ECLI:NL:RVS:2024:4761
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.W. van de Gronden
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens onttrekking woonruimte zonder vergunning in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellanten een bestuurlijke boete van €20.500 op wegens het onttrekken van een woning aan de bestemming tot bewoning zonder vergunning. Dit volgde op constateringen tijdens huisbezoeken en onderzoek naar toeristische verhuur via Airbnb. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en bevestigde de boete.
In hoger beroep betoogden appellanten dat er geen sprake was van toeristische verhuur en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college terecht uitging van de ambtsedige rapporten en dat woningonttrekking was vastgesteld omdat de woning niet permanent bewoond werd en geen vergunning was verleend.
De Afdeling stelde vast dat het boetestelsel van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 onvoldoende onderscheid maakt en daarmee in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daarom matigde de Afdeling de boete naar €5.000, en vanwege overschrijding van de redelijke termijn met ruim zestien maanden werd de boete verder met 15% verminderd tot €4.250.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het besluit op bezwaar werd eveneens vernietigd. De Afdeling stelde de boete zelf vast en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige en proportionele toepassing van bestuurlijke boetes bij woningonttrekking.
Uitkomst: Boete wegens woningonttrekking verminderd van €20.500 naar €4.250 wegens strijd met evenredigheidsbeginsel en overschrijding redelijke termijn.