Art. 7:670 lid 1 BWArt. 7:671 lid 1 BWArt. 7:671a lid 1 BWArt. 7:662 BWArt. 7:663 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging opzegging arbeidsovereenkomst wegens overgang van onderneming en toekenning loon februari 2026
Verzoekster was sinds november 2021 in dienst bij stichting (voorheen) als persoonlijk begeleider en sinds januari 2024 in vaste dienst. Zij is sinds mei 2025 arbeidsongeschikt. Stichting (voorheen) zegde het contract op per 31 januari 2026 wegens beëindiging bedrijfsactiviteiten. Verzoekster betwistte de rechtsgeldigheid van de opzegging vanwege het opzegverbod tijdens ziekte en het ontbreken van een ontslagvergunning van het UWV.
De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was en vernietigde deze. Tevens werd vastgesteld dat per 1 maart 2026 een overgang van onderneming had plaatsgevonden naar stichting, waardoor verzoekster daar van rechtswege in dienst trad. Hierdoor bleef de arbeidsovereenkomst na 31 januari 2026 voortbestaan bij stichting (voorheen) tot 1 maart 2026 en daarna bij stichting.
Verzoekster kreeg loon over februari 2026 toegewezen conform de CAO GGZ, vermeerderd met wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging van 20%. Verzoeken tot loonbetaling na 1 maart 2026 en tot nakoming van re-integratieverplichtingen door stichting (voorheen) werden afgewezen vanwege de overgang van onderneming. Ook werd stichting (voorheen) veroordeeld tot vergoeding van een gematigd bedrag aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
De kantonrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat met deze beschikking een eindbeslissing werd gegeven. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en loon over februari 2026 wordt toegewezen met vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 12130996 \ HA VERZ 26-11
Beschikking van 30 april 2026
in de zaak van
[naam verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. H. Aydemir,
tegen
[stichting (voorheen)],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [stichting (voorheen)] ,
gemachtigde: mr. Ph. Ekering.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift ex artikel 7:681 BWPro, tevens houdende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 RvPro
de producties van [verzoekster]
het verweerschrift
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 15 april 2026 en heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van de kort geding zaak tussen partijen [verzoekster] en [naam stichting] (hierna: [stichting] ), bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 12133211 \ VV EXPL 26-21. [verzoekster] op de mondelinge behandeling verschenen met mr. Aydemir. Daarnaast is namens [stichting (voorheen)] verschenen de heer [naam] bijgestaan door mr. Ekering. Door mr. Aydemir zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Ook hebben partijen hun standpunten nog nader toegelicht. Van hetgeen ter zitting is besproken zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2.De feiten
2.1.
[stichting (voorheen)] bood begeleiding aan moeders met kinderen die (nog) niet in staat waren om thuis te wonen met ambulante begeleiding of geheel zelfstandig.
2.2.
[verzoekster] is per november 2021 bij [stichting (voorheen)] in dienst getreden in de functie van Persoonlijk begeleider. Dit dienstverband is per 1 januari 2024 omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.3.
Het bij [stichting (voorheen)] door [verzoekster] laatstelijk verdiende loon bedroeg € 3.184,92 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.
2.4.
Op de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is de CAO Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: CAO GGZ) van toepassing.
2.5.
[verzoekster] is sinds 16 mei 2025 arbeidsongeschikt.
2.6.
Bij brief van 30 december 2025 heeft [stichting (voorheen)] aan [verzoekster] het volgende bericht:
“ Per 1 februari 2026 stopt [stichting (voorheen)] met al haar bedrijfsactiviteiten. Rekening houdende met 1 maand opzegtermijn zeggen wij jouw contract per 31 januari 2026 hierbij schriftelijk op”
2.7.
Per 2 februari 2026 is [stichting] opgericht. Zij houdt zich volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel bezig met het ondersteunen van moeders en hun kinderen bij het ontwikkelen van een stabiele en veilige werkomgeving, het versterken van opvoedingsvaardigheden en de moeder-kindrelatie, en het bevorderen van persoonlijke groei en zelfstandigheid.
2.8.
Vanaf februari 2026 heeft [verzoekster] geen loon meer ontvangen. Wel ontvangt zij van het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) sinds 2 februari 2026 een Ziektewet-uitkering.
3.Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekster] verzoekt (na wijziging van haar verzoek) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
Bij wijze van voorlopige voorziening:
I. [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het loon van € 3.184,92 bruto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering en eventuele loonsverhogingen, vanaf 31 januari 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%;
II. [stichting (voorheen)] te veroordelen tot verstrekking van loonspecificaties vanaf 1 februari 2026 tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [stichting (voorheen)] na 2 dagen na de datum van beschikking in gebreke blijft;
III. [stichting (voorheen)] te gebieden om aan haar re-integratieverplichtingen op grond van de Wet Poortwachter te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [stichting (voorheen)] in gebreke blijft;
IV. [stichting (voorheen)] te gebieden om [verzoekster] , na hersteld verklaring, in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, of een gedeelte daarvan dat [stichting (voorheen)] in gebreke blijft;
V. [stichting (voorheen)] primair te veroordelen tot betaling van (een voorschot op) de werkelijk gemaakte kosten rechtsbijstand in de procedure tussen [verzoekster] en [stichting (voorheen)] en in de procedure tussen [verzoekster] en [stichting] ter hoogte van € 11.835,- exclusief btw, en subsidiair te veroordelen tot betaling van (een voorschot op) de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in de procedure tussen [verzoekster] en [stichting (voorheen)] ter hoogte van € 6.435,-;
Primair:
I. de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen;
II. [stichting (voorheen)] te verplichten om aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen op grond van de Wet Poortwachter totdat [verzoekster] is hersteld, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, of gedeelte daarvan dat [stichting (voorheen)] in gebreke blijft;
III. [stichting (voorheen)] te gebieden om [verzoekster] , na hersteldverklaring, in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag, of een gedeelte daarvan dat [stichting (voorheen)] in gebreke blijft;
IV. [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling van het loon van € 3.184,92 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en eventuele loonsverhogingen, vanaf 31 januari 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BWPro;
Subsidiair:
V. [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 14.862,12 bruto wegens onregelmatige opzegging, een bedrag van € 5.679,90 bruto aan transitievergoeding en een bedrag van € 77.060,34 bruto aan billijke vergoeding;
Meer subsidiair
VI. voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd wegens de opzegging, [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.263,67 bruto aan transitievergoeding;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
VII. [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente en wettelijke verhoging, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;
VIII. [stichting (voorheen)] te veroordelen tot primair de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [verzoekster] in de procedure tussen [verzoekster] en [stichting (voorheen)] en in de procedure tussen [verzoekster] en [stichting] van € 11.835,- te betalen en subsidiair de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [verzoekster] in de procedure tussen [verzoekster] en [stichting (voorheen)] ter hoogte van € 6.435,- exclusief btw.
3.2.
[stichting (voorheen)] heeft op 30 december 2025 de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd per 31 januari 2026 wegens het beëindigen van haar bedrijfsactiviteiten. Van een rechtsgeldige opzegging is volgens [verzoekster] echter geen sprake geweest. Daartoe stelt [verzoekster] dat de zij nog altijd arbeidsongeschikt is, en er dus sprake is van een opzegverbod (artikel 7:670 lid 1 sub a BWPro), en dat [stichting (voorheen)] daarnaast niet over een ontslagvergunning van het UWV beschikt op basis waarvan de arbeidsovereenkomst kan worden opgezegd. Evenmin heeft [verzoekster] ingestemd met een beëindiging van het dienstverband.
3.3.
[verzoekster] stelt niet eerder van [stichting (voorheen)] te hebben vernomen dat zij haar bedrijfsactiviteiten zou gaan staken en daarbij komt dat de arbeidsovereenkomsten met de collega’s van [verzoekster] niet zijn opgezegd. Het lijkt er dan ook meer op dat er van een overgang van onderneming naar [stichting] sprake is geweest. In geval van overgang van onderneming heeft [stichting (voorheen)] de verplichting tegenover [verzoekster] om haar tijdig te informeren over de overgang en wat de gevolgen daarvan voor [verzoekster] zijn. [stichting (voorheen)] heeft dit echter nagelaten.
3.4.
[verzoekster] verzoekt primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en om [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 31 januari 2026, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging. Ook stelt zij dat [stichting (voorheen)] gehouden is om de re-integratieverplichtingen voort te zetten en om [verzoekster] , na hersteld melding, weer in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten. Subsidiair verzoekt [verzoekster] om [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling van de vergoeding onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en de billijke vergoeding. Meer subsidiair, voor het geval dat de arbeidsovereenkomst door opzegging wel is geëindigd, vraagt [verzoekster] om een transitievergoeding. Tot slot vraagt [verzoekster] om een voorlopige voorziening voor de duur van het geding en om vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand.
3.5.
[stichting (voorheen)] voert verweer. Daarbij stelt zij - samengevat - dat van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake is geweest. De bij
e-mail van 30 december 2025 gedane opzegging betrof slechts een formele bevestiging van hetgeen partijen eerder al in december met elkaar hadden besproken, te weten dat er een overgang van onderneming zou gaan plaatsvinden en dat de bedrijfsactiviteiten van [stichting (voorheen)] , en dus ook de werkzaamheden van [verzoekster] bij [stichting (voorheen)] , zouden stoppen.
3.6.
Mocht de opzegging worden vernietigd, dan meent [stichting (voorheen)] dat er sprake is geweest van een overgang van onderneming als gevolg waarvan [verzoekster] bij [stichting] in dienst is getreden. Daardoor zijn de re-integratieverplichtingen en de verplichting tot het betalen van loon op [stichting] overgegaan. De bedrijfsactiviteiten van [stichting (voorheen)] zijn beëindigd zodat de bedongen werkzaamheden, die [verzoekster] na hersteld melding wenst te verrichten, zijn opgehouden te bestaan. Ook verzet [stichting (voorheen)] zich tegen oplegging van de gevraagde dwangsom en beroept zij zich op matiging van de wettelijke verhoging.
3.7.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van [verzoekster] stelt [stichting (voorheen)] dat [verzoekster] bij [stichting] in dienst is getreden, zodat van een einde van het dienstverband geen sprake is geweest en er voor toekenning van de gevraagde vergoedingen dus ook geen aanleiding bestaat.
3.8.
Tot slot is [stichting (voorheen)] ten aanzien van de meer subsidiair verzochte veroordeling in de werkelijke proceskosten van mening dat van misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen geen sprake is geweest.
4.De beoordeling
Kernvraag en uitkomst
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd en [stichting (voorheen)] moet worden veroordeeld tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geweest en zoals (primair is) verzocht wordt vernietigd. Daarnaast wordt geoordeeld dat [verzoekster] per 1 maart 2026, als gevolg van een overgang van onderneming, van rechtswege bij [stichting] in dienst is getreden. Dit heeft tot gevolg dat enkel het primair verzochte loon (conform CAO GGZ) over de maand februari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente en (gematigde) wettelijke verhoging, wordt toegewezen en dat de (primaire) verzoeken van [verzoekster] voor het overige worden afgewezen. Ook ziet de kantonrechter aanleiding om [stichting (voorheen)] in de werkelijk gemaakte proceskosten, zij het met matiging, te veroordelen. Aan de beoordeling van de ex artikel 223 RvPro gevraagde voorzieningen wordt niet toegekomen, nu bij deze beschikking een eindbeslissing wordt gegeven.
De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Voorlopige voorziening
4.3.
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan namelijk alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. De onderhavige procedure wordt met deze beschikking beëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoekster] . [1]
Vernietiging van de opzegging
4.4.
[verzoekster] heeft primair onder I verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Dit verzoek wordt toegewezen, welk oordeel als volgt wordt toegelicht.
4.5.
Artikel 7:681 lid 1 BWPro bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien (onder meer) sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BWPro, dan wel een opzegging in strijd met artikel 7:670 BWPro.
4.6.
Vooropgesteld wordt dat niet gebleken is dat [verzoekster] schriftelijk heeft ingestemd met de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast geldt dat [verzoekster] sedert 16 mei 2025 arbeidsongeschikt is, zodat het opzegverbod tijdens ziekte ten tijde van de opzegging gold, en dat ook niet is gebleken van een door [stichting (voorheen)] verkregen ontslagvergunning van het UWV op basis waarvan de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] mocht worden opgezegd. Het voorgaande maakt dan ook dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd is met zowel artikel 7:670 lid 1 BWPro als artikel 7:671 lid 1 BWPro (juncto artikel 7:671a lid 1 BW en artikel 7:699 lid 3 sub a BWPro) en dus voor vernietiging in aanmerking komt.
4.7.
Daarbij komt dat door [stichting (voorheen)] tijdens de mondelinge behandeling ook is erkend dat van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst geen sprake is geweest, zodat het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van de opzegging ook om die reden toewijsbaar is. Het voorgaande brengt met zich dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] ook na 31 januari 2026 is blijven voortbestaan.
Overgang van onderneming
4.8.
[stichting (voorheen)] heeft zich er, in geval van een vernietiging van de opzegging, op beroepen dat van een overgang van onderneming sprake is geweest, waarbij de diensten van [stichting (voorheen)] met behoud van identiteit op [stichting] zijn overgegaan. Daarmee is volgens [stichting (voorheen)] ook het dienstverband van [verzoekster] , met alle bijbehorende verplichtingen, op [stichting] overgegaan.
4.9.
Op grond van artikel 7:662 BWPro is sprake van een overgang van onderneming bij de overgang, ten gevolge van overeenkomst, fusie of splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt.
4.10.
De stelling van [stichting (voorheen)] , inhoudende dat er een overgang van onderneming is geweest, is door [stichting] tijdens mondelinge behandeling erkend. Daarnaast heeft ook [verzoekster] op de mondelinge behandeling bevestigd dat er volgens haar sprake is geweest van een overgang van onderneming. Op basis hiervan gaat de kantonrechter er dan ook vanuit dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden.
4.11.
Ten aanzien van de datum van overgang van onderneming heeft [stichting] gesteld dat dit per 1 maart 2026 is geweest, hetgeen [stichting (voorheen)] op de mondelinge behandeling niet heeft bestreden. Uitgegaan wordt dan ook van 1 maart 2026 als zijnde de datum waarop de overgang van onderneming heeft plaatsgevonden.
4.12.
Het voorgaande heeft op grond van het bepaalde in artikel 7:663 BWPro tot gevolg dat de rechten en verplichtingen die op het moment van overgang van onderneming voor [stichting (voorheen)] voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] vanaf 1 maart 2026 van rechtswege zijn overgaan op [stichting] .
Loon
4.13.
[verzoekster] heeft primair onder IV verzocht om [stichting (voorheen)] te veroordelen tot betaling van het loon van € 3.184,92 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en eventuele loonsverhogingen op grond van de CAO GGZ, wet of andere regelingen, vanaf 31 januari 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.
4.14.
[verzoekster] heeft jegens [stichting (voorheen)] recht op loon over de maand februari 2026, te vermeerderen met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en eventuele loonsverhogingen. De opzegging wordt namelijk vernietigd en de arbeidsovereenkomst is dus ook na 31 januari 2026 nog tussen [stichting (voorheen)] en [verzoekster] blijven voort duren.
4.15.
Het jegens [stichting (voorheen)] gevorderde loon vanaf 1 maart 2026 (vermeerderd met emolumenten) wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, als gevolg van de overgang van onderneming, vanaf die datum van rechtswege tot een einde is gekomen. De verplichting tot betaling van het loon is vanaf dat moment op [stichting] overgegaan.
4.16.
Voor wat betreft de hoogte van het loon over de maand februari 2026 zal het verzoek van [verzoekster] worden toegewezen conform het vermeld staande in de CAO GGZ, meer in het bijzonder artikel 5 lidPro 1, hoofdstuk 6. Hieruit volgt namelijk dat in geval van arbeidsongeschiktheid van de werknemer het loon na 26 weken zakt naar 90% van het brutoloon, na 52 weken tot 80% van het brutoloon, na 78 weken tot 75% van het brutoloon en na 104 weken tot 70% van het brutoloon. [stichting] heeft gesteld, en ook uit artikel 5, hoofdstuk 10, van de CAO GGZ volgt, dat de CAO een standaardkarakter heeft waarvan afwijking ten voordele en ten nadele van de werknemer niet is toegestaan. Dit is door zowel [stichting (voorheen)] als [verzoekster] ter zitting niet bestreden.
4.17.
De gevraagde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [stichting (voorheen)] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20 %.
Naleving re-integratieverplichtingen
4.18.
Door de overgang van onderneming zijn de verplichtingen die op het moment van overgang van onderneming voor [stichting (voorheen)] voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] vanaf 1 maart 2026 van rechtswege overgegaan op [stichting] . [stichting (voorheen)] is vanaf die datum dus ook niet meer gehouden om haar re-integratieverplichtingen tegenover [verzoekster] na te leven.
4.19.
Weliswaar gold die re-integratieverplichting voor [stichting (voorheen)] voor wat betreft de maand februari 2026 tegenover [verzoekster] nog wel, maar deze maand is inmiddels verstreken. Bij toewijzing van het verzoek heeft [verzoekster] voor wat betreft die maand dan ook geen belang meer, zodat dit verzoek eveneens wordt afgewezen.
Toelating tot de bedongen arbeid
4.20.
Ook voor wat betreft het verzoek om [verzoekster] , na hersteldverklaring, in staat te stellen de bedongen arbeid te verrichten, geldt dat door de overgang van onderneming de verplichtingen die op het moment van de overgang van onderneming voor [stichting (voorheen)] voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] per 1 maart 2026 van rechtswege op [stichting] zijn overgegaan. Voor zover [verzoekster] weer hersteld is, rust op [stichting (voorheen)] dan ook geen verplichting meer om [verzoekster] toe te laten tot de bedongen arbeid. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
Bruto/netto-specificatie
4.21.
Het verzoek tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de nog door [stichting (voorheen)] te verrichten betalingen wordt toegewezen, op grond van artikel 7:626 BWPro. De kantonrechter gaat ervan uit dat [stichting (voorheen)] zich houdt aan hetgeen waartoe zij in deze uitspraak wordt veroordeeld en zal daarom de gevorderde dwangsom afwijzen.
De subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken
4.22.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat het verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen en de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] dus niet is geëindigd, wordt aan de beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken niet meer toegekomen.
Vergoeding kosten rechtsbijstand en proceskosten
4.23.
[verzoekster] heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke kosten van rechtsbijstand, primair door haar vastgesteld op een bedrag van € 11.835,- exclusief btw en subsidiair op een bedrag van € 5.400,- exclusief btw. Daartoe heeft [verzoekster] onder meer gesteld dat [stichting (voorheen)] misbruik heeft gemaakt van (proces)recht en onrechtmatig heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst met een arbeidsongeschikte werknemer op te zeggen zonder een vergunning van het UWV en zonder rekening te houden met het opzegverbod tijdens ziekte.
Daarnaast stelt [verzoekster] dat [stichting (voorheen)] haar op geen enkele wijze heeft geïnformeerd over de overgang van onderneming en dat [stichting (voorheen)] bij het opvragen van informatie na opzegging van de arbeidsovereenkomst ongekend heftig heeft gereageerd en heeft bestreden dat sprake is geweest van een overgang van onderneming.
4.24.
Vooropgesteld wordt dat de kosten van rechtsbijstand ten aanzien van [stichting] niet toewijsbaar zijn en dat in deze procedure enkel wordt geoordeeld over de kosten rechtsbijstand die [verzoekster] stelt ten aanzien van [stichting (voorheen)] te hebben gemaakt. [stichting] is immers geen partij in de onderhavige procedure en de ten aanzien van [stichting] gemaakte kosten liggen ook ter beoordeling voor in de kort geding procedure tegen [stichting] .
4.25.
Uit het door [verzoekster] overgelegde overzicht aan kosten leidt de kantonrechter af dat de genoemde kosten deels zien op kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan deze procedure en deels op kosten verband houdende met deze procedure. Een aanspraak op vergoeding van de werkelijke kosten voor rechtsbijstand voorafgaand aan deze procedure kan worden ontleend aan schending door de werkgever van diens verplichting zich als goed werkgever te gedragen (artikel 7:611 BWPro), in samenhang met artikel 6:96 BWPro. Het gaat dan alleen om kosten die geen verband houden met de onderhavige procedure. Voor vergoeding van advocaatkosten die gemaakt zijn ten behoeve van de procedure geldt de regeling die is neergelegd in artikel 237 RvPro en verder.
4.26.
De kantonrechter ziet in dit geval aanleiding om een deel van de door [verzoekster] gemaakte werkelijke kosten van rechtsbijstand die zij voorgaand aan de onderhavige procedure heeft gemaakt, toe te wijzen. Dit, nu [stichting (voorheen)] naar het oordeel van de kantonrechter de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden.
4.27.
[stichting (voorheen)] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] , die op dat moment arbeidsongeschikt was, namelijk opgezegd terwijl zij niet over een ontslagvergunning van het UWV beschikte en er ook sprake was van een opzegging in strijd met een opzegverbod. Daarnaast geldt, dat hoewel [stichting (voorheen)] heeft gesteld dat zij [verzoekster] tijdig en deugdelijk heeft geïnformeerd over de overgang van onderneming, dit door [verzoekster] is bestreden en ook nergens uit volgt. Hiermee heeft [stichting (voorheen)] gehandeld in strijd met haar verplichtingen voortvloeiend uit de wet (artikel 7:665a BW). Bovendien staat deze stelling haaks op het door [stichting (voorheen)] in haar brief van 27 januari 2026 ingenomen standpunt, inhoudende dat er in het geheel geen sprake zou zijn van een overgang van onderneming. Ook heeft [stichting (voorheen)] zich ten onrechte en in onnodig felle bewoordingen uitgelaten tegenover [verzoekster] en haar gemachtigde en heeft zij [verzoekster] tot aan de mondelinge behandeling in het ongewisse gelaten en nagelaten om aan haar duidelijkheid te verschaffen. [verzoekster] heeft in redelijkheid dan ook kosten gemaakt om zich hiertegen te verweren.
4.28.
Wel is de kantonrechter van oordeel dat het bedrag dat [verzoekster] vraagt fors gematigd dient te worden. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat de werkzaamheden weinig gespecificeerd zijn, zodat ook niet kan worden beoordeeld of de in rekening gebrachte tijd redelijk is geweest. Daarnaast zijn de werkzaamheden ten aanzien van [stichting (voorheen)] en [stichting] grotendeels hetzelfde geweest en lijken de gefactureerde werkzaamheden ook te zien op de voorbereiding van deze procedure. Alle factoren in aanmerking nemend vindt de kantonrechter toekenning van een bedrag van € 2.000,- exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand dan ook redelijk.
4.29.
[stichting (voorheen)] zal daarnaast als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor de kosten van de procedure geldt een forfaitair liquidatietarief. Een vergoeding van de werkelijk gemaakte advocaatkosten is alleen mogelijk in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Hiermee dient terughoudend te worden omgegaan en deze situatie doet zich hier ook niet voor. De proceskosten zullen daarom op basis van het forfaitaire liquidatietarief worden vergoed.
4.30.
De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,- (€ 93,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
5.De beslissing
De kantonrechter
5.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
5.2.
veroordeelt [stichting (voorheen)] tot betaling aan [verzoekster] van het brutoloon over de maand februari 2026 conform CAO GGZ met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 20% daarover (artikel 7:625 BWPro) en de wettelijke rente (artikel 6:119 BWPro) over het te laat betaalde loon en de wettelijke verhoging, vanaf het opeisbaar worden der respectievelijke bedragen tot aan de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [stichting (voorheen)] om aan [verzoekster] binnen vijf werkdagen na betekening van deze beschikking een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken conform artikel 7:626 BWPro waarin de voornoemde betaling is verwerkt,
5.4.
veroordeelt [stichting (voorheen)] om aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 2.000,- exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand,
5.5.
veroordeelt [stichting (voorheen)] in de proceskosten van € 1.102,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [stichting (voorheen)] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [2] ,
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
2108
Voetnoten
1.Artikel 223 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.