Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3174

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/8223
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.62b ArbeidsomstandighedenbesluitArt. 16, tiende lid, ArbeidsomstandighedenwetArt. 9.9b, eerste lid, onder d, ArbeidsomstandighedenbesluitArt. 4.32a, lid 2 onder b, ArboregelingArt. 4.32a, derde lid, Arboregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boete wegens onevenwichtige vervangingsplicht Arbeidsomstandighedenwet

Eiseres kreeg een boete van €4.500 opgelegd wegens het gebruik van een verfsysteem met een te hoog gehalte vluchtige organische stoffen (VOS) in een distributiecentrum, wat volgens de Arbeidsomstandighedenwet verboden is. De minister handhaafde de boete na bezwaar. De rechtbank oordeelt dat hoewel de vervangingsplicht in het algemeen geschikt en noodzakelijk is om OPS te voorkomen, deze in de concrete situatie van eiseres niet evenwichtig is. Eiseres kon geen economisch haalbaar alternatief gebruiken vanwege de lange droogtijd van verfproducten met minder VOS, wat praktisch onwerkbaar is in distributiecentra.

De rechtbank volgt de minister niet in diens stelling dat de vervangingsplicht altijd geldt ongeacht de grootte van de binnenruimte en dat beschermende maatregelen het niet naleven van de vervangingsplicht niet rechtvaardigen. De rechtbank stelt dat de vervangingsplicht in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het boetebesluit wordt vernietigd en herroepen.

Daarnaast is de redelijke termijn voor de procedure overschreden, waardoor eiseres een immateriële schadevergoeding van €1.000 wordt toegekend, te betalen door minister en Staat. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank doet tevens een aanbeveling aan de regelgever om uitzonderingen te overwegen voor werkzaamheden in grote bedrijfsmatige ruimtes.

Uitkomst: De boete wordt vernietigd omdat de vervangingsplicht in dit concrete geval niet evenwichtig is en de minister wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B.L.G.M. van Gemert),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: mr. drs. S. Martis).
en
Als derde-partij neem aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde boete wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwetgeving. Eiseres is het niet eens met de opgelegde boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete onterecht is opgelegd. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 januari 2024 heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van € 4.500 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. Met het bestreden besluit van 4 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] (directeur/eigenaar van eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 10 februari 2023 hebben arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie onderzoek gedaan op een werklocatie van eiseres. Daarbij is vastgesteld dat een verfsysteem is gebruikt dat de toegelaten hoeveelheid gram vluchtige organische stoffen (VOS) per liter product overschrijdt. Hiervan is op 28 juni 2023 een boeterapport opgesteld. In het boeterapport is opgenomen dat sprake is van een overtreding van artikel 4.62b van het Arbeidsomstandighedenbesluit gelezen in samenhang met artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit is volgens het rapport een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd volgens artikel 9.9b, eerste lid, onder d, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
3.1.
De minister heeft op 28 november 2023 eiseres meegedeeld voornemens te zijn aan haar een boete op te leggen van in totaal € 4.500. Eiseres heeft op dit voornemen gereageerd.
3.2.
Bij besluit van 24 januari 2024 heeft de minister, conform zijn voornemen, aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 4.500. De boete is gebaseerd op de bevindingen die staan in het boeterapport.
3.3.
Met de beslissing op bezwaar van 4 oktober 2024 is de minister bij zijn besluit gebleven.
Waarom heeft de minister een boete opgelegd?
4. Uit het boeterapport volgt dat werknemers van [eiseres] B.V. werkzaamheden hebben verricht, bestaande uit het met een verfsysteem aanbrengen van lijnen, cijfers en letters op de betonnen vloer in een distributiecentrum van Lidl Nederland GmbH (distributiecentrum). Dit is een arbeidsplaats als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. De lijnen, cijfers en letters werden met een spuitmachine aangebracht. Dit is een arbeidsmiddel als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.
4.1.
Het verfsysteem dat werd gebruikt bestond uit BRTC 2K Wegenverf met wit pigment (component A) en BRTC verharder (component B) in de mengverhouding 25:0,9 met toevoeging van 2 liter Multi Verdunner A2. De lijnen, cijfers en letters werden op
verzoek van de klant voorzien van een 'coating' om de belijning slijtvaster te maken. Deze coating bestond uit hetzelfde verfsysteem maar dan zonder kleurpigment (BRTC 2K Wegenverf 'clearcoat'). In het productinformatieblad van het verfsysteem stond vermeld dat het product in gemengde toestand maximaal 467 gram VOS per liter gebruiksklaar product bevat.
4.1.1.
Bij ministeriële regeling zijn werkzaamheden aangewezen waarbij het gevaar van blootstelling van werknemers aan vluchtige organische stoffen zoveel mogelijk moet worden voorkomen door vluchtige organische stoffen te vervangen door onschadelijke of minder schadelijke stoffen of producten. Het aanbrengen van verven en lakken valt onder de aangewezen werkzaamheden. De vervangingsplicht voor verven en lakken is neergelegd in artikel 4.62b van het Arbeidsomstandighedenbesluit en nader uitgewerkt in artikel 4.32a, lid twee onder b van de Arbeidsomstandighedenregeling. Het gaat daarbij om het aanbrengen van verven/lakken die vluchtige organische stoffen bevatten en worden aangebracht in woningen of andere gebouwen. Producten die bij deze werkzaamheden worden gebruikt mogen maximaal 100 gram VOS per liter gebruiksklaar product bevatten. [1] Deze verplichting strekt tot preventie van het Organisch Psychosyndroom (OPS), een aandoening aan het zenuwstelsel die kan worden veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling aan vluchtige organische stoffen.
4.1.2.
Op basis van verstrekte documenten en verklaringen, is door middel van berekening vastgesteld dat het verfsysteem (zowel de witte verf als de blanke lak), dat binnen in het distributiecentrum werd gebruikt, minimaal 185 gram VOS per liter gebruiksklaar product bevatte. Dit is meer dan de toegestane hoeveelheid van 100 gram VOS per liter. Daarmee is sprake van een overschrijding van de grenswaarde zoals opgenomen in het zesde lid van artikel 4.32a van de Arboregeling.
4.1.3.
Volgens de minister betekent het overschrijden van de grenswaarde dat het gevaar van blootstelling van werknemers aan vluchtige organische stoffen niet zoveel mogelijk is voorkomen. De werkzaamheden vonden plaats in een gebouw en eiseres had het gebruikte product moeten vervangen door een product met minder vluchtige organische stoffen. Omdat zij dit niet heeft gedaan, is de boete opgelegd. De minister heeft de hoogte van de boete vastgesteld aan de hand van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (Beleidsregel). Volgens deze Beleidsregel is het boetenormbedrag bij de geconstateerde overtreding € 9.000. Omdat eiseres 41 werknemers in dienst heeft wordt het boetenormbedrag met 50% gecorrigeerd. De boete bedraagt daarom € 4.500.
Afbakening geschil
5. Niet is in geschil dat het verfsysteem zoals dat is gebruikt door eiseres volgens de Richtlijn 2004/42/EG (de Verfrichtlijn) in de handel mocht worden gebracht. Ook niet in geschil is dat het gebruiksklare product (minimaal) 185 gram VOS per liter bevatte. In geschil is de vraag of in dit geval sprake is van een overtreding.
Achtergrond van de vervangingsplicht
6. In het Arbobesluit en de Arboregeling is een algemeen stramien neergelegd op grond waarvan doeltreffende maatregelen moeten worden getroffen om de risico's van blootstelling aan (gezondheidsschadelijke) stoffen zoveel mogelijk te voorkomen. De betreffende maatregelen dienen zo dicht mogelijk aan de bron plaats te vinden. Ter algemene preventie van OPS is het in dit verband noodzakelijk geacht om expliciet voor te schrijven dat producten die vluchtige organische stoffen bevatten moeten worden vervangen door minder schadelijke alternatieven. Daarbij heeft de wetgever betrokken dat – voor zover het schilderwerkzaamheden betreft – de vervangingsplicht uit risico-oogpunt noodzakelijk is en dat vervangende alternatieven voldoende beschikbaar zijn. [2]
Is er sprake van een overtreding van artikel 4.62b van het Arbeidsomstandighedenbesluit?
7. Eiseres betoogt dat zij geen (wettelijke) voorschriften heeft overtreden. Het gebruikte product voldoet aan de Europese Verfrichtlijn. Die richtlijn ziet op ‘emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen’ en bepaalt dat ten aanzien van de verf die eiseres heeft gebruikt een grenswaarde geldt van 500 gram VOS per liter gebruiksklaar product. Daar blijft zij ruim onder. Volgens eiseres is er daarom geen norm overtreden en had aan haar geen boete opgelegd mogen worden. Daarnaast stelt eiseres dat zij rekening heeft gehouden met de bescherming en gezondheid van haar werknemers door ze te voorzien van beschermende kleding, brillen, handschoenen en te zorgen voor voldoende ventilatie. Er waren ventilatoren geplaatst en de overheaddeuren in de hal waren geopend. Ook hieruit blijkt volgens eiseres dat zij geen norm heeft overtreden. Tot slot voert eiseres aan dat de distributiehal waar de werkzaamheden zijn verricht vanwege de omvang van de hal niet als binnenruimte kan worden beschouwd. In ieder geval is het volgens eiseres niet redelijk om, ongeacht de grootte van het gebouw, steeds dezelfde grenswaarde van 100 gram VOS per liter te hanteren. De werkzaamheden van eiseres vinden plaats in parkeergarages en distributiehallen en die zijn niet te vergelijken met bijvoorbeeld een binnenruimte van een woning.
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de Verfrichtlijn ziet op het in de handel brengen van verven, vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen en niet op het gebruik van de producten als zodanig. De minister verwijst daarbij (onder meer) naar overweging 13 van de Richtlijn waarin staat dat de bescherming van de gezondheid van consumenten en/of werknemers en hun arbeidsmilieu niet binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn dient te vallen en dus niet van invloed dient te zijn op maatregelen die de lidstaten voor dat doel nemen. De minister heeft daarom eerst beoordeeld of het verfsysteem dat eiseres heeft gebruikt in de handel mocht worden gebracht. Dit is het geval. Daarna is nagegaan of de werknemers in het concrete geval met het verfsysteem mochten werken. Op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen het werken in de buitenlucht of het werken in een binnenruimte. Omdat de werkzaamheden in een gebouw werden verricht, geldt het voorschrift dat het product moet worden vervangen door een product met maximaal 100 gram VOS per liter. Dat heeft eiseres niet gedaan. De minister volgt daarbij niet de stelling van eiseres dat de vervangingsplicht niet zou moeten gelden bij werkzaamheden in grote open ruimtes, zoals in een distributiehal. De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt in grootte van een ruimte, juist ook om discussies over de omvang van een gebouw te voorkomen. Een binnenruimte is een binnenruimte.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de Verfrichtlijn ziet op het in de handel brengen van een product en niet op het gebruik ervan. Daarvoor geldt de Arbeidsomstandighedenwetgeving. Ook is niet doorslaggevend dat eiseres maatregelen heeft genomen om haar werknemers te beschermen tegen gezondheidsschade door vrijkomende vluchtige organische stoffen. De vervangingsplicht is bedoeld als maatregel aan de bron, in dit geval het verfsysteem zelf, en staat dus los van het treffen van veiligheidsmaatregelen. Voor zover eiseres stelt dat de regelgeving ten onrechte geen onderscheid maakt in de aard en de grootte van een gebouw, moet de rechtbank vaststellen dat het een bewuste keuze is geweest van de regelgever om de branche onder de vervangingsplicht te brengen en dat daarbij geen onderscheid is gemaakt tussen de verschillende soort gebouwen. De vraag of dat redelijk is, wordt hierna beantwoord.
Exceptieve toetsing
9. Een rechter kan een algemeen verbindend voorschrift niet rechtstreeks toetsen op rechtmatigheid. Wel kan de rechter een algemeen verbindend voorschrift, dat geen wet in formele zin is, toetsen op rechtmatigheid in een zaak over een besluit dat op dat voorschrift is gebaseerd. Daarbij vormen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke richtsnoer. [3] Het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling zijn algemeen verbindende voorschriften maar geen wetten in formele zin. Nu de boete is opgelegd op basis van deze regelingen, kan de rechter over de band van het boetebesluit de rechtmatigheid van die regelingen toetsen. Dit betekent dat een regeling zoals hier aan de orde, die strekt tot een vervangingsplicht, moet voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
10. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de vervangingsplicht, zoals die volgt uit het Arbobesluit en de Arboregeling, in het algemeen onredelijk of onevenredig is. Gelet op de hiervoor geschetste achtergrond van de regeling, schoot de preventie van OPS te kort en was het noodzakelijk om maatregelen te treffen aan de bron en de vervanging van vluchtige organische stoffen door minder schadelijke alternatieven expliciet voor te schrijven. Daarbij is in zijn algemeenheid betrokken dat alternatieven voorhanden zijn. Er bestaat dan ook geen reden om artikel 4.62b van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin de vervangingsplicht is neergelegd, onverbindend te verklaren. Dit betekent echter niet dat de minister zonder meer toepassing kon geven aan de regeling en op grond daarvan een boete heeft kunnen opleggen. Steeds moet worden beoordeeld of de vervangingsplicht ook in het concrete geval evenredig is met het doel dat met die plicht is beoogd. Daarbij kunnen de volgende stappen worden onderscheiden: is de vervangingsplicht een geschikt middel om het doel te bereiken, is die vervangingsplicht in het concrete geval ook noodzakelijk en – als sprake is van een geschikte en noodzakelijke maatregel – is de vervangingsplicht in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend.
10.1.1.
Dat de vervangingsplicht een geschikt middel is om blootstelling aan gezondheidsschadelijke stoffen te beperken, staat voor de rechtbank vast. Ook eiseres heeft dit niet betwist. Eiseres betwist in de kern wel de noodzaak om in haar situatie het product te vervangen, nu het ging om werkzaamheden in een grote distributiehal, waarbij de werknemers tegen bloostelling waren beschermd. Ook hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Hoewel niet ondenkbaar is dat de concentratie aan vluchtige organische stoffen die wordt ingeademd bij werkzaamheden verschilt afhankelijk van de ruimte waarin wordt gewerkt, blijft dat het inademen van de stoffen zoveel mogelijk moet worden voorkomen en hoge binnenniveaus moeten worden vermeden. De regelgever heeft bewust gekozen om enkel onderscheid te maken in binnen- en buitenwerkzaamheden om zo het effect van de vervangingsplicht te optimaliseren. Dat is niet onredelijk. Daarbij is gekozen voor een aanpak bij de bron, zodat het dragen van beschermende kleding als zodanig niet meebrengt dat in dat geval van de vervangingsplicht kan worden afgezien. Daarmee is de noodzaak van de vervangingsplicht ook in dit concrete geval gegeven.
10.1.2.
Vraag is vervolgens of de vervangingsplicht in de concrete situatie van eiseres, ook evenwichtig is. Ook als de vervangingsplicht geschikt en noodzakelijk is, mag die in het licht van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden niet onredelijk bezwarend zijn. Op de zitting heeft eiseres in dit verband toegelicht dat vervanging niet goed mogelijk is omdat er geen geschikte alternatieven zijn, althans geen alternatief dat economisch haalbaar is. Eiseres kan een verfproduct gebruiken dat blijft onder de 100 gram VOS per liter gebruiksklaar product, maar daarvan is de gebruikswaarde zo slecht dat het in de praktijk niet toepasbaar is. Dit alternatief kent een droogtijd van vier dagen. Omdat zij voornamelijk werkt in distributiecentra en parkeergarages, kan zij niet steeds van haar opdrachtgever verwachten dat het gebouw enkel voor het aanbrengen van belijningen meerdere dagen wordt gesloten of gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld. Het huidige gebruikte verfsysteem kent een droogtijd van twee uur en is vanuit economisch oogpunt wél bruikbaar. Daarbij merkt eiseres op dat het gebruikte verfsysteem voldoet aan de eisen van de Verfrichtlijn en zij haar werknemers voorziet van beschermende kleding en ademhalingsbeschermingsmiddelen, zodat blootstelling aan gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk wordt vermeden. Het doel van de regeling, de preventie van OPS, komt daarom niet in gevaar.
10.1.3.
De minister heeft op zitting erkend dat de droogtijd niet is berekend maar vindt dit ook niet van belang. Het alternatief is ook met een langere droogtijd nog steeds economisch uitvoerbaar. Bovendien weegt volgens de minister het belang van de gezondheid van de werknemers zwaarder dan het economisch voordeel dat met het gebruikte product wordt behaald. De minister vindt dat ook in situaties als die van eiseres, waarbij wordt gewerkt in grote, vaak deels open ruimtes als parkeergarages en distributiehallen, de vervangingsplicht evenwichtig is.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de vervangingsplicht in dit concrete geval niet evenwichtig is om het doel (de preventie van OPS) te bereiken. Eiseres stelt dat zij geen ander verfproduct kan gebruiken met een lager gehalte aan VOS per liter product, omdat opdrachtgevers dan niet langer van haar diensten gebruik zullen maken. Dit raakt de economische haalbaarheid. Juist die economische haalbaarheid is één van de criteria waaraan wordt getoetst om te bepalen of een branche onder de vervangingsplicht wordt gebracht. [4] Naar het oordeel van de rechtbank staat in dit geval niet vast dat vervanging vanuit economisch oogpunt haalbaar is. De minister kan dit niet terzijde schuiven met enkel de overweging dat het belang van de gezondheid van de werknemer ten allen tijde voorgaat, zeker niet nu eiseres maatregelen heeft getroffen om haar werknemers te beschermen tegen bloostelling aan gezondheidsschadelijke stoffen. In dit geval is niet betwist dat de werknemers van eiseres een ademhalingsbeschermingsmiddel en beschermende kleding hebben gedragen, dat de overheaddeuren van de distributiehal naar de buitenlucht geopend waren en dat ventilatoren waren geplaatst. Hoewel de vraag of voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen in deze procedure niet centraal staat, lijkt het er op dat eiseres voldoende oog heeft gehad voor het gevaar van blootstelling van haar werknemers aan schadelijke stoffen, zodat het belang bij het onverkort vasthouden aan de vervangingsplicht aan kracht inboet.
10.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 4.62b van het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin de vervangingsplicht is neergelegd, in het geval van eiseres buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat ook geen boete kan worden opgelegd. De beroepsgrond slaagt, zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank is ingevolge artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht verplicht om zelf in de zaak te voorzien. Dat zal de rechtbank doen door het boetebesluit te herroepen.
10.4.
Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. De vraag of een economisch haalbaar vervangingsalternatief voorhanden is, speelt niet alleen een rol in deze concrete casus maar geldt eigenlijk voor alle verfwerkzaamheden waarbij in een bedrijfsmatig gebruikte binnenruimte belijningen en markeringen worden aangebracht, zoals distributiecentra en parkeergarages. Zolang niet vast staat dat een werkbaar alternatief voorhanden is dat blijft binnen de grenswaarde van 100 gram VOS per liter gebruiksklaar product, is de vervangingsplicht voor deze werkzaamheden niet reëel en daarmee niet evenwichtig gelet op de belangen die met de vervangingsplicht zijn gemoeid. De rechtbank doet daarom aan de regelgever de aanbeveling om te bezien of de werkzaamheden zoals die worden verricht door eiseres, het aanbrengen van belijningen en markeringen in grote bedrijfsmatig gebruikte ruimtes als distributiehallen en parkeergarages, onder de uitzonderingen te brengen als bedoeld in artikel 4.32a, derde lid, van de Arboregeling.
Overige gronden
11. Omdat de rechtbank het boetebesluit vernietigt, behoeven de overige beroepsgronden niet meer te worden besproken.
Overschrijding van de redelijke termijn
12. De rechtbank stelt ambtshalve (dat wil zeggen, zonder dat eiseres hierop een beroep heeft gedaan) vast dat de redelijke termijn is overschreden. [5]
12.1.
Bij zaken zoals deze waar het gaat om een bestraffende sanctie geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel is overschreden als die procedure langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase in beginsel een jaar mag duren en de beroepsfase ook een jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt. Er kunnen factoren zijn die aanleiding geven om een overschrijding van de termijn van twee jaar gerechtvaardigd te achten.
12.2.
In dit geval is de redelijke termijn begonnen op 24 mei 2023 [6] , de dag waarop de boete is aangezegd. Dit betekent dat, op het moment van het doen van deze uitspraak, de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 10 maanden.
12.3.
Omdat, zoals hierna wordt overwogen, de rechtbank het besluit waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd herroept, is vermindering van die boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn niet mogelijk. [7] Eiseres komt om die reden in aanmerking voor vergoeding van de door haar geleden immateriële schade. Deze schadevergoeding bedraagt € 500 per half jaar waarmee in de bestuurlijke respectievelijk rechterlijke fase de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond. Dit betekent dat de aan eiseres toe te kennen schadevergoeding € 1.000 is.
12.4.
Vervolgens is de vraag wie de schadevergoeding moet betalen. Bij de toerekening van de termijnoverschrijding in punitieve zaken en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding, geldt als uitgangspunt voor zowel de bestuurlijke fase als de beroepsfase dat deze onredelijk lang is als de duur daarvan meer dan een jaar in beslag heeft genomen. Vanaf de aanzegging van de boete op 24 mei 2023 tot aan het bestreden besluit op 4 oktober 2024 is meer dan een jaar verstreken. Daarmee is de redelijke termijn met 5 maanden overschreden. Vanaf het instellen van het beroep op 13 november 2024 tot aan de uitspraak van vandaag is ook meer dan een jaar verstreken. Daarmee is de redelijke termijn in de beroepsfase met 5 maanden overschreden. Hieruit volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval zowel aan de minister als de rechtbank is toe te rekenen. In dat geval wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid verdeeld over de minister en de Staat. Het overschrijden van de redelijke termijn moet daarom voor de helft aan de minister worden toegerekend en voor de helft aan de rechtbank. De Staat betaalt het deel dat aan de rechtbank wordt toegerekend. Dat leidt ertoe dat de minister en de Staat worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van elk € 500.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat minister heeft ten onrechte aan eiseres een boete opgelegd voor een overtreding van artikel 4.62b van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dat betekent dat het bestreden besluit zal worden vernietigd en het boetebesluit van 24 januari 2024 wordt herroepen.
13.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 666 in bezwaar en € 934 in beroep en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
13.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het boetebesluit van 24 januari 2024;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 500 aan eiseres als immateriële schadevergoeding;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 500 aan eiseres als immateriële schadevergoeding;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371 aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.534 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tenzij het gaat om een uitzondering genoemd in het derde lid van artikel 4.32a van de Arboregeling of ontheffing is verleend op grond van artikel 9.16a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
2.Staatsblad 1999, 105, p. 11.
3.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.
4.Staatsblad 1999, 105, p11.
5.ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.
6.Dit blijkt uit bijlage 14 van het Boeterapport.
7.ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7011.