Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3199

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/477
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWRArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verzuimboete inkomstenbelasting 2022 en beroep op gelijkheidsbeginsel

Belanghebbende heeft voor het jaar 2022 te laat aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan, ondanks twee keer uitstel en een aanmaning met een uiterste datum. De inspecteur legde daarom een verzuimboete van €385 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze boete, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep behandeld waarbij belanghebbende niet is verschenen. De rechtbank concludeert dat de aanmaning terecht is verzonden en ontvangen, en dat de boete daarom terecht is opgelegd. De hoogte van de boete is passend en in lijn met het beleid, mede omdat het een eerste verzuim betreft. De rechtbank constateert wel een overschrijding van de redelijke termijn, maar dit leidt niet tot matiging van de boete.

Belanghebbende stelde dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van haar echtgenoot, die geen aanmaning ontving en geen boete kreeg. De rechtbank oordeelt dat dit beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat er geen sprake is van begunstigend beleid of een schending van de meerderheidsregel. Belanghebbende heeft geen bewijs geleverd van vergelijkbare gevallen die gunstiger zijn behandeld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de verzuimboete van €385 wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/477

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.648.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] deelgenomen. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2022. Aan belanghebbende is op haar verzoek tweemaal uitstel verleend om aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2022. In eerste instantie is uitstel verleend tot 1 september 2023 en vervolgens is nogmaals uitstel verleend tot 1 december 2023.
2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief met dagtekening 22 december 2023 aangemaand om aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 te doen. In de aanmaning is vermeld dat de aangifte vóór 10 januari 2024 binnen moet zijn.
3. Belanghebbende heeft op 29 juli 2024 aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 gedaan.
4. De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd overeenkomstig de aangifte. Tegelijk met aanslag IB/PVV 2022 heeft de inspecteur een verzuimboete van € 385 opgelegd op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde verzuimboete.
6. Bij brief van 22 november 2024 heeft de inspecteur zijn voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar af te wijzen. In de brief wordt vermeld dat belanghebbende haar bezwaar nog mondeling mag toelichten en dat, als zij daarvan gebruik wil maken, zij vóór 9 december 2024 contact op moet nemen om een afspraak te maken. Belanghebbende heeft afgezien van een hoorgesprek.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
8. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de verzuimboete terecht opgelegd?
9. Als een belastingplichtige de aangifte voor de inkomstenbelasting niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een verzuimboete van maximaal € 5.514 kan opleggen. [1] Hierbij geldt dat voor een verzuimboete geen plaats is als de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt, tenzij dit te wijten is aan omstandigheden die aan de belastingplichtige kunnen worden toegerekend. [2]
10. De verzending van de aanmaning naar het juiste adres rechtvaardigt het vermoeden dat zij op dat adres is ontvangen. Tenzij op grond van feiten en omstandigheden die belanghebbende aanvoert aan de ontvangst van de aanmaning redelijkerwijs kan worden getwijfeld. Dan is het aan de inspecteur om nader bewijs te leveren. [3] Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld of stukken overgelegd waardoor redelijkerwijs aan de ontvangst kan worden getwijfeld. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat de aanmaning is ontvangen.
11. Nu belanghebbende niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan, heeft de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd.
12. De rechtbank moet beoordelen of de verzuimboete ook passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De hoogte van de boete is in lijn met § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, waarbij onder meer rekening is gehouden met het feit dat sprake is van een eerste verzuim, zodat er geen aanleiding is om vanwege die reden de boete te matigen.
13. De rechtbank moet nog wel ambtshalve beoordelen of de boete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. [4] De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg bedraagt twee jaar. Sinds de start van de termijn is meer dan twee jaar verstreken. Omdat de boete niet meer dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [5]
Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?
14. Belanghebbende stelt dat sprake is van het meten met twee maten door de inspecteur. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben beide verzocht om uitstel tot het doen van aangifte IB/PVV 2022. Belanghebbende heeft een aanmaning ontvangen en haar echtgenoot niet. Aan de echtgenoot is ook geen verzuimboete opgelegd. De rechtbank vat deze stelling op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
15. De inspecteur is van mening dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Er is geen sprake van begunstigend beleid en de meerderheidsregel is niet van toepassing. Bij de echtgenoot van belanghebbende is er bij het verwerken van het uitstel iets niet goed gegaan waardoor er geen aanmaning is verzonden.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is nodig dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die veroorzaakt wordt doordat de inspecteur begunstigend beleid voert, de inspecteur het oogmerk heeft een specifieke belastingplichtige of groep belastingplichtigen te bevoordelen of de zogenaamde meerderheidsregel is geschonden.
17. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Belanghebbende heeft geen argumenten aangevoerd waaruit volgt dat de ongelijke behandeling is voortgekomen uit begunstigend beleid of een begunstigend oogmerk van de inspecteur. Een belanghebbende die een beroep doet op de meerderheidsregel moet ten minste twee vergelijkbare gevallen aandragen die gunstiger zijn behandeld. [6] Belanghebbende heeft hiervoor geen bewijs overgelegd. Ook een beroep op de meerderheidsregel slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 22 april 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.
2.Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416.
3.Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102; Hoge Raad 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705.
4.Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
6.Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9489.