Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3428

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
12133211 \ VV EXPL 26-21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:663 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 7:626 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot loonbetaling en naleving re-integratie na overgang van onderneming

Eiseres was sinds november 2021 in dienst bij stichting (voorheen) en werd per 1 januari 2024 in vaste dienst genomen. Stichting (voorheen) beëindigde haar activiteiten per 1 februari 2026 en stichting werd opgericht met een vergelijkbare bedrijfsvoering. Eiseres ontving vanaf februari 2026 geen loon meer en startte een procedure om stichting te verplichten haar loon te betalen en re-integratieverplichtingen na te komen.

De kantonrechter stelt vast dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden per 1 maart 2026, waardoor de arbeidsovereenkomst van eiseres van rechtswege is overgegaan op stichting. Stichting is daarom gehouden het loon conform CAO GGZ te betalen vanaf die datum, de re-integratieverplichtingen na te leven en eiseres na herstel toe te laten tot de bedongen arbeid.

De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10% vanwege het gerechtvaardigd vertrouwen van stichting dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd. Buitengerechtelijke incassokosten worden deels toegewezen, dwangsommen worden afgewezen wegens gebrek aan belang. De gevorderde betaling van overige posten wordt afgewezen wegens onvoldoende specificatie.

Stichting wordt veroordeeld tot betaling van loon, wettelijke rente, een deel van de incassokosten, en proceskosten. De gevorderde vergoeding van werkelijke proceskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Stichting is gehouden tot loonbetaling vanaf 1 maart 2026, naleving re-integratieverplichtingen en betaling van incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12133211 \ VV EXPL 26-21
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. H. Aydemir,
tegen
[stichting],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [stichting] ,
gemachtigde: mr. J.A. de Bruijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [eiseres]
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 15 april 2026 en heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de zaak tussen partijen [eiseres] en [stichting (voorheen)] (hierna: [stichting (voorheen)] ), bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 12130996 / HA VERZ 26-11. [eiseres] is ter mondelinge behandeling verschenen met haar gemachtigde. Daarnaast zijn namens [stichting] verschenen mevrouw [gemachtigde 1] en de heer [gemachtigde 2] , bijgestaan door de gemachtigde van [stichting] . Door partijen zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen ter zitting is besproken zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[stichting (voorheen)] bood begeleiding aan moeders met kinderen die (nog) niet in staat waren om thuis te wonen met ambulante begeleiding of geheel zelfstandig.
2.2.
[eiseres] is per november 2021 bij [stichting (voorheen)] in dienst getreden in de functie van Persoonlijk begeleider. Dit dienstverband is per 1 januari 2024 omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.3.
Het bij [stichting (voorheen)] door [eiseres] laatstelijk verdiende loon bedroeg € 3.184,92 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.
2.4.
Op de arbeidsovereenkomst van [eiseres] is de CAO Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: CAO GGZ) van toepassing.
2.5.
[eiseres] is sinds 16 mei 2025 arbeidsongeschikt.
2.6.
Bij brief van 30 december 2025 heeft [stichting (voorheen)] aan [eiseres] het volgende bericht:

Per 1 februari 2026 stopt [stichting (voorheen)] met al haar bedrijfsactiviteiten. Rekening houdende met 1 maand opzegtermijn zeggen wij jouw contract per 31 januari 2026 hierbij schriftelijk op
2.7.
Per 2 februari 2026 is [stichting] opgericht. Zij houdt zich volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel bezig met het ondersteunen van moeders en hun kinderen bij het ontwikkelen van een stabiele en veilige werkomgeving, het versterken van opvoedingsvaardigheden en de moeder-kindrelatie, het bevorderen van persoonlijke groei en zelfstandigheid.
2.8.
Vanaf februari 2026 heeft [eiseres] geen loon meer ontvangen. Wel ontvangt zij van het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) sinds 2 februari 2026 een Ziektewet-uitkering.
2.9.
[eiseres] is nadien een verzoekschriftprocedure tegen [stichting (voorheen)] gestart, waarbij zij heeft verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Tevens heeft [eiseres] in die procedure om een voorlopige voorziening gevraagd. De voornoemde zaak is bij de rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, bekend onder zaaknummer 12130996 / HA VERZ 26-11.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert na eiswijziging, uitvoerbaar bij voorraad, om [stichting] te veroordelen tot:
I. betaling van het loon van € 3.715,53 bruto per maand inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, vanaf 1 februari 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
II. naleving van de re-integratieverplichtingen op grond van de Wet Poortwachter op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of een deel daarvan dat [stichting] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen;
III. toelating van [eiseres] , na hersteld verklaring, tot het verrichten van de bedongen arbeid op de gebruikelijke overeengekomen wijze, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of een deel daarvan dat [stichting] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen;
IV. betaling van al het overige dat [stichting] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, wet, CAO GGZ of andere regeling verschuldigd is of nog zal zijn, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, over en na 1 februari 2026, zolang de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd;
V. betaling van de wettelijke verhoging van 50% over het loon genoemd onder I;
VI. betaling van € 810,78 aan buitengerechtelijke incassokosten;
VII. betaling van de wettelijke rente over de onder I, IV, V, VI genoemde posten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;
VIII. primair betaling van (een voorschot op) de werkelijke kosten rechtsbijstand aan de zijde van [eiseres] in de procedure tussen [eiseres] en [stichting] en in de procedure tussen [eiseres] en [stichting (voorheen)] ter hoogte van € 11.835,- exclusief btw, en subsidiair betaling van (een voorschot op) de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in de procedure tussen [eiseres] en [stichting] ter hoogte van € 5.400,- exclusief btw, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan proceskosten;
IX. overlegging van een bruto/netto-specificatie van de onder I en IV tot en met VIII genoemde vorderingen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of een deel daarvan dat [stichting] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag [stichting (voorheen)] heeft haar organisatie overgedragen aan [stichting] . Op grond van de artikelen 7:662 en 7:663 BW is het dienstverband van [eiseres] dan ook van rechtswege op [stichting] overgegaan. [eiseres] heeft [stichting] verzocht om aan haar te bevestigen dat zij middels overgang van onderneming bij [stichting] in dienst is gekomen en dat [stichting] het loon vanaf februari 2026 aan [eiseres] zal betalen. Daarop heeft [stichting] gereageerd door een klacht tegen de advocaat van [eiseres] in te dienen en door te vragen om de persoonsgegevens van [stichting] te vernietigen. Een inhoudelijk antwoord op de verzoeken van [eiseres] is uitgebleven, zodat [eiseres] zich genoodzaakt heeft gezien de onderhavige procedure te starten.
3.3.
[eiseres] vordert - kort gezegd - dat [stichting] haar verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst nakomt, waaronder betaling van het loon vanaf februari 2026 en naleving van haar re-integratieverplichtingen.
3.4.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. [eiseres] ontvangt weliswaar een Ziektewet-uitkering, maar heeft daarop wettelijk gezien geen recht. Deze zal dan ook worden teruggevorderd. Bovendien geldt dat [eiseres] er belang bij heeft dat haar rust en ruimte wordt gegund om te herstellen en dat er uitvoering wordt gegeven aan de re-integratieactiviteiten.
3.5.
[eiseres] stelt zich daarnaast op het standpunt dat [stichting] de volledige juridische kosten die [eiseres] in het kader van deze procedure (en de procedure tegen [stichting (voorheen)] ) heeft moeten maken, dient te vergoeden. Daartoe stelt [eiseres] dat [stichting] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij misbruik heeft gemaakt van (proces)recht.
3.6.
[stichting] heeft verweer gevoerd. Daarbij heeft zij – kort gezegd – gesteld dat juist is dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden, te weten per 1 maart 2026. Van [stichting (voorheen)] heeft [stichting] echter begrepen dat de arbeidsovereenkomst met [eiseres] rechtsgeldig zou zijn opgezegd. [stichting] ging er dan ook te goeder trouw vanuit dat zij [eiseres] niet hoefde over te nemen. [stichting] benadrukt echter dat zij graag een oplossing wil die recht doet aan de positie van [eiseres] .
3.7.
Ten aanzien van de hoogte van het door [eiseres] gevorderde loon wijst [stichting] er op dat uit de (standaard) CAO GGZ volgt dat het loon na 26 weken arbeidsongeschiktheid zakt naar 90%. Na 52 weken zakt het loon nog verder. Bij toewijzing van het loon dient dan ook te worden uitgegaan van het loon conform CAO GGZ.
3.8.
[stichting] stelt dat de door [eiseres] gevorderde dwangsommen moeten worden afgewezen omdat er geen enkele aanleiding bestaat om te veronderstellen dat [stichting] zich niet aan haar verplichtingen zal houden. Ook stelt zij dat de wettelijke verhoging dient te worden gematigd tot nihil omdat [eiseres] een Ziektewet-uitkering ontvangt en dus geen enkele schade heeft geleden en [stichting] daarnaast te goeder trouw het loon niet aan [eiseres] heeft uitbetaald. Tot slot maakt [stichting] bezwaar tegen de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de gevraagde veroordeling in de volledige proceskosten.

4.De beoordeling

Kernvraag en uitkomst
4.1.
Beoordeeld moet worden of [stichting] tegenover [eiseres] gehouden is om de verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst na te komen. Daarvoor dient te worden vastgesteld of en, zo ja, per wanneer er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden.
4.2.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is sprake geweest van een overgang van onderneming per 1 maart 2026, als gevolg waarvan [eiseres] van rechtswege bij [stichting] in dienst is getreden. [stichting] is per die datum dan ook gehouden tot betaling van het loon met emolumenten (conform CAO GGZ), naleving van de re-integratieverplichtingen en toelating van [eiseres] , na hersteldverklaring, tot de bedongen arbeid. Ook de wettelijke rente en de gevraagde veroordeling tot het verstrekken van bruto/netto-specificaties zijn toewijsbaar. De gevorderde wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten worden slechts gedeeltelijk toegewezen. De gevorderde dwangsommen worden afgewezen, evenals de gevorderde betaling van al het overige dat [stichting] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, wet, CAO GGZ of andere regeling aan [eiseres] verschuldigd is. Voor een veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten ziet de kantonrechter geen aanleiding. Wel zal [stichting] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter licht dit oordeel hierna verder toe.
Toetsingskader kort geding
4.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Een loonvordering is naar zijn aard spoedeisend. Daarnaast heeft [eiseres] er in het kader van haar arbeidsgeschiktheid een groot belang bij dat op de kortst mogelijke termijn uitvoering wordt gegeven aan de re-integratieverplichtingen.
Overgang van onderneming
4.5.
Op grond van artikel 7:662 BW Pro is sprake van een overgang van onderneming bij de overgang, ten gevolge van overeenkomst, fusie of splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Daarnaast bepaalt artikel 7:663 BW Pro dat door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger.
4.6.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij bij [stichting] in dienst is als gevolg van een overgang van onderneming. Door [stichting] is op de mondelinge behandeling erkend dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft ook [stichting (voorheen)] ter zitting bevestigd dat van een overgang van onderneming sprake is geweest. [stichting (voorheen)] heeft daarbij nog verduidelijkt dat zij de arbeidsovereenkomst van [eiseres] niet (rechtsgeldig) heeft opgezegd en daarvan is de kantonrechter ook niet gebleken.
4.7.
Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is geweest van overgang van onderneming, waarbij ook de arbeidsovereenkomst van [eiseres] van rechtswege is overgegaan. Ten tijde van de overgang van onderneming was [eiseres] namelijk nog in dienst van [stichting (voorheen)] en voor de overgang van [eiseres] van [stichting (voorheen)] naar [stichting] is daarnaast niet ter zake doende of [stichting] (al dan niet terecht) van een verkeerde voorstelling van zaken is uitgegaan.
4.8.
Ten aanzien van de datum van overgang van onderneming heeft [eiseres] aangevoerd dat voor haar niet duidelijk is per welke datum de overgang van onderneming exact heeft plaatsgevonden. Volgens zowel [stichting] als [stichting (voorheen)] is dit per 1 maart 2026 geweest. Van deze datum zal door de kantonrechter in het hiernavolgende dan ook worden uitgegaan.
Loon
4.9.
[eiseres] heeft aanspraak gemaakt op loonbetaling door [stichting] vanaf 1 februari 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Betaling van het loon betreft een verplichting die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst en die als gevolg van de overgang van onderneming op [stichting] als verkrijger is overgegaan. De vordering van [eiseres] is dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat [stichting] gehouden is het loon aan [eiseres] te betalen vanaf 1 maart 2026, zijnde de datum dat de overgang van onderneming heeft plaatsgevonden.
4.10.
Voor wat betreft de hoogte van het loon zal de vordering worden toegewezen conform het vermeld staande in de CAO GGZ, meer in het bijzonder artikel 5 lid Pro 1, hoofdstuk 6. Hieruit volgt namelijk dat in geval van arbeidsongeschiktheid van de werknemer het loon na 26 weken zakt naar 90% van het brutoloon, na 52 weken tot 80% van het brutoloon, na 78 weken tot 75% van het brutoloon en na 104 weken tot 70% van het brutoloon. [stichting] heeft gesteld, en ook uit artikel 5, hoofdstuk 10, van de CAO GGZ volgt, dat de CAO een standaardkarakter heeft waarvan afwijking ten voordele en ten nadele van de werknemer niet is toegestaan. Dit is door [eiseres] ter zitting ook niet bestreden.
4.11.
De vordering onder I is dan ook toewijsbaar, in die zin dat [stichting] zal worden veroordeeld tot de maandelijkse betaling van het brutoloon aan [eiseres] conform CAO GGZ vermeerderd met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, vanaf 1 maart 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd.
Naleving re-integratieverplichtingen
4.12.
Als een werknemer ziek wordt, moet de werkgever zorgen voor een tijdige en adequate verzuim- en re-integratieaanpak. De regels die hierbij gelden zijn onder meer vastgelegd in de Wet verbetering poortwachter. [stichting] is als werkgever van [eiseres] , die thans nog arbeidsongeschikt is, dan ook gehouden de re-integratieverplichtingen op grond van de Wet verbetering poortwachter na te leven en zal daartoe ook worden veroordeeld.
4.13.
Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom ziet de kantonrechter echter geen aanleiding nu [stichting] erop heeft gewezen dat zij haar verplichtingen gewoon zal nakomen.
Een duidelijk belang van [eiseres] bij dit deel van de vordering ontbreekt dan ook.
Toelating tot de bedongen arbeid
4.14.
Ook de vordering tot toelating van [eiseres] , na hersteld verklaring, tot het verrichten van de bedongen arbeid op de gebruikelijke overeengekomen wijze, is toewijsbaar, nu [stichting] daartoe als werkgever gehouden is en zij daartegen ook geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.
4.15.
De gevorderde dwangsom zal, bij gebrek aan belang, worden afgewezen. Immers ook ten aanzien van deze vordering bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat [stichting] deze verplichting niet zal nakomen.
Betaling van ‘al het overige’
4.16.
[eiseres] heeft onder IV aanspraak gemaakt op betaling van ‘al het overige’ dat [stichting] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, wet, CAO GGZ of andere regeling, verschuldigd is of nog zal zijn. Deze vordering zal worden afgewezen omdat de vordering onvoldoende bepaalbaar is. De vordering is niet gespecificeerd en evenmin heeft [eiseres] toegelicht waar zij met deze vordering precies op doelt.
Wettelijke verhoging
4.17.
[eiseres] heeft verder gevorderd om de (maximale) wettelijke verhoging toe te wijzen over het onder I gevorderde loon. [stichting] heeft op haar beurt verzocht om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.
4.18.
Vaststaat dat [stichting] het loon vanaf maart 2026 niet tijdig aan [eiseres] heeft betaald. Op grond van artikel 7:625 BW Pro kan bij niet tijdige betaling de wettelijke verhoging worden toegewezen over het loon. De wettelijke verhoging wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter in de gegeven omstandigheden aanleiding ziet om deze te matigen tot 10%. Door [stichting] is namelijk gesteld dat zij er op basis van de door [stichting (voorheen)] gedane uitlatingen gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat [eiseres] niet naar haar was overgegaan. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit gaat dat [stichting] niet moedwillig tot niet (tijdige) betaling van het loon is overgegaan.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.19.
[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 810,78 aan buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel BIK. Door [stichting] is bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag.
4.20.
Aangezien [stichting] niet tijdig tot uitbetaling van het loon is overgegaan, heeft [eiseres] haar vordering terecht uit handen gegeven. [eiseres] heeft daarnaast voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De daarvoor gemaakte kosten komen dan ook voor rekening van [stichting] .
4.21.
De buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden berekend over het bedrag aan hoofdsom en niet ook over de door [eiseres] gevorderde volledige juridische kosten. Het door [eiseres] gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gelet op het toegewezen bedrag aan hoofdsom niet in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief dat redelijk wordt geacht. Derhalve wordt conform het in het voornoemd besluit genoemde tarief een bedrag van
€ 459,39 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding.
Wettelijke rente
4.22.
[eiseres] heeft ook nog betaling gevorderd van de wettelijke rente over de onder I en V genoemde posten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening.
4.23.
De gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) is door [stichting] niet betwist en wordt toegewezen over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging, vanaf de opeisbaarheid der respectievelijke bedragen tot de dag van algehele voldoening.
Bruto/netto-specificatie
4.24.
De vordering tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de nog door [stichting] te verrichten betalingen wordt eveneens toegewezen, op grond van artikel 7:626 BW Pro. De kantonrechter gaat ervan uit dat [stichting] zich houdt aan hetgeen waartoe zij in deze uitspraak wordt veroordeeld en zal daarom de gevorderde dwangsom afwijzen.
Proceskosten
4.25.
[eiseres] heeft verzocht om een voorschot op de werkelijke kosten van rechtsbijstand, primair door haar vastgesteld op een bedrag van € 11.835,- exclusief btw en subsidiair op een bedrag van € 5.400,- exclusief btw. Daartoe heeft [eiseres] onder meer gesteld dat [stichting] misbruik heeft gemaakt van (proces)recht en onrechtmatig heeft gehandeld door een arbeidsongeschikte werknemer niet over te nemen en haar aan haar lot over te laten. Zo heeft [stichting] geen informatie over de overgang van onderneming en arbeidsvoorwaarden aan [eiseres] verstrekt en heeft zij nagelaten op de verzoeken van [eiseres] inhoudelijk te reageren. In het geval [stichting] [eiseres] had geïnformeerd en haar dienstverband had overgenomen, dan had [eiseres] de onderhavige procedure(s) niet hoeven starten. Door [stichting] is betwist dat sprake is geweest van misbruik van (proces)recht/onrechtmatig handelen.
4.26.
Hoofdregel is dat een forfaitair bedrag aan proceskosten wordt toegekend en niet de werkelijke proceskosten die vaak hoger zijn. Slechts in buitengewone omstandigheden bestaat er ruimte voor een vergoeding van de volledige kosten, waarbij gedacht moet worden aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiermee dient terughoudend te worden omgegaan.
4.27.
Geen grond wordt gezien om in afwijking van deze hoofdregel in dit geval [stichting] te veroordelen tot betaling van (een voorschot op) de werkelijke proceskosten. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de kantonrechter namelijk niet gebleken van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [stichting] .
4.28.
Hoewel vast staat dat [stichting] wist dat [eiseres] arbeidsongeschikt was en bij [stichting (voorheen)] in dienst was, maakt dit nog niet dat zij er van op de hoogte was dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres] als gevolg van de overgang van onderneming naar haar zou overgaan. Tijdens mondelinge behandeling heeft zij immers verklaard dat zij er op basis van door [stichting (voorheen)] gedane uitlatingen vanuit ging dat [stichting (voorheen)] de arbeidsovereenkomst met [eiseres] nog voor de overgang van onderneming zou beëindigen. Het voorgaande is door [stichting (voorheen)] op de mondelinge behandeling als zodanig ook niet weersproken. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [stichting] er gerechtvaardigd op vertrouwde dat [eiseres] niet naar haar was overgegaan.
4.29.
[stichting] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom wel de proceskosten (inclusief nakosten) conform het forfaitaire liquidatietarief betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.425,94

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [stichting] tot de maandelijkse betaling van het brutoloon aan [eiseres] conform CAO GGZ vermeerderd met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, vanaf 1 maart 2026 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, en over de achterliggende periode te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% over het te laat betaalde loon (artikel 7:625 BW Pro) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over het te laat betaalde loon en de wettelijke verhoging, vanaf het opeisbaar worden der respectievelijke bedragen tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [stichting] tot naleving van de re-integratieverplichtingen op grond van de Wet verbetering poortwachter,
5.3.
veroordeelt [stichting] om [eiseres] , na hersteld verklaring, toe te laten tot het verrichten van de bedongen arbeid op de gebruikelijke overeengekomen wijze,
5.4.
veroordeelt [stichting] tot betaling aan [eiseres] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 459,39, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [stichting] om aan [eiseres] binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken conform artikel 7:626 BW Pro waarin de voornoemde betalingen zijn verwerkt,
5.6.
veroordeelt [stichting] in de proceskosten van € 1.425,94 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
2108