Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3260

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
05/163146-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 62 SrArt. 363 SrArt. 429a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voormalig afdelingshoofd P.I. Arnhem voor binnensmokkel en drugshandel

De rechtbank Gelderland heeft op 23 april 2026 een 37-jarige voormalig afdelingshoofd van de Penitentiaire Inrichting Arnhem veroordeeld voor het binnensmokkelen van verboden goederen, waaronder mobiele telefoons, cocaïne, hasj, een waterpijp en alcohol, alsmede voor bezit en handel in harddrugs zoals cocaïne en 4-MMC. De verdachte heeft gedurende een periode van december 2022 tot augustus 2023 deze goederen in de inrichting gebracht en verkocht aan gedetineerden.

Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen van gedetineerden en medewerkers, tapgesprekken, observaties, vondsten bij doorzoekingen en financiële transacties die een onverklaarde contante inkomstenstroom van ruim €32.000 toonden. De verdediging voerde onder meer een vormverzuim aan bij het onderzoek van telefoons, maar de rechtbank oordeelde dat dit vormverzuim geen bewijsuitsluiting of strafvermindering rechtvaardigde.

De rechtbank achtte de verklaringen van getuigen betrouwbaar en voldoende onderbouwd, mede door de onderlinge bevestiging en objectieve bewijsmiddelen. De verdachte heeft zijn voorbeeldfunctie als afdelingshoofd ernstig geschonden en de veiligheid binnen de inrichting in gevaar gebracht. Gezien de ernst van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn werd een gevangenisstraf van 11 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Voor een overtreding werd schuldigverklaring zonder strafoplegging toegepast.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 11 maanden gevangenisstraf voor ambtelijke corruptie, binnensmokkel en drugshandel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/163146-23
Datum uitspraak : 23 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. H.O. den Otter, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 9 augustus 2023 te [werkplaats] en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland, als ambtenaar (in de functie van Afdelingshoofd van de penitentiaire inrichting in [werkplaats] ) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en), heeft aangenomen, te weten één of meerdere geldbedrag(en) althans enige gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en), verleend en/of aangeboden en/of gedaan door één of meer gedetineerde(n) van voornoemde penitentiaire inrichting en/of één of meer familieleden en/of kennissen van die gedetineerde(n) terwijl hij, verdachte,(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat dat deze gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem, verdachte, verleend en/of gedaan en/of aangeboden werd(en) teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten, en/of (telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat dat deze gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem, verdachte, verleend en/of gedaan en/of aangeboden werd(en) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening is gedaan of nagelaten, te weten
het (telkens) binnenbrengen van contrabande (te weten één of meerdere mobiele telefoons, één of meerdere hoeveelheden cocaïne, een waterpijp, Bacardi en/of één of meerdere hoeveelheden hasj) en/of andere goederen, terwijl het bezit en het binnenbrengen van voornoemde contrabande binnen die penitentiaire inrichting verboden was (zie zaaksdossier ‘Ambtelijke corruptie / binnenbrengen contrabande’);
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 9 augustus 2023 te [werkplaats] en/of Nijmegen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meerdere malen, in elk geval eenmaal, één of meerdere voorwerpen en/of goederen, te weten:
- één of meerdere mobiele telefoons;
- één of meer hoeveelheden cocaïne;
- één of meer hoeveelheden hasj;
- een waterpijp en/of
- Bacardi
en/of andere goederen, (telkens) binnen een (afdeling van een) inrichting en/of een instelling waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteld en/of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing was, namelijk de PI [werkplaats] heeft gebracht en/of heeft getracht te brengen, terwijl het bezit van die voorwerpen en/of goederen binnen die (afdeling van die) inrichting en/of instelling verboden was (zie zaaksdossier ‘Ambtelijke corruptie / binnenbrengen contrabande’);
3.
hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2023 tot en met 13 juli 2023 te Huissen en/of [werkplaats] en/of Nijmegen, in ieder geval in Nederland, meerdere malen, in elk geval eenmaal, (telkens) opzettelijk, aan een persoon genaamd [kooper] , heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid 4-mmc (4-methylmethcathinone), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-mmc (4-methylmethcathinone), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zie zaaksdossier ‘Handel in verdovende middelen’;
4.
hhij op of omstreeks 9 augustus 2023 te [werkplaats] , in ieder geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 192 gram hasj, althans een hoeveelheid hasj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zie zaaksdossier ‘Handel in verdovende middelen’);
5.
hij in of omstreeks 9 augustus 2023 te Huissen en/of [werkplaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal (circa) 25 XTC-pillen (MDMA) en/of 0,24 gram MDMA-poeder en/of 2,33 gram MDMA kristallen, in elk geval telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of 0,32 gram cocaïne, MDMA en cocaïne zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zie zaaksdossier ‘Handel in verdovende middelen’).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat hij voor de feiten 1 en 2 uitgaat van een bewezen periode vanaf 1 december 2022 tot 9 augustus 2023.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2. Voor het binnenbrengen van contrabande is onvoldoende bewijs. De verklaringen in het dossier zijn met name
de auditu-verklaringen, zijn grotendeels onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, heeft hij verzocht een beperkte pleegperiode (vanaf 1 januari 2023 tot 9 augustus 2023) bewezen te achten. De raadsman heeft van feit 3 eveneens vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende bewijs. De informatie uit de telefoon kan niet worden gebruikt voor het bewijs, omdat sprake is van een vormverzuim, nu aan het onderzoek aan de telefoon een machtiging van de rechter-commissaris aan ten grondslag had moeten liggen. De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van feiten 4 en 5. De raadsman heeft (voorwaardelijk) verzocht een aantal getuigen te horen (indien de rechtbank neigt tot een bewezenverklaring), te weten [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Bespreking 359a Sv-verweer
De raadsman heeft betoogd dat het onderzoek aan de iPhone 7 en de iPhone 13 die onder verdachte in beslag zijn genomen onrechtmatig is geweest omdat dit onderzoek zonder toestemming van een rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Volgens de raadsman is dit een onherstelbaar vormverzuim ex art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waarbij verdachte nadeel heeft geleden door een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. De resultaten van het onderzoek aan de iPhones dienen daarom van het bewijs te worden uitgesloten.
Uit het arrest CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (C-548/21) (ECLI:EU:C:2024:830) van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 (hierna: het Landeck-arrest) volgt dat de voorgenomen verzameling van de gegevens het relevante aangrijpingspunt is voor de beoordeling of rechterlijke toestemming is vereist voorafgaand aan het veiligstellen van op een telefoon aanwezige gegevens en aan het rechtstreeks raadplegen daarvan. Uit het Landeck-arrest volgt ook dat dergelijke voorafgaande toestemming in veel gevallen is vereist. De toegang tot al die gegevens kan namelijk, in het bijzonder als deze gegevens in onderling verband met elkaar worden gebracht, leiden tot zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker. De daaruit voortvloeiende inbreuk op de door artikel 7 en Pro 8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten moet worden aangemerkt als ernstig of bijzonder ernstig. Een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan is, voor zover hier relevant, alleen dan niet vereist als de inmenging in de betrokken grondrechten die de toegang van een overheidsinstantie tot persoonsgegevens met zich brengt, niet als ernstig kan worden aangemerkt
.Van een dergelijk beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is echter al geen sprake meer als op voorhand te voorzien is dat door het onderzoek aan de smartphone inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, is - behalve in spoedeisende gevallen - een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. [2]
Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in deze zaak de situatie voor dat het onderzoek naar de gegevens op de smartphones zo verstrekkend was dat was te voorzien dat een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van de gebruiker kon worden verkregen. Dit geldt in elk geval voor de iPhone 13 die verdachte in bezit had voor privégebruik en, zij het in mindere mate, voor de iPhone 7 die in de auto van verdachte is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank was gezien het onderzoek naar berichten, verplaatsingen en contacten van deze telefoons te voorzien dat het onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou kunnen meebrengen, zodat daarvoor toestemming van de rechter-commissaris was vereist. Het ontbreken van voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris levert daarom een onherstelbaar vormverzuim op.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of aan dit vormverzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden, en zo ja, welke. Bij de beantwoording van die vraag dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv is uitsluitend aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden (vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376). Daarbij geldt dat een schending van het in artikel 8 EVRM Pro gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 EVRM Pro vervatte waarborg van een eerlijk proces (vgl. HR 7 juli 2009, LJN BH8889, NJ 2009/399) en dat aan een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd (vgl. HR 5 oktober 2010, LJN BL5629, NJ 2011/169).
Voor wat betreft het belang van het geschonden voorschrift stelt de rechtbank vast dat de vereiste rechterlijke toestemming voor onderzoek naar (gevoelige) gegevens het in artikel 8 EVRM Pro neergelegde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer dient. De inbreuk van de in artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde privacyrechten is in deze zaak niet zo aanzienlijk geweest dat van een schending van het recht op een eerlijk proces sprake is. Voor wat betreft de ernst van het verzuim overweegt de rechtbank dat ten tijde van het vormverzuim – daterend van na de Richtlijn 2002/58/EG maar voor het Landeck-arrest – het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was, terwijl in dit geval voor het overige aan de wettelijke vereisten van artikel 126n Sv is voldaan. Dit relativeert de ernst van het vormverzuim aanzienlijk. Verder is niet aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van het verzuim concreet nadeel heeft geleden. De raadsman heeft ter onderbouwing van het nadeel volstaan met de algemene opmerking dat verdachte ernstig in zijn privacy is geschaad, zonder concrete toelichting of onderbouwing waaruit deze privacyschending zou hebben bestaan.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te komen tot uitsluiting van bewijs of, bij veroordeling, tot strafvermindering. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden.
Feiten 1 en 2
Onderzoek Magneetkies is gestart naar aanleiding van zorgen bij de directeur van de Penitentiaire Inrichting in [werkplaats] (verder: P.I. [werkplaats] of: P.I.) over het binnenbrengen van contrabande. Er waren verschillende meldingen bij haar binnengekomen met vermoedens dat verdachte hierbij betrokken zou zijn.
Vast staat dat verdachte ten tijde van de verweten feiten (sinds 2011) werkzaam was in de P.I. [werkplaats] en dat hij daar sinds 2021 afdelingshoofd was. [3]
Getuigenverklaringen
Getuige [getuige 1] , werkzaam in de P.I. [werkplaats] als operationeel manager veiligheid, heeft verklaard dat hij van een tweetal gedetineerden heeft vernomen dat verdachte zich bezighield met het binnenbrengen van contrabande. In december 2022/januari 2023 vertelde gedetineerde [gedetineerde 1] hem dat hij zich zorgen maakte om de invoer van drugs en telefoons en dat daar personeel bij betrokken was. Wat [gedetineerde 1] aan [getuige 1] daarbij vertelde over de verstopplaatsen van de goederen, drugs en telefoons in de cellen, bleek na onderzoek te kloppen. Zo zou bij gedetineerde [gedetineerde 2] zou een telefoon liggen. In eerste instantie werd op de aanwijzingen van [gedetineerde 1] in diens cel een waterpijp aangetroffen en daarna ook een goed verborgen telefoon. [gedetineerde 2] vertelde desgevraagd aan [getuige 1] dat de waterpijp en de telefoon door personeel waren binnengebracht, namelijk door afdelingshoofd [verdachte] , ‘die lange’. Eind januari 2023 vertelde [gedetineerde 1] aanvullend aan [getuige 1] dat het om [verdachte] ging die de goederen binnenbracht. [getuige 1] gaf deze informatie vervolgens door aan het hoofd veiligheid van de P.I. [4] Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat hij zich toen niet kon herinneren dat [gedetineerde 1] specifiek de naam van verdachte heeft genoemd, maar dat [gedetineerde 1] wel iets zei over dat het ging om iemand die in een verhuizing zat en dat was op dat moment het geval bij verdachte. [5]
[gedetineerde 2] , destijds gedetineerd in de P.I. [werkplaats] , heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij de naam [verdachte] ‘die lange’, heeft genoemd tegen [getuige 1] . Hij heeft gewoon de waarheid verteld aan [getuige 1] . Hij had de telefoon via via van [verdachte] . Het ging niet rechtstreeks, maar met een schakel ertussen, een reiniger. De reiniger heeft [gedetineerde 2] verteld dat het via [verdachte] ging. Via die reiniger en [verdachte] kwam hij ook aan de shishapijp. [6]
[gedetineerde 1] heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij [getuige 1] heeft verteld dat er harddrugs, een telefoon, een shishapijp en flessen alcohol binnen waren en dat een personeelslid die goederen tegen betaling binnenbracht. Aanvankelijk wist hij de naam nog niet, maar zodra hij wist dat het om verdachte ging, heeft hij de naam doorgegeven aan [getuige 1] . Hij kreeg die info van de jongen die hasj en een telefoon op zijn cel had. Hij kon de verstopplek aanwijzen omdat hij veel informatie krijgt. [7]
[gedetineerde 3] , ook een gedetineerde, heeft verklaard dat “ze”
(de rechtbank begrijpt: [gedetineerde 3] en (een deel van) zijn medegedetineerden)altijd op voorhand wisten welke acties (zoekingen en spitacties) er op de afdeling gingen plaatsvinden. Verdachte gaf dat aan hen door. Zijn doel daarmee was zijn eigen handel beschermen. Met handel bedoelt hij “alles wat binnen in de P.I. is wat niet mag”, van broodjes döner tot telefoons en drugs. Dat gedrag van verdachte is in elk geval na november 2022 begonnen. [8] Bij de rechter-commissaris heeft [gedetineerde 3] verklaard dat hij bij de directrice heeft genoemd dat er veel gaande was in de P.I. en dat daar personeel bij betrokken was. Hij heeft benoemd dat [verdachte] telefoons, alcohol, drank en ijs binnenbracht. Hij heeft meerdere keren gezien dat [verdachte] dingen mee had. Hij heeft gezien dat [verdachte] spullen in de etenskarren, prullenbakken en schoonmaakmachines deed. Ook zat hij een keer in de cel bij een jongen toen die jongen en verdachte het met elkaar bespraken. Op een ander moment hoorde hij dat een andere jongen en verdachte erover spraken op de afdeling. [9]
Getuige 01 heeft verklaard dat hij zodra hij in de P.I. zat, door een medegedetineerde werd aangesproken over het opzetten van een handel om spullen de P.I. in te smokkelen. De medegedetineerde zou hiervoor goede contacten hebben. Ze hadden het eerder ook al gedaan. Ze hadden namelijk via verdachte cocaïne, telefoons en Bacardi naar binnen gekregen. Hij heeft een aantal keren gezien dat verdachte met volle zakken een cel binnenging en met lege zaken terugkwam. Ergens in februari 2023 zag hij verdachte een cel binnengaan en toen getuige 01 daar vervolgens ook binnenkwam liet de medegedetineerde aan getuige 01 twee plakken hasj zien die hij net daarvoor van verdachte had gekregen. Ook heeft hij gezien dat verdachte een fles Bonomel yoghurtdrank naar een medegedetineerde bracht. De medegedetineerde heeft getuige 01 verteld dat daar Bacardi in zat. Om iets te bestellen moest iemand van buiten een sms sturen aan het nummer [telefoonnummer 1] met de tekst ‘Ben je nog actief?’ Via een ander nummer kwam een reactie om een afspraak te maken om de hasj af te geven en voor de betaling. Er werden vooral hasj en telefoons binnengebracht door verdachte. Er was een gedetineerde die elke twee weken twee plakken hasj bestelde en dat dan doorverkocht. Voor verschillende goederen werden verschillende prijzen berekend. Wat je naar binnen wilde laten brengen, moest je zelf laten kopen. Verdachte regelde dus alleen het transport, het binnensmokkelen. Getuige 01 verklaarde over de prijzen het volgende:

- 50 gram hasj = 300 euro
- 100 gram hasj = 500 euro (sinds een paar maanden geleden 550 euro)
- Cocaïne, 1 krijtje (10gr) = 500 euro
- MDMA: hier weet ik de prijs niet van
- Telefoon = 500 euro (Iphone wat duurder)
- Smartwatch = 1000 euro
- Anabolenkuur = hier weet ik de prijs niet van
- Shisha-pijp (1m hoog) compleet met 1 kg kooltjes en een 1 kg blokjes (hier weet ik de prijs niet van, [verdachte] heeft dit in delen naar binnen gebracht, dit was al binnen voordat ik kwam en de gedetineerde heeft het zelfs minimaal een maand op cel gehad voordat hij gepakt werd)
- Bacardi, whisky, sterke drank = Je krijgt de fles in een pak vruchtensap = 200 à 300 euro afhankelijk wat het was. [10]
Bij de rechter-commissaris heeft getuige 01 verklaard dat een vriend van hem gebruik maakte van de diensten van verdachte, waardoor hij precies weet hoe het in z’n werk ging. Hij wist dat er Bacardi in de fles Bonomel zat omdat de jongen het hem heeft laten ruiken. Hij heeft meerdere malen gezien dat verdachte een cel in ging en met lege handen weer terugkwam. [11]
[gedetineerde 4] , destijds ook gedetineerd in de P.I. [werkplaats] , heeft verklaard dat hij een aantal keer gebruik heeft gemaakt van de diensten van verdachte. Een bestelling komt tot stand door dit met verdachte af te spreken in de P.I., verdachte noemt een dag en tijd waar mensen buiten iets naar hem kunnen brengen en komt altijd naar de afgesproken plek. [gedetineerde 4] heeft 800 euro voor een telefoon betaald en voor 100 gram hasj betaalde hij 400 euro. Hij heeft op 2 mei [2023] door iemand buiten 800 euro en een telefoon laten afgeven aan verdachte. [12]
Getuige [getuige 2] , tot 1 juni 2023 senior onderzoeker bij Bureau Integriteit, stuurde in april 2023 aan zijn collega [getuige 3] een e-mail over een gesprek dat hij had gehad met [gedetineerde 4] met betrekking tot het handelen van verdachte. Daarbij had [gedetineerde 4] het telefoonnummer [telefoonnummer 2] genoemd als het nummer waarop gedetineerden contrabande konden bestellen. [13]
De betrouwbaarheid van voornoemde getuigenverklaringen is door de raadsman betwist. Zij zouden inconsistent en onvoldoende concreet hebben verklaard en om hen moverende redenen belastend hebben verklaard over verdachte. De verklaring van [getuige 1] en [getuige 2] zouden volgens de raadsman vanwege het
de auditu-karakter ook onvoldoende betrouwbaar zijn en daarom uitgesloten moeten worden van het bewijs.
De rechtbank weegt in de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigen mee dat enige behoedzaamheid is geboden, omdat de relatie tussen een gevangene en een afdelingshoofd onder spanning kan staan of slecht kan zijn kan zijn vanwege de aard van die relatie.
Dat hier ten aanzien van verdachte specifiek sprake zou zijn van een ‘vete’ of anderszins gevoelens van rancune bij de hiervoor genoemde gedetineerden, waardoor alleen al daardoor aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen zou moeten worden getwijfeld is niet gebleken. Ook andere concrete en serieuze redenen voor twijfel over die betrouwbaarheid of de betrouwbaarheid van de niet gedetineerde getuigen komen niet uit het dossier naar voren.
De verklaringen van gedetineerden [gedetineerde 2] , [gedetineerde 1] , [gedetineerde 3] , [gedetineerde 4] en getuige 01 bevatten concrete informatie uit eigen waarneming. Daarnaast bevestigen deze verklaringen elkaar over en weer. In het bijzonder geldt voor de verklaringen van [gedetineerde 1] en [gedetineerde 2] dat deze gesteund worden door de verklaring van [getuige 1] , die immers bevestigt dat een telefoon bij [gedetineerde 2] werd aangetroffen op de door [gedetineerde 1] aangewezen, specifieke plek. Ook worden de verklaringen gesteund door de overige, objectieve bewijsmiddelen in het dossier, bestaande uit de hierna te beschrijven tapgesprekken, observaties en bevindingen naar aanleiding van de doorzoekingen.
De verklaringen [gedetineerde 2] , [gedetineerde 1] , [gedetineerde 3] , getuige 01 en [gedetineerde 4] zijn naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die de verklaringen van de getuigen [gedetineerde 2] en [gedetineerde 1] respectievelijk [gedetineerde 4] ondersteunen.
Tapgesprekken en observatie
Gedurende het onderzoek werd een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden verricht, waaronder het uitluisteren van telefoongesprekken en het observeren van verdachte.
[gedetineerde 5] voerde op 3 augustus 2023, na zijn detentie in de P.I. [werkplaats] , een telefoongesprek met [gedetineerde 6] (om 11:10 uur), die op dat moment in de P.I. [werkplaats] verbleef. Uit de uitwerking van dat gesprek volgt dat [gedetineerde 6] vroeg wanneer [gedetineerde 5] ‘plaatjes’ langs gooit, waarop [gedetineerde 5] aangaf dat ‘het al klaarstaat’. Op de vraag wanneer ‘die dinge’ dan komt, antwoordde [gedetineerde 5] dat het deze week of die week erop zal zijn. [14]
[gedetineerde 5] voerde 3 augustus 2023 ook een telefoongesprek met [gedetineerde 7] (om 12:29 uur), die op dat moment in de P.I. [werkplaats] verbleef. De Rijksrecherche heeft dit zogenaamde Telio-gesprek
(het systeem waarmee telefonisch contact kan worden gelegd tussen iemand van buiten de P.I. en een gedetineerde, rechtbank)beluisterd en als volgt uitgewerkt:

[gedetineerde 7] wil weten of [gedetineerde 5] iets met ‘die zwarte hier’ heeft afgesproken. [gedetineerde 5] bevestigt dit. [gedetineerde 7] vraagt of ze morgen om twaalf uur bij de vader van [gedetineerde 5] zijn. Dit gaat wel lukken volgens [gedetineerde 5] . [gedetineerde 7] zegt het nummer van [gedetineerde 5] te gaan geven. Later in het gesprek zegt [gedetineerde 7] dat hij koppijn krijgt van die zwarte, waarop [gedetineerde 5] zegt dat hij nog niet achter dat ding van ‘hem’ is aangegaan. Wanneer [gedetineerde 7] vraagt of hij het wel kan regelen zegt [gedetineerde 5] het thuis te hebben. [gedetineerde 7] geeft aan dat ‘hij’ [gedetineerde 5] alleen nog maar moet betalen. [gedetineerde 5] geeft aan dat het wel goed komt. Het gesprek gaat verder over een dikke Turk waar niks aan gebracht gaat worden. [gedetineerde 7] zegt dat het beter is dat ze het zelf gaan betalen. [gedetineerde 7] voegt hier aan toe ‘alleen maar die zwarte’, waarop [gedetineerde 5] antwoordt dat het geen probleem is en dat ‘hij’ het morgen op kan halen. [gedetineerde 7] zegt dat ‘hij’ morgen naar [gedetineerde 5] toe komt. [15]
Op 4 augustus 2023 – de dag na het hiervoor weergegeven telefoongesprek – werd verdachte geobserveerd door de Rijksrecherche. Hij verliet om 11:53 uur de P.I. en vertrok met zijn auto (een Kia met kenteken [kenteken] ). Hij parkeerde zijn auto op het Loplein in [werkplaats] . Tussen 12:13 uur en 12:18 uur stapte verdachte uit de auto en keek hij bellend om zich heen. Na enkele minuten stapte hij weer in de auto. Vervolgens stapte hij weer uit en liep richting perceelnummer [nummer] aan het [adres] en daar belde hij aan. Een oudere man opende de deur en liep weg. Een andere man stak vervolgens zijn hoofd kort om de deur en sloot de deur. Verdachte bleef voor de deur wachten. De man kwam terug met een rood/oranje doosje van 15x15x10 centimeter en gaf het aan verdachte. Verdachte stapte met dat doosje in de hand in de auto en reed weer naar de P.I. [16]
Verdachte heeft verklaard dat hij daar die dag inderdaad aan de deur is geweest op dat adres en daar iets heeft opgehaald. [17]
Het adres [adres] in [werkplaats] is het adres van de vader van [gedetineerde 5] . [18]
Bij de doorzoeking van de Kia Rio met kenteken [kenteken] op 9 augustus 2023 werd in de bagageruimte aan de achterzijde van het voertuig, onder het reservewiel, een plastic tas aangetroffen met daarin twee blokken in plastic verpakt vermoedelijk verdovende middelen, bruin van kleur en sterk ruikend naar wiet/hasj. [19]
In een telefoongesprek dat [gedetineerde 5] heeft gevoerd op 11 mei 2023 met zijn partner [partner] , vroeg hij [partner] of ze nog geld in huis had. Zij antwoordde nog 800 euro te hebben liggen. [gedetineerde 5] zei dat er iemand langs zou komen en dat ze het daaraan mocht geven. Later in het gesprek vroeg [gedetineerde 5] waar [naam 1] woont, waarop [partner] het adres ‘ [adres] ’ doorgaf. Volgens GBA-informatie heet de broer van [partner] [naam 1] en staat hij ingeschreven op het adres [adres] 4. [20]
Bij de doorzoeking van de rugtas op de werkplek van verdachte op 9 augustus 2023 werd onder meer een doosje met speelkaarten aangetroffen met daarin een aantal notitiebriefjes. Op een van de briefjes stond het adres ‘ [adres] ’ en het telefoonnummer [telefoonnummer 4] . [21]
De Rijksrecherche heeft een CIOT-bevraging gedaan van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Het abonnement van dit telefoonnummer staat op naam van [partner] , wonend aan [adres] in [werkplaats] . Op datzelfde adres staat [gedetineerde 5] ingeschreven. Middels de gevorderde en verstrekte Telio-gesprekken is [gedetineerde 5] geïdentificeerd als de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . [22]
Uit de gegevens van de iPhone 7 afkomstig uit het dashboardkastje van de Kia Rio (met kenteken [kenteken] ) volgt dat verdachte op 7 augustus 2023 tussen 14:00 uur en 14:50 uur vermoedelijk vanuit zijn woonadres voor een kort bezoek naar Velp is gereden, vlakbij het Rijnstate ziekenhuis. In de telefoon is van die dag een chatgesprek in Signal aangetroffen met contact ‘vlugge japie’:
“- 07-08-2023 14:27:59(UTC+2) Zie hem
- 07-08-2023 14:28:26(UTC+2) Oké
- 07-08-2023 14:30:41( UTC+2) Geregeld [duimpje omhoog]”. [23]
Verdachte heeft verklaard dat hij die dag op in Velp hasj heeft opgehaald. Hij had de opdracht om die de P.I. binnen te brengen. [24] Zo ver is het niet gekomen. Hij werd kort daarop gearresteerd.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 4 augustus 2023 in opdracht van/samenspraak met [gedetineerde 5] iets in ontvangst heeft genomen. Op 3 augustus 2023 voerde [gedetineerde 5] immers telefoongesprekken over het ophalen van ‘plaatjes’ die week of de week erop en over dat ‘die zwarte’ om 12 uur bij de vader van [gedetineerde 5] zou zijn. Op 4 augustus 2023 heeft de Rijksrecherche waargenomen dat verdachte bij het adres van de vader van [gedetineerde 5] een doosje (met onbekende inhoud) overgedragen kreeg. Op 7 augustus 2023 vond een kortstondige ontmoeting plaats tussen verdachte en een onbekende in Velp.
Een aantal dagen na die telefoongesprekken en ontmoetingen, namelijk op 9 augustus 2023, is bij verdachte in de auto een tweetal blokken hasj aangetroffen. Daarnaast had verdachte een notitiebriefje in bezit met daarop het telefoonnummer dat in gebruik is bij [gedetineerde 5] en het adres van de broer van de partner van [gedetineerde 5] . De rechtbank leidt uit voorgaande af dat deze bevindingen ondersteunen wat de getuigen hebben verklaard over de werkwijze, namelijk dat iemand ‘van buiten’ contact moest opnemen met verdachte en dat op die wijze bij verdachte goederen konden worden besteld om de P.I binnen te brengen. Op grond van deze bevindingen blijkt ook dat verdachte daadwerkelijk goederen in ontvangst heeft genomen.
Bestelnummer in telefoon verdachte
Bij het onderzoek aan de iPhone 7 die in de Kia Rio van verdachte werd aangetroffen stond het telefoonnummer [telefoonnummer 5] opgeslagen onder de naam [naam 6] . [25] Dit is het telefoonnummer dat door [gedetineerde 4] was doorgegeven aan [getuige 2] als het nummer waar contrabande op kon worden besteld. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor dit toch in zijn telefoon opgeslagen contact en ook geen informatie verstrekt over wie of wat achter de naam [naam 6] schuilging. Verdachte heeft ook tijdens de terechtzitting volgehouden een en ander niet te weten.
Geldstroom
De Rijksrecherche heeft onderzoek verricht naar de financiële situatie van verdachte. Daarbij zijn de contante stortingen en opnamen op de verschillende bankrekeningen en de creditcardrekening van verdachte met elkaar vergeleken. Vanaf januari 2022 tot en met augustus 2023 werd geld opgenomen voor een bedrag van € 14.025,00 en werd in totaal een bedrag van € 50.995,00 gestort. Daarmee werd in die periode € 36.670,00 meer gestort dan opgenomen. [26]
De Rijksrecherche heeft onderzoek gedaan naar verdachtes contante ontvangsten van verkopen via Markplaats en de contant geldbedragen uit casinowinsten. Met deze verkopen en winsten kan een bedrag van € 3.900,00 aan contante inkomsten worden verklaard, bestaande uit de verkoop van een racefiets en twee casinowinsten. Daarmee resteert een onbekende contante inkomstenbron van € 32.770,00. [27]
Verdachte heeft over deze onbekende contante inkomstenbron verklaard dat hij contante bedragen opnam van zijn creditcard en die stortte op zijn bankrekening, spullen heeft verkocht en winsten bij het casino heeft behaald. Echter, ook met inachtneming van de aangetoonde contante bedragen die verdachte met de verkopen en de bezoeken aan het casino zou hebben ontvangen, resteert een hoog bedrag waarvoor geen aannemelijke verklaring is gegeven. De rechtbank concludeert dat sprake was van een onverklaarbare contante inkomstenbron ter hoogte van € 32.770,00.
In samenhang met de inhoud van de andere bewijsmiddelen die wijzen op de betrokkenheid van verdachte bij het binnenbrengen van contrabande, concludeert de rechtbank dat hij voor dat binnenbrengen van goederen in de P.I. (contante) geldbedragen heeft ontvangen.
Conclusie feiten 1 en 2
De rechtbank baseert zich voor de bewezenverklaring op de verklaringen van de getuigen die elkaar over en weer steunen en die verder worden ondersteund door de bevindingen van de opdracht/samenwerking en ontmoeting op 3 en 4 augustus 2023. Deze bevindingen worden verder ondersteund doordat het telefoonnummer dat in gebruik was bij [gedetineerde 5] en het (mogelijk foutief verstane, in ieder geval foutief gespelde) adres van de broer van de vriendin van [gedetineerde 5] genoteerd waren op het notitiebriefje dat is aangetroffen in de tas van verdachte. Het telefoonnummer dat door een gedetineerde is genoemd als bestelnummer, stond in de telefoon van verdachte als contact opgeslagen. Op 9 augustus 2023 zijn er twee blokken hasj aangetroffen in de auto van verdachte, hetgeen bevestigt dat verdachte hasj in ontvangst heeft genomen. De verklaringen van diverse getuigen dat verdachte betaald werd voor zijn diensten, worden ondersteund door de financiële gegevens van verdachte waaruit een grote onverklaarbare contante inkomstenbron is gebleken.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en bij het ontbreken van een deugdelijke en verifieerbare verklaring door verdachte die de hiervoor getrokken conclusies ontzenuwt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als ambtenaar heeft laten betalen voor het binnenbrengen van de goederen die in de tenlastelegging zijn genoemd, zoals ten laste gelegd onder feit 1, en dat hij deze goederen in vereniging heeft binnengebracht zoals ten laste gelegd onder feit 2. Dit betreft contrabande waarvan het bezit in de inrichting – met uitzondering van de waterpijp waarvan de rechtbank dat niet kan vaststellen – verboden is (Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen/Huisregels P.I. [werkplaats] ). De rechtbank houdt als de start van de pleegperiode 1 december 2022 aan, nu over een langere periode door slechts één getuige is verklaard.
Getuigenverzoeken (voorwaardelijk)
De raadsman heeft ter zitting verzocht om [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] te horen bij de rechter-commissaris in het geval de rechtbank verdachte niet vrijspreekt van de feiten 1 en 2. De rechtbank heeft deze getuigen niet voor de bewijsvoering gebruikt, wat maakt dat zij geen Keskin-getuigen zijn. Nu deze getuigen geen rol hebben gespeeld in de bewijslevering en ook niet is onderbouwd dat het horen van hen noodzakelijk is in het kader van het voeren van een eerlijk proces omdat zij een ontlastende verklaring zouden kunnen afleggen, ziet de rechtbank geen noodzaak tot het horen van deze getuigen. De rechtbank wijst deze verzoeken daarom af.
Feit 3
De Rijksrecherche heeft de privételefoon van verdachte met telefoonnummer [telefoonnummer 6] onderzocht en daarop onder meer gesprekken aangetroffen met [kooper] , de ex-partner van verdachtes partner [ex-partner] .
Op 8 februari 2023 stuurde [kooper] aan verdachte: “Heeey [verdachte] , kun je evt volgende week weer wat regelen????,moet wel een beetje de carnaval doorkomen natuurlijk??!!”. Verdachte vraagt wat [kooper] nodig heeft, waarop [kooper] aangeeft drie keer zoveel nodig te hebben als de vorige keer. Verdachte antwoordt dat [kooper] dus alleen [poes-emoji] wil. Later in het chatgesprek legt verdachte uit dat hij met een poes-emoji ‘miauw’ bedoelt (de rechtbank ambtshalve bekend als 4MMC dan wel 3MMC). Verdachte vraagt 50 euro voor deze bestelling, waarop [kooper] voorstelt om een tikkie te sturen als hij het heeft opgehaald. Op 15 februari 2023 stuurde [kooper] of verdachte nog aan zijn bestelling had gedacht en of hij dit kan ophalen bij [naam 7] of dat de verdachte het in zijn brievenbus kan gooien. Verdachte zegt dat [naam 7] ervan afweet. Ze maken een afspraak om de bestelling op te halen bij verdachte thuis. Verdachte zegt dat hij het in een grote zak heeft gedaan en fijn heeft gemaakt.
Op 16 februari 2023 stuurt de verdachte [kooper] een tikkie voor een bedrag van 50 euro met de omschrijving “Carnaval”. Uit de banktransacties van de verdachte blijkt dat hij op donderdag 16 februari 2023 een betaling van 50 euro ontving van [kooper] . Op 15 maart 2023 stuurt [kooper] opnieuw een bericht naar de verdachte: “Hé kerel, kan ik voor zaterdag weer wat bestellen???". Verdachte vraagt daarop wat hij nodig heeft. [kooper] vraagt of hij de vorige keer Miauw had en of verdachte ook coke heeft. Hierop zegt de verdachte dat [kooper] het beestje niet bij de naam moet noemen en stuurt een poes-emoji en een envelop-emoji. Verdachte zegt dat hij alles heeft en dat hij cocaïne puur en versneden kan leveren. [kooper] bestelt uiteindelijk 2 gram voor 100 euro. Ze spreken af dat [kooper] de bestelling bij verdachte thuis komt ophalen. Op 22 april 2023 bestelt [kooper] opnieuw 2 gram cocaïne bij verdachte, en ze maken een afspraak om het op te halen. Op 23 mei 2023 bestelt [kooper] hetzelfde als de vorige keer, ze spreken op 27 mei 2023 om het bij de woning van verdachte op te halen en vervolgens ontvangt verdachte diezelfde dag 100 euro van [kooper] . Op 1 juni 2023 doet [kooper] dezelfde bestelling en ontvangt verdachte op 6 juni 2023 100 euro van [kooper] . Op 15 juni 2023 doet [kooper] een bestelling en een dag later wordt daarvoor 75 euro overgeschreven. Op 26 juni 2023 vraagt [kooper] of verdachte nog wat thuis heeft liggen en daarna volgt een overschrijving van 45 euro. Op 4 juli 2023 vraagt [kooper] om ‘hetzelfde als altijd’, bestelt uiteindelijk 3 gram en daarna volgt een tikkie en betaling van 150 euro. Op 12 juli 2023 wil [kooper] een bestelling plaatsen maar geeft verdachte aan dat hij even rustig aan doet omdat hij de vorige keer een collega tegenkwam. [28]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij kleine hoeveelheden cocaïne en 4-MMC voor [kooper] heeft gekocht en aan hem heeft gegeven. [29]
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte cocaïne en 4-MMC heeft verkocht, verstrekt dan wel afgeleverd aan [kooper] . Anders dan de raadsman heeft betoogd, is ook met de betrekkelijk lage frequentie en hoeveelheden voor een vriendschappelijke relatie tegen geringe verdiensten wel degelijk sprake van het strafbaar verstrekken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de pleegperiode te verkorten zoals de raadsman heeft voorgesteld, nu het strafbare handelen in elk geval in deze periode heeft plaatsgevonden.
Feiten 4 en 5
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 19-20;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 286-287;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 625-648;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 april 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
een of meertijdstip
(pen
)in of omstreeks de periode van 1
december2022 tot en met 9 augustus 2023 te [werkplaats] en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland, als ambtenaar (in de functie van Afdelingshoofd van de penitentiaire inrichting in [werkplaats] )
(een)gift
(en
) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),heeft aangenomen, te weten
één of meerderegeldbedrag
(en
) althans enige gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en), verleend en/of aangeboden en/ofgedaan door één of meer gedetineerde(n) van voornoemde penitentiaire inrichting en/of één of meer familieleden en/of kennissen van die gedetineerde(n) terwijl hij, verdachte, (telkens) wist
of redelijkerwijs vermoeddedat dat deze gift
(en
) en/of belofte(n) en/of dienst(en)hem, verdachte,
verleend en/ofgedaan en/of aangeboden werd(en) teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten, en/of (telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat dat deze gift
(en
) en/of belofte(n) en/of dienst(en)hem, verdachte,
verleend en/ofgedaan en/of aangeboden werd
(en
)ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening is gedaan of nagelaten, te weten het (telkens) binnenbrengen van contrabande (te weten één of meer
deremobiele telefoons, één of meer
derehoeveelheden cocaïne, een waterpijp, Bacardi en
/oféén of meer
derehoeveelheden hasj) en/of andere goederen, terwijl het bezit en het binnenbrengen van voornoemde contrabande binnen die penitentiaire inrichting verboden was
(zie zaaksdossier ‘Ambtelijke corruptie / binnenbrengen contrabande’);
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1
december2022 tot en met 9 augustus 2023 te [werkplaats]
en/of Nijmegen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meerdere malen,
in elk geval eenmaal, één of meerderevoorwerpen en/of goederen, te weten:
- één of meer
deremobiele telefoons;
- één of meer hoeveelheden cocaïne;
- één of meer hoeveelheden hasj;
- een waterpijp en/of
- Bacardi
en/of andere goederen, (telkens) binnen een (afdeling van een) inrichting
en/of een instellingwaarop de Penitentiaire beginselenwet
, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gesteld en/of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingenvan toepassing was, namelijk de
P.I.[werkplaats] heeft gebracht en/of heeft getracht te brengen, terwijl het bezit van die voorwerpen en/of goederen binnen die (afdeling van die)
inrichting en/ofinstelling verboden was
(zie zaaksdossier ‘Ambtelijke corruptie / binnenbrengen contrabande’);
3.
hij
in ofomstreeks de periode van 27 januari 2023 tot
en met13 juli 2023 te Huissen en/of [werkplaats] en/of Nijmegen, in ieder geval in Nederland, meerdere malen
, in elk geval eenmaal, (telkens
)opzettelijk, aan een persoon genaamd [kooper] , heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt
en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid 4-mmc (4-methylmethcathinone), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-mmc (4-methylmethcathinone), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zie zaaksdossier ‘Handel in verdovende middelen’;
4.
hijop
of omstreeks9 augustus 2023 te
Huissen,
in ieder geval in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 192 gram hasj
, althans een hoeveelheid hasj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zie zaaksdossier ‘Handel in verdovende middelen’);
5.
hij
opof omstreeks9 augustus 2023 te Huissen en/of [werkplaats] ,
in elk geval in Nederland,opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal (circa) 25 XTC-pillen (MDMA) en
/of0,24 gram MDMA-poeder en
/of2,33 gram MDMA kristallen
, in elk geval telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMAen
/of0,32 gram cocaïne, MDMA en cocaïne zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet (zie zaaksdossier ‘Handel in verdovende middelen’).
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
als ambtenaar giften aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan worden teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
het in vereniging brengen of trachten te brengen van voorwerpen binnen een inrichting, een instelling of een afdeling daarvan waarop de Penitentiaire beginselenwet, van toepassing is waarvan het bezit binnen die inrichting, instelling of afdeling verboden is, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 4:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van feit 5:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1, 3, 4 en 5 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voor feit 2, zijnde een overtreding, heeft hij schuldigverklaring zonder strafoplegging gevorderd (op grond van artikel 9a Wetboek van Strafvordering).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft als ambtenaar giften aangenomen van gedetineerden of bekenden van gedetineerden om telefoons, drugs een waterpijp en alcohol de P.I. [werkplaats] binnen te brengen. Hij heeft deze goederen ook daadwerkelijk de P.I. binnengebracht. Verdachte heeft met zijn handelen de veiligheid en orde binnen de inrichting ernstig in gevaar gebracht, terwijl hij in zijn functie als afdelingshoofd juist verantwoordelijk was voor de veiligheid van de gedetineerden en zijn collega’s. Ongecontroleerd gebruik van telefoons binnen de P.I. kan voortzetting van strafbaar handelen faciliteren. Het leveren van drugs aan gedetineerden levert naast het veiligheidsrisico ook problemen op voor hun resocialisatie. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en 4MMC (op kleine schaal) en aan verboden drugsbezit.
Verdachte heeft gedurende lange tijd uit financieel gewin telkens de keuze gemaakt te handelen zoals hij heeft gedaan. Hij heeft daarmee het vertrouwen dat hij als afdelingshoofd genoot ernstig geschonden en zowel binnen de P.I. als richting de samenleving afbreuk gedaan aan de voorbeeldfunctie die hij daar had. Bovendien maakt dit strafbare gedrag hem chantabel en ligt daardoor (steeds) ver(der)gaande corruptie op de loer.
Het gaat om zeer ernstige strafbare feiten, waarvoor verdachte een passende straf verdient. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf daarom passend en geboden is.
Dat, zoals verdachte stelt, de detentie voor hem in het bijzonder als voormalig afdelingshoofd in een P.I. extra zwaar uitpakt, is een factor die voor zijn eigen rekening en risico komt. Juist verdachte, met zijn toenmalige functie, mag verondersteld worden de te verwachten gevolgen van het bewezen strafbare handelen te hebben kunnen inschatten. Hij heeft zich daardoor niet laten weerhouden die feiten toch te plegen.
De rechtbank leest in de rapportage van de reclassering dat verdachte sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis in reclasseringstoezicht loopt en dat dat toezicht zonder problemen verloopt. De reclassering ziet daarom geen meerwaarde in verdere reclasseringsbemoeienis in het kader van de strafoplegging en adviseert in het rapport van 27 november 2025, vanwege het verloop van het toezicht en de stabiliteit op diverse leefgebieden, geen verdere begeleiding van reclassering.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de redelijke termijn voor strafvervolging, het tijdstip van aanvang daarvan en het procesverloop het volgende. Verdachte is op 9 augustus 2023 in verzekering gesteld. Vanaf deze datum kon verdachte in alle redelijkheid verwachten dat er tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Nu vonnis wordt gewezen op 23 april 2026, betekent dit dat er twee jaar en ruim acht maanden zijn verstreken vanaf het moment dat de redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is op enig moment geschorst. Voor een niet-gedetineerde verdachte geldt als uitgangspunt dat de strafzaak binnen twee jaar dient te zijn afgerond. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met ruim acht maanden.
De rechtbank acht in beginsel voor de bewezenverklaarde misdrijven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, maar zal deze straf, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht. Vanwege deze gevangenisstraf ziet de rechtbank geen meerwaarde in oplegging van een straf voor de overtreding (feit 2). De rechtbank zal voor dat feit toepassing geven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht en verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57, 62, 363 en 429a van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde onder feiten 1, 3, 4 en 5 tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
11 (elf) maanden;
 bepaalt dat voor feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2026.
Mrs. Tegelaar en Van Veldhuizen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Rijksrecherche, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek Magneetkies (20230036) gesloten op 29 maart 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.4.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 934.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 358-359.
5.De verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 7 november 2024, p. 5 en 9.
6.De verklaring van [gedetineerde 2] bij de rechter-commissaris d.d. 14 november 2025, p. 3-4.
7.De verklaring van [gedetineerde 1] bij de rechter-commissaris d.d. 14 november 2025.
8.Proces-verbaal van verhoor getuige [gedetineerde 3] , p. 375.
9.De verklaring van [gedetineerde 3] bij de rechter-commissaris d.d. 18 november 2024.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige 01, p. 380-383.
11.De verklaring van getuige 01 bij de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2025, p. 5 en 7.
12.Proces-verbaal van verhoor getuige [gedetineerde 4] , p. 336-337.
13.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 341-343 en proces-verbaal van bevindingen, p. 348.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 435.
15.Proces-verbaal van bevindingen, p. 435.
16.Proces-verbaal van observatie: vrijdag 4 augustus 2023, p. 415-416.
17.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 april 2026.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 435.
19.Proces-verbaal van bevindingen, p. 19.
20.Proces-verbaal van bevindingen, p. 434.
21.Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 29.
22.Proces-verbaal van bevindingen, p. 429.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 479-480.
24.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 april 2026.
25.Proces-verbaal van bevindingen, p. 1131 (aanvullend procesdossier).
26.Proces-verbaal van bevindingen, p. 486-488; Proces-verbaal van bevindingen, p. 489-490.
27.Proces-verbaal van bevindingen, p. 593-594.
28.Proces-verbaal van bevindingen, p. 683-684.
29.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 april 2026.