8.4.Khoe stelt in beroep dat in verband met de behandeling een urenbeperking van een dagdeel volstaat. Deze stelling kan de rechtbank echter niet zonder meer volgen, omdat daarvan uitgaande, enkel acht lijkt te worden geslagen op de verminderde beschikbaarheid vanwege behandeling. Dit terwijl in 8.3.3. is overwogen dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat er daarnaast ook preventieve gronden voor de urenbeperking zijn. Wel brengt de stelling van Khoe de rechtbank tot de conclusie dat de verzekeringsarts b&b niet op navolgbare wijze heeft gemotiveerd wat het aandeel van het indicatiegebied preventief is in de totale urenbeperking. Hierbij speelt ook mee, dat wat de rechtbank hierna in overweging 9.3 overweegt over de weging van (het aandeel van) het indicatiegebied stoornis in de energiehuishouding. Om die reden slaagt de beroepsgrond gericht tegen de (motivering van de) preventieve grondslag van de urenbeperking.
Indicatiegebied stoornis in de energiehuishouding
9. In de Standaard is vastgelegd dat een stoornis in de energiehuishouding op vrij eenduidige wijze vastgesteld kan worden, door de toegenomen noodzaak tot recuperatie vast te stellen. De stelling daarbij is dat een stoornis in de energiehuishouding altijd gepaard gaat met toename van de noodzaak tot recuperatie.
De energiehuishouding van het organisme kan, zo is in de Standaard beschreven op drie manieren verstoord zijn:
a. als gevolg van een tekort aan energie;
b. als gevolg van een te groot energieverbruik;
c. bij verminderde mogelijkheden om te kunnen recupereren.
Als de verzekeringsarts op grond van een stoornis in de energiehuishouding heeft vastgesteld dat bij cliënt sprake is van een toegenomen noodzaak tot recuperatie kunnen in de beoordelingspraktijk de volgende uitkomsten aan de orde zijn:
Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer acht uur per dag (of meer) is aan de orde als er geen zodanig toegenomen recuperatienoodzaak bestaat dat cliënt niet binnen dezelfde dag in totaal ongeveer acht uur (of meer) kan werken.
Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer zes uur per dag is aan de orde als er na ongeveer vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen dezelfde dag niet nogmaals gedurende ongeveer vier uur een arbeidsprestatie kan worden geleverd.
Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer vier uur per dag is aan de orde als er na ongeveer vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen de zelfde dag (vrijwel) in het geheel geen arbeidsprestatie meer kan worden geleverd.
Een duurbelastbaarheid van gemiddeld ongeveer twee uur per dag is aan de orde als ruim binnen een periode van vier uur werken een zodanige recuperatietijd nodig is dat binnen de zelfde dag niet nogmaals gedurende ongeveer twee uur een arbeidsprestatie kan worden geleverd.
Uiteraard zijn, zo is in de Standaard vermeld, – in ieder geval in theorie – nog meer varianten mogelijk, zoals bijvoorbeeld twee plus twee plus twee. De verzekeringsarts beschrijft deze mogelijkheden als hiervan sprake is.
De verzekeringsarts beperkt zich tot het bepalen van de duurbelastbaarheid als zodanig. Het is niet zijn taak om zijn oordeel mede te baseren op de inpasbaarheid van cliënt in concrete arbeid noch op de inpasbaarheid in een gebruikelijk arbeidspatroon, zo is in de Standaard opgenomen.