
[de gedaagde in conventie] voert in zijn conclusie van antwoord in het incident, waarnaar hij in de hoofdzaak verwijst, aan dat [de eiser in conventie] op het moment waarop hij het retentierecht uitoefende niet de feitelijke macht uitoefende over de molen en de aanbouw.
[de gedaagde in conventie] stelt dat als [de eiser in conventie] al zeggenschap zou hebben gehad over de bouwplaats, die zeggenschap niet exclusief was. Het was [de gedaagde in conventie] die met alle aannemers afsprak wanneer zij hun werkzaamheden zouden verrichten en de aannemers toeliet om werkzaamheden uit te voeren en aan aannemers sleutels gaf om de bouwplaats te betreden.
Toen [de eiser in conventie] zijn retentierecht uitoefende, had hij zijn werkzaamheden al ongeveer twee maanden stil gelegd en hadden andere aannemers nog steeds toegang tot het werk.
Zo [de eiser in conventie] al ooit de feitelijke macht heeft gehad over de molen en de aanbouw, had zij die macht op het moment van uitoefening van het retentierecht in ieder geval niet meer.
4.99.
[de eiser in conventie] heeft dit laatste in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis niet weersproken. Hieruit volgt dat [de eiser in conventie] niet de exclusieve zeggenschap had over de bouwplaats toen hij op 18 oktober 2024 de toegang tot de molen en de aanbouw blokkeerde. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat aan [de eiser in conventie] om die reden geen retentierecht toekwam en hij onrechtmatig heeft gehandeld door op 18 oktober 2024 de toegang tot de molen en de aanbouw te blokkeren. Daar waar [de eiser in conventie] vordert om voor recht te verklaren dat het door hem uitgeoefende retentierecht rechtmatig was, wordt die vordering dus afgewezen.
4.100. [de eiser in conventie] heeft tevens gevorderd om voor recht te verklaren dat [de gedaagde in conventie] het retentierecht onrechtmatig heeft verbroken. [de eiser in conventie] stelt dat [de gedaagde in conventie] in kort geding opheffing van het retentierecht had moeten vorderen. Nu [de gedaagde in conventie] dit niet heeft gedaan, heeft hij onrechtmatig jegens [de eiser in conventie] gehandeld, aldus [de eiser in conventie] .
4.101. [de eiser in conventie] stelt verder in de dagvaarding dat [de gedaagde in conventie] bij het verbreken van het retentierecht schade heeft toegebracht door onder meer de cilinders en de sloten te vernielen. [de eiser in conventie] vordert veroordeling van [de gedaagde in conventie] tot betaling van een bedrag van € 1.207,17 (behoudens P.M.). Dit bedrag bestaat uit de volgende onderdelen:
a. oplevercilinders en hangsloten ad € 746,57 (inclusief btw),
b. vijf stempels op de locatie ad € 65,00 per stuk: € 325,00,
c. plaat- en beschermmateriaal ten behoeve van versperring € 135,60 (12m² x € 11,30).
4.102. [de eiser in conventie] stelt in zijn conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging c.q. vermeerdering van eis (onder randnummer 89), echter dat het gaat om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met het retentierecht. [de eiser in conventie] is van mening dat hij recht heeft op vergoeding van deze kosten, ook al zou achteraf blijken dat het retentierecht ongegrond is.
4.103. De rechtbank is echter van oordeel dat [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] geen aanspraak kan maken op vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met het retentierecht. Dit om de enkele reden dat [de eiser in conventie] ten onrechte de bouwplaats heeft afgesloten omdat hem geen retentierecht toekwam.
[de gedaagde in conventie] heeft overigens gemotiveerd betwist dat [de eiser in conventie] de door hem opgevoerde kosten heeft gemaakt en daarop heeft [de eiser in conventie] niet meer gereageerd. Dit onderdeel van de vordering wordt dus afgewezen.
4.104. Bij deze stand van zaken heeft [de eiser in conventie] geen rechtens te respecteren belang bij een verklaring voor recht dat [de gedaagde in conventie] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld (door eigenmachtig het retentierecht te verbreken). Ook dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.
Eindoordeel over de geldvorderingen van [de eiser in conventie] in hoofdsom in conventie
4.105. De aannemingssom bedraagt € 404.475,17 (inclusief 21% btw).
4.106. Van dit bedrag is -zoals hiervoor onder 4.14. is overwogen- onbetaald gebleven een bedrag van € 48.671,28 inclusief btw, bestaande uit:
  • de 9e termijn factuur ad € 28.447,52,
  • de 10e termijn factuur ad € 20.223,76.
4.107. Het bedrag van € 48.671,28 moet -zoals hiervoor onder 4.47. en 4.77. is overwogen- worden gecorrigeerd als volgt (alles inclusief btw):
  • bij: saldo meerwerk € 45.597,30
  • af: saldo minderwerk/besparingen
resteert bij te tellen: € 26.196,06
4.108. Dit betekent dat de geldvordering van [de eiser in conventie] in hoofdsom bedraagt
€ 48.671,28 vermeerderd met een bedrag van € 26.196,06, zodat de rechtbank uitkomt op een bedrag van € 74.867,34 (alles inclusief btw).
Op grond van het vorenstaande is de hoofdvordering van [de eiser in conventie] dus in beginsel toewijsbaar tot een bedrag van € 74.867,34 inclusief btw.
Het beroep van [de gedaagde in conventie] op verrekening
4.109. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] op grond punten 1.2.7 en 1.2.10 van het in opdracht van [de gedaagde in conventie] opgestelde bestek [de rechtbank begrijpt: de projectomschrijving] en artikel 6:38 BW Pro verplicht was een bouwplanning met bouwtermijn af te geven.
Volgens de bouwplanning die [de eiser in conventie] op 4 oktober 2023 verstrekte, zou het werk op 9 februari 2024 worden opgeleverd. [de eiser in conventie] is daarmee in gebreke gebleven. [de gedaagde in conventie] heeft op grond van 1.2.3. van het bestek vanaf die datum aanspraak op een contractuele korting op de aanneemsom van € 100,00 per kalenderdag. Die korting bedraagt tot de dag waarop [de eiser in conventie] het retentierecht uitoefende € 25.200,00, aldus [de gedaagde in conventie] .
Voor zover hij aan [de eiser in conventie] nog enige betaling schuldig zou zijn, verrekent hij het verschuldigde bedrag met hetgeen hij nog van [de eiser in conventie] te vorderen heeft.
4.110. [de eiser in conventie] betwist dat hij contractueel verplicht was een bouwplanning met een bouwtermijn af te geven. Partijen zijn ook geen bouwtermijn overeengekomen. In de aannemingsovereenkomst staat dat de offerte leidend is en in de offerte staat dat de datum van aanvang en van oplevering nader te bepalen zijn. De opleverdatum was bij het sluiten van de overeenkomst nog niet bepaald. [de eiser in conventie] was als bouwkundig aannemer afhankelijk van derden. [de gedaagde in conventie] had namelijk om kosten te besparen er voor gekozen de verschillende onderdelen in onderaanneming te laten uitvoeren. [de eiser in conventie] kon niet eerder een planning afgeven omdat hij afhankelijk was van door nevenaannemers aan te leveren informatie. Hij heeft in september 2023 wel een globale, voorlopige, planning opgesteld, nadat hij in juni 2023 de definitieve installatietekeningen ontving. Die globale planning was een hulpmiddel, die aan verandering onderhevig was door te laat geleverd (door [de gedaagde in conventie] zelf besteld) materiaal en door vertraging bij door [de gedaagde in conventie] zelf ingeschakelde nevenaannemers, van wie de werkzaamheden op elkaar afgestemd moeten worden. Zo waren de definitieve installatietekeningen pas begin juni 2023 gereed, keurde [de gedaagde in conventie] het zetwerk en de stalen steunen pas op 19 december 2023 goed, waardoor de stukadoor niet meer aansluitend kon werken, ontstond vertraging bij de installateur door het ontbreken van badkamertekeningen en inbouwapparatuur, gaf de stukadoor eind februari 2024 de opdracht terug en duurde het meer dan drie maanden voordat [de gedaagde in conventie] eind mei 2024 een nieuwe draagbalk voor de molen leverde, aldus [de eiser in conventie] .
4.111. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen een fatale opleveringsdatum zijn overeengekomen. Bovendien heeft [de eiser in conventie] in de aannemingsovereenkomst en de offerte opgenomen dat de datum van oplevering nader zou worden bepaald. In zoverre was dus een termijn bepaald, in die zin dat de duur daarvan nader zou worden vastgesteld. Daar komt bij dat [de eiser in conventie] onweersproken heeft toegelicht wat daarvoor de reden was: de omstandigheid dat [de gedaagde in conventie] ervoor koos zelf verschillende nevenaannemers in te schakelen. Ter zitting heeft [de gedaagde in conventie] verklaard dat het daarbij gaat om (onder meer) de installateur, de dakdekker, de voeger, de stukadoor en de tegelzetter. Aan het enkele feit dat [de eiser in conventie] een globale planning voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft opgesteld, waarbij de werkzaamheden op 9 februari 2024 voltooid zouden zijn, kan niet de conclusie worden verbonden dat [de eiser in conventie] daarmee wordt geacht een uiterste termijn van oplevering te hebben aanvaard. [de gedaagde in conventie] mocht er dan ook redelijkerwijze niet vanuit gaan dat [de eiser in conventie] zich door het verstrekken van een globale bouwplanning heeft willen vastleggen op 9 februari 2024 als uiterste opleveringsdatum, te minder omdat ook daarna vertraging is ontstaan door oorzaken die in de risicosfeer van [de gedaagde in conventie] liggen, zoals het installatiewerk en de levering van de draagbalk in de molen.
4.112. Het enkele feit dat [de eiser in conventie] niet in staat was eerder planningen te verschaffen, de globale planning niet is gehaald en hij volgens [de gedaagde in conventie] het werk niet in een aaneengesloten periode heeft uitgevoerd, betekent niet dat [de eiser in conventie] jegens [de gedaagde in conventie] toerekenbaar is tekortgeschoten.
Ook hier is van belang dat [de gedaagde in conventie] zelf meerdere (neven-)aannemers rechtstreeks heeft ingeschakeld bij het bouwproject en dat [de gedaagde in conventie] de directie voerde. [de gedaagde in conventie] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [de eiser in conventie] niet beschikte over benodigde gegevens om een planning te kunnen maken terwijl de uitvoering van de werkzaamheden door de andere aannemers (stukadoor en installateurs) meerdere keren ervoor heeft gezorgd dat hij niet verder kon met zijn werkzaamheden. [de eiser in conventie] had dan wel werklui beschikbaar, maar deze konden op het project niet aan het werk vanwege de volgordelijkheid van werkzaamheden van de verschillende disciplines op de bouw. Ook waren er tegenvallers (zoals hiervoor omschreven) die voor vertraging zorgden en paste [de gedaagde in conventie] zijn wensen meerdere keren aan. Nu [de gedaagde in conventie] delen van het werk aan meerdere nevenaannemers opdroeg, kan hij [de eiser in conventie] , zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, evenmin verwijten dat deze de overeengekomen werkzaamheden niet in een aaneengesloten periode heeft uitgevoerd. Tegen deze achtergrond en gelet op de door [de eiser in conventie] overgelegde urenstaten van ingezette werklui heeft [de gedaagde in conventie] verder onvoldoende onderbouwd dat [de eiser in conventie] de met hem overeengekomen werkzaamheden niet voldoende voortvarend heeft uitgevoerd.
4.113. Artikel 6:38 BW Pro, waarin is bepaald dat indien geen termijn voor de nakoming is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen en dat terstond nakoming kan worden gevorderd, biedt -anders dan [de gedaagde in conventie] kennelijk stelt- voor zijn vordering evenmin een deugdelijke grondslag. Het woord “terstond” dient niet letterlijk te worden genomen. Aan de schuldenaar moet zoveel tijd worden gelaten als hij redelijkerwijs voor het verrichten van de prestatie nodig heeft. Aard en omvang van de met [de eiser in conventie] overeengekomen werkzaamheden zijn van dien aard dat met de uitvoering daarvan veel tijd is gemoeid, rekening houdend ook met de (volgordelijkheid van de) werkzaamheden van de overige door [de gedaagde in conventie] ingeschakelde nevenaannemers.
4.114. [de gedaagde in conventie] heeft verder niet weersproken dat hij [de eiser in conventie] vóór 8 augustus 2024 (toen [de gedaagde in conventie] al in verzuim verkeerde) niet in gebreke heeft gesteld.
4.115. [de gedaagde in conventie] kan gelet op het vorenstaande jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak maken op (primair) een boete en evenmin op (subsidiair) een bedrag van € 13.537,25 als schadevergoeding door vertraging in de uitvoering van het werk, bestaande uit dubbele woonlasten gedurende 8 maanden. Het beroep op verrekening wordt in zoverre verworpen.
4.116. [de gedaagde in conventie] wordt dan ook veroordeeld tot betaling van een bedrag in hoofdsom van
€ 74.867,34 inclusief btw.
Is [de gedaagde in conventie] bij niet tijdige betaling wettelijke rente, verhoogd met 2% verschuldigd?
4.117. [de eiser in conventie] vordert primair dat de hoofdsom wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum en dat die rente wordt vermeerderd met 2% vanaf 14 dagen na het verstrijken van de betaaltermijn.
4.118. Deze vordering is gebaseerd op artikel 11 lid 1 AVA Pro 2013.
[de gedaagde in conventie] voert aan dat hier sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de EU Richtlijn 93/13, mede gelet op de hoogte van de bedongen rente van 2% extra, volgens [de gedaagde in conventie] :
per maand, die ruim boven de wettelijke rente ligt. [de gedaagde in conventie] doet een beroep op vernietiging van artikel 11 lid 1 AVA Pro 2013 en verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:691).
4.119. De rechtbank verwerpt het beroep van [de gedaagde in conventie] op vernietiging, reeds omdat het steunt op een onjuiste lezing van artikel 11 lid 1 AVA Pro 2013.
Anders dan [de gedaagde in conventie] stelt, houdt dat artikellid niet in dat de rente met 2%
per maand[cursivering rechtbank] wordt verhoogd. Daarom is de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad ook niet relevant. Het artikellid van de AVA 2013 houdt in dat het wettelijk rentepercentage wordt verhoogd met 2. En het wettelijk rentepercentage wordt berekend op
jaarbasis.
4.120. De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of hier sprake is van een oneerlijk beding in de zin van voormelde Richtlijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake omdat de wettelijke rente plus opslag van 2% aanzienlijk lager uitkomt dan de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW.
4.121. Dit betekent dat [de gedaagde in conventie] , die in gebreke is gebleven met betaling van hetgeen hij ingevolge de overeenkomst aan [de eiser in conventie] verschuldigd is, als volgt rente verschuldigd is.
Over het bedrag ad € 28.447,52 inclusief btw, zijnde het restant van de factuur voor de 9e termijn, de wettelijke rente met ingang van 26 mei 2024 tot en met 8 juni 2024 en te verhogen met 2 procentpunt vanaf 9 juni 2024 tot de dag van volledige betaling.
Over het bedrag ad € 35.130,72 inclusief btw, zijnde het toe te wijzen bedrag van de factuur van 18 september 2024, de wettelijke rente met ingang van 29 september 2024 tot en met 12 oktober 2024 en te verhogen met 2 procentpunt vanaf 13 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank wijst ten aanzien van het toe te wijzen bedrag van de factuur voor de 10e termijn ad € 9.543,06 (inclusief btw) uitsluitend de wettelijke rente toe vanaf 14 dagen na heden, omdat [de eiser in conventie] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij ten aanzien van die factuur op de wijze als bepaald in artikel 11 AVA Pro 2013 aanspraak kan maken op een eerdere ingangsdatum en op de contractuele verhoging.
Incassokosten
4.122. [de eiser in conventie] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
4.123. [de gedaagde in conventie] voert aan dat hij nooit namens [de eiser in conventie] een schrijven heeft ontvangen waarin hem 14 dagen de tijd wordt geboden om enkel de hoofdsom te voldoen, met gelijktijdige mededeling dat hij incassokosten verschuldigd zou worden indien betaling achterwege blijft. [de eiser in conventie] kan daarom jegens hem geen aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.
4.124. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [de gedaagde in conventie] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
De sommatie van 20 september 2024 en de daarop volgende aanmaningen (zie hiervoor onder 2.28, 2.29 en 2.32) zijn aan [de gedaagde in conventie] verzonden nadat hij in verzuim is geraakt met betrekking tot de facturen van 15 mei 2024 en 18 september 2024. Deze facturen vermelden namelijk dat betaling uiterlijk binnen 10 dagen moet plaatsvinden; een dergelijke termijn is een fatale termijn. In de aanmaningen is bovendien een correcte betalingstermijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning, gegeven en een tarief voor de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. [de eiser in conventie] heeft dus een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
4.125. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom voor zover deze is gebaseerd op de factuur van 15 mei 2024 (€ 28.447,52) en het saldo van het meer- en minderwerk en de besparingen (€ 26.196,06), derhalve over € 54.643,58. De factuur van 13 juni 2025 blijft bij het berekenen van de incassokosten buiten beschouwing omdat deze dateert van na het uitbrengen van de dagvaarding.
4.126. Daarom zal een bedrag van € 1.421,43 terzake van buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
Proceskosten in conventie
4.127. [de gedaagde in conventie] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,61
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
3.225,00
(2,5 punten × Tarief IV € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.522,61
4.128. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijkheid
4.129. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.
[de gedaagde in conventie] heeft zijn aanvankelijke stelling dat van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de nakoming van zijn verbintenissen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst geen sprake is, na verweer van [de eiser in conventie] , ter zitting niet langer gehandhaafd.
De rechtbank oordeelt dat [de gedaagde in conventie] samen met [de eiser in conventie] de aannemingsovereenkomst hebben gesloten, zodat zij als opdrachtgever jegens [de eiser in conventie] hoofdelijk verbonden zijn (artikel 6:6 BW Pro). De hoofdelijke veroordeling geldt ook voor de nevenvordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten alsmede voor de proceskosten. Dit betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Wat betekent dit alles voor de vorderingen van [de gedaagde in conventie] in reconventie?
4.130. [de gedaagde in conventie] heeft jegens [de eiser in conventie] geen aanspraak op een boete wegens te late oplevering. Het ter zake gevorderde bedrag van € 25.200,00 is dan ook niet toewijsbaar.
4.131. Of, en zo ja in hoeverre er sprake is geweest van door [de eiser in conventie] teveel gefactureerde bedragen is reeds beoordeeld in conventie en voor zover daartoe aanleiding was meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de vordering van [de eiser in conventie] in hoofdsom. Hetzelfde geldt ten aanzien van de volgens [de gedaagde in conventie] nog te verrekenen bedragen. Voor vergoeding van bedoelde posten is in reconventie daarom geen plaats, zodat in reconventie ter zake afwijzing dient te volgen.
4.132. De enige post die nog moet worden beoordeeld, is de door [de gedaagde in conventie] gevorderde vergoeding van schade ad € 12.133,68 in verband met de uitoefening van het retentierecht door [de eiser in conventie] .
4.133. [de gedaagde in conventie] stelt dat [de eiser in conventie] bij de uitoefening van het retentierecht schade heeft toegebracht aan zowel de molenromp als aan de aanbouw.
[de gedaagde in conventie] heeft een deskundige ingeschakeld om de omvang van de schade vast stellen. De daarmee gemoeide kosten ad € 1.352,18 dient [de eiser in conventie] aan hem te vergoeden.
De deskundige heeft de -door [de eiser in conventie] te vergoeden- schade vastgesteld op € 4.600,65 (inclusief de eigen kosten van [de gedaagde in conventie] ).
Omdat [de eiser in conventie] weigerde de sleutels van de molenromp en aanbouw aan [de gedaagde in conventie] te retourneren en bovendien blijk gaf eigenrichting toe te passen om zijn recht te halen, zag [de gedaagde in conventie] zich genoodzaakt om de sloten te vervangen en camerabewaking in de schakelen. [de eiser in conventie] dient de hieraan verbonden kosten ad € 6.180,85 aan hem te vergoeden.
4.134. [de eiser in conventie] voert aan dat hij op 18 oktober 2024 de bouwplaats heeft afgesloten. Hij heeft het volledige nieuwbouwdeel van het werk, waarin zich alle leefplekken bevinden, met platen en stempels afgescheiden van de molen. Hij is daarbij zorgvuldig te werk gegaan. Daarbij heeft hij niets vernield. Dit blijkt uit de door hem overgelegde foto’s (productie 42). De door [de gedaagde in conventie] gevorderde schade is ontstaan door (de wijze van) het verbreken van het retentierecht door [de gedaagde in conventie] .
De kosten van de deskundige zijn niet in redelijkheid gemaakt en komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat het door [de gedaagde in conventie] zelf veroorzaakte schade betreft. Het vastleggen van een toestand vergt bovendien geen specifieke expertise, zodat inschakeling van een deskundige overbodig was.
De gevorderde kosten voor het vervangen van sloten en de aanleg van camerabewaking komen niet voor vergoeding in aanmerking. [de eiser in conventie] betwist dat alle sloten in de nieuwbouw en de molen vervangen moesten worden. Van de molen had hij geen sleutel. Voor het overige had volstaan kunnen worden met één slot om toegang te krijgen. Indien [de gedaagde in conventie] geen eigenrichting had gepleegd, maar in kort geding opheffing van het retentierecht had gevorderd, zou hij, [de eiser in conventie] , bij een veroordelend vonnis de sleutels aan [de gedaagde in conventie] hebben afgegeven. De eigenaar van het camerabeveiligingsbedrijf is een goede vriend van [de gedaagde in conventie] . [de gedaagde in conventie] heeft aan het begin van de bouw meerdere keren tegen hem gezegd dat die vriend kosteloos camera’s voor hem wilde plaatsen omdat dat goede reclame voor hem was. [de gedaagde in conventie] handelt te kwader trouw door kosten van het plaatsen van die camera’s achteraf op hem te verhalen. Het door [de gedaagde in conventie] gevorderde bedrag wordt betwist omdat camerabeveiliging inclusief installatie al beschikbaar is vanaf een paar honderd euro. Verder betwist [de eiser in conventie] de noodzaak om kosten voor camerabeveiliging te maken; het uitoefenen van het retentierecht is daarvoor onvoldoende en er is geen ander gedrag van [de eiser in conventie] dat daartoe aanleiding gaf. Bovendien heeft de raadsman kort na het retentierecht aan [de gedaagde in conventie] het verder te volgen traject voorgelegd (arbitrage of gewone rechter), aldus [de eiser in conventie] .
4.135. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] door overlegging van het rapport van expertise van Von Reith Claims Consulting and Recovery BV van 18 december 2024 onvoldoende aangetoond dat [de eiser in conventie] bij de uitoefening van het retentierecht schade heeft toegebracht aan de molen met aanbouw. Uit het rapport blijkt immers dat het onderzoek door de deskundige op 11 november 2024 heeft plaatsgevonden (3 weken na het uitoefenen en verbreken van het retentierecht) en dat tijdens zijn bezoek nog diverse werkzaamheden in volle gang waren. De zich bij het rapport bevindende foto’s zijn afkomstig van de deskundige en dateren dus van 11 november 2024.
De deskundige verklaart tevens dat hij zich alleen heeft gericht op de schadevaststelling.
Of de foto’s de situatie weergeven vlak nadat [de eiser in conventie] zijn retentierecht op 18 oktober 2024 uitoefende staat niet vast. De foto’s kunnen net zo goed ook de situatie weergeven nadat [de gedaagde in conventie] het retentierecht eigenmachtig heeft verbroken. De mogelijkheid blijft dus openstaan dat de schade door [de gedaagde in conventie] is ontstaan bij het doorbreken van het retentierecht dan wel dat (sommige) schadeposten zijn ontstaan bij het verrichten van werkzaamheden in de periode tussen de verbreking van het retentierecht en de datum waarop de deskundige zijn foto’s heeft genomen.
Nu niet vastgesteld kan worden dat de schade aan de molen met aanbouw door [de eiser in conventie] is veroorzaakt, kan [de gedaagde in conventie] ook geen aanspraak maken op vergoeding van de expertisekosten; artikel 6:96 lid 2 BW Pro biedt daarvoor geen zelfstandige grondslag.
4.136. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] verder onvoldoende onderbouwd dat [de eiser in conventie] verplicht kan worden om de kosten van het vervangen van de sloten en van het plaatsen camerabewaking te vergoeden. [de gedaagde in conventie] is namelijk niet meer ingegaan op de gemotiveerde betwistingen van het bestaan, de noodzaak en de omvang van deze schadeposten door [de eiser in conventie] . Daar komt bij dat [de gedaagde in conventie] ter zitting heeft aangegeven dat ook anderen (zoals andere aannemers) beschikten over de sleutels, zodat de noodzaak tot vervangen van sloten door toedoen van [de eiser in conventie] te minder duidelijk is. Gelet op het vorenstaande kon [de gedaagde in conventie] ter onderbouwing van dit deel van zijn vordering niet volstaan met de enkele en summiere stelling dat [de eiser in conventie] weigerde de sleutels van de molenromp en aanbouw te retourneren en blijk gaf eigenrichting toe te passen om zijn recht te halen.
4.137. Bij deze stand van zaken ontbreekt een deugdelijke grondslag om [de eiser in conventie] tot schadevergoeding in verband met de uitoefening van het retentierecht te veroordelen. [de gedaagde in conventie] heeft dan ook geen recht op het ter zake gevorderde bedrag van € 12.133,68.
Proceskosten in reconventie
4.138. De vorderingen in conventie en in reconventie zijn gezamenlijk behandeld, waarbij in conventie de stellingen van [de gedaagde in conventie] in reconventie met betrekking tot minderwerk in een enkel geval voor juist is geoordeeld. Dit heeft tot gevolg gehad dat de vordering van [de eiser in conventie] in hoofdsom tot een enigszins lager bedrag dan door [de eiser in conventie] is gevorderd, wordt toegewezen. Hierin en in de nauwe samenhang tussen de conventie en de reconventie wordt aanleiding gevonden om de proceskosten in reconventie tussen partijen te compenseren zoals in de beslissing wordt vermeld.
Tekst

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 74.867,34 te vermeerderen met:
a. a) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 28.447,52 (inclusief btw) met ingang van 26 mei 2024 tot en met 8 juni 2024 en te verhogen met 2 procentpunt vanaf 9 juni 2024 tot de dag van volledige betaling,
b) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 35.130,72 (inclusief btw) met ingang van 29 september 2024 tot en met 12 oktober 2024 en te verhogen met 2 procentpunt vanaf 13 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
c) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 9.543,06 (inclusief btw) vanaf 14 dagen na heden tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.421,43,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, in de proceskosten van [de eiser in conventie] in conventie van
€ 6.522,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van [de eiser in conventie] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
5.7.
wijst het gevorderde af,
5.8.
compenseert de kosten van de reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
1769