Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3455

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
AWB25/1689
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.F. Kossen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtStb. Toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, 1993, nr. 763ECLI:NL:HR:2022:1162ECLI:NL:HR:2011:BT2293
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing wegingsfactor proceskostenvergoeding na kennelijke fout ontvanger Belastingdienst

Belanghebbende maakte bezwaar tegen kosten voor aanmaning en dwangbevel die de ontvanger van de Belastingdienst had opgelegd ondanks een lopende bezwaarprocedure. De gemachtigde van belanghebbende had eerst informeel geprobeerd de kosten te laten verminderen, maar werd door de ontvanger verwezen naar een formele procedure. De ontvanger kende vervolgens een kostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25, wat belanghebbende betwistte.

De rechtbank overweegt dat de zaak juridisch gezien een bagatelprocedure betreft, maar dat de ontvanger door zijn proceshouding de zaak onnodig heeft gecompliceerd. De rechtbank volgt de Hoge Raad in dat de wegingsfactor niet alleen afhangt van de complexiteit, maar ook van het belang van het geschil en de omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat de ontvanger de gemachtigde feitelijk heeft gedwongen tot een formeel bezwaar, waardoor een hogere wegingsfactor passend is. De rechtbank verhoogt de wegingsfactor naar 0,5 en kent een proceskostenvergoeding van € 800 toe. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover het de kostenvergoeding betreft.

Uitkomst: De rechtbank verhoogt de wegingsfactor van de kostenvergoeding naar 0,5 en kent een proceskostenvergoeding van € 800 toe.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1689

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 mei 2026

in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V.(hierna: belanghebbende), gevestigd te [plaats],
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Arnhem (hierna: de ontvanger).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 3 april 2025. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend, waarop belanghebbende kort heeft gereageerd.
Belanghebbende heeft verzocht het beroep af te doen zonder mondelinge behandeling van het beroep.
De ontvanger heeft bij brief van 28 juli 2025 verzocht het beroep mondeling te behandelen.
De rechtbank heeft bij brief van 18 december 2025 geoordeeld dat het beroep, bij uitblijven van bezwaar hiertegen van partijen, kan worden afgedaan zonder mondelinge behandeling. De rechtbank heeft op deze brief geen reactie ontvangen van partijen en zal dan ook uitspraak doen zonder het beroep mondeling te behandelen. [1] De rechtbank heeft het onderzoek gesloten bij bericht van 20 januari 2026.

Feiten

1. Op 27 december 2024 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Tegen die aanslag is op 14 januari 2025 door belanghebbende bezwaar gemaakt.
2. Met dagtekening 25 januari 2025 is aan belanghebbende een aanmaning voor betaling van de naheffingsaanslag gezonden. Op 18 februari 2025 is aan belanghebbende per post een dwangbevel opgelegd. De kosten voor de aanmaning en het dwangbevel bedragen € 21 respectievelijk € 3.143.
3. Bij e-mail van 21 februari 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende de ontvanger gewezen op de lopende bezwaarprocedure en de kennelijk onterecht opgelegde kosten voor de aanmaning en het dwangbevel. Voorts heeft de gemachtigde aan de ontvanger gevraagd of de ontvanger uit eigen beweging de hiervoor bedoelde kosten zou verminderen tot nihil of dat hiervoor namens belanghebbende bezwaar zou moeten worden gemaakt.
4. Op 25 februari 2025 heeft de ontvanger per e-mail aan de gemachtigde van belanghebbende bericht dat correspondentie per e-mail met de Belastingdienst niet opengesteld is voor formele berichten. De gemachtigde van belanghebbende werd verwezen naar het postbusadres van de Belastingdienst.
5. Gemachtigde heeft namens belanghebbende op 26 februari 2025 per brief formeel bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte kosten van de aanmaning en het dwangbevel.
6. Bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2025 is de ontvanger volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende en heeft de ontvanger een kostenvergoeding toegekend van € 161,75. Hierbij heeft de ontvanger een wegingsfactor van 0,25 (een zeer lichte zaak) toegepast.
7. Tegen deze uitspraak op bezwaar is namens belanghebbende op 9 april 2025 beroep aangetekend.

Geschil

8. In geschil is de vraag of de ontvanger de juiste wegingsfactor heeft toegepast bij de berekening van de kostenvergoeding.
9. Belanghebbende is van mening dat de kwalificatie zeer licht geen recht doet aan deze zaak. Namens belanghebbende is naar voren gebracht dat een formele bezwaarprocedure niet nodig was geweest als de ontvanger inhoudelijk was ingegaan op zijn e-mailbericht van 21 februari 2025. Het overgaan tot het nemen van invorderingsmaatregelen terwijl sprake was van een lopende bezwaarprocedure, betrof immers een kennelijke fout aan de zijde van de ontvanger. Om die reden heeft gemachtigde van belanghebbende eerst gepoogd tot een nihilstelling te komen buiten een formele bezwaarprocedure om. De proceshouding van de ontvanger heeft gemaakt dat dit niet mogelijk is gebleken, waardoor de gemachtigde zich genoodzaakt zag formeel in bezwaar te komen.
10. De ontvanger ziet geen reden een andere wegingsfactor toe te kennen. Hij is van mening dat de gemachtigde van belanghebbende abusievelijk heeft geprobeerd te corresponderen met de ontvanger per e-mail. Hier heeft de ontvanger hem op gewezen, waarna de gemachtigde is overgegaan tot het indienen van een bezwaarschrift. De ontvanger is vervolgens volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende. De toekenning van een kostenvergoeding met wegingsfactor 0,25 doet volgens de ontvanger recht aan deze zaak. De ontvanger wijst erop dat een poging tot het oplossen van deze zaak buiten een formele bezwaarprocedure om, niet maakt dat het gewicht van deze zaak anders dient te worden beoordeeld. Hij wijst hiertoe op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2022. [2] Volgens de ontvanger is een wegingsfactor van 0,25 passend, gelet op de omvang en de complexiteit van de werkzaamheden van de gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
12. De Hoge Raad oordeelde in zijn arrest van 9 september 2022 dat uit zijn arrest van 23 september 2011 [3] niet volgt dat de wegingsfactor uitsluitend kan worden bepaald aan de hand van “de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener”. In het arrest van 23 september 2011 wees de Hoge Raad op de toelichting op het Besluit proceskosten bestuursrecht, [4] waaruit blijkt dat het gewicht tevens wordt bepaald door “het – al dan niet in geld uit te drukken – belang dat met het aanwenden van het rechtsmiddel was gemoeid”. [5] Naar het oordeel van de Hoge Raad brengt het een en ander met zich dat de vaststelling van de gewichtscategorie waarin een zaak valt, berust op waarderingen van feitelijke aard. [6]
13. De rechtbank voegt aan dit beoordelingskader van de Hoge Raad toe dat uit diezelfde toelichting op het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt dat het opnemen van een wegingsfactor berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde. [7]
14. In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank juridisch-inhoudelijk sprake van een bagatelprocedure, maar dit is niet te wijten aan het handelen van de gemachtigde van de belanghebbende. De gemachtigde heeft immers op laagdrempelige en informele wijze getracht contact te zoeken met de ontvanger om zo tot een oplossing te komen na een kennelijke fout aan de zijde van de ontvanger. Het had in dit geval op de weg van de ontvanger gelegen van deze mogelijkheid gebruik te maken.
15. Echter, naar aanleiding van het e-mailbericht van de gemachtigde heeft de ontvanger een e-mailbericht teruggestuurd met verwijzingen naar regels over het gebruik van e-mail voor het versturen van formele berichten aan de Belastingdienst. Daarmee heeft de ontvanger de zaak onnodig gecompliceerd gemaakt. Daarbij is van belang dat nog helemaal geen sprake was van een formeel bericht. De gemachtigde heeft met zijn e-mailbericht juist getracht een en ander informeel op te lossen, zodat formele berichten niet nodig zouden zijn. De ontvanger heeft de gemachtigde van de belanghebbende met zijn reactie in feite gedwongen tot het formeel indienen van een bezwaarschrift.
16. Over het gewicht van de door de gemachtigde geleverde prestatie in de bezwaarprocedure, overweegt de rechtbank als volgt. De aard en de complexiteit van deze zaak rechtvaardigen niet dat een wegingsfactor van 1,0 (een gemiddelde zaak) zal worden toegekend. De rechtbank zal de gemachtigde dan ook niet volgen in het standpunt dat een wegingsfactor van 1,0 moet worden toegepast. Wel acht de rechtbank het gezien de omstandigheden van het geval passend om ten aanzien van de bezwaarprocedure een kostenvergoeding toe te kennen met een wegingsfactor van 0,5 (een lichte zaak).

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de hoogte van de kostenvergoeding opnieuw vaststellen. Daarbij zal de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 toepassen.
18. Omdat het beroep gegrond is, heeft belanghebbende tevens recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank zal een proceskostenvergoeding toekennen op basis van een wegingsfactor van 0,5. Het onderhavige geschil is beperkt tot de hoogte van een in een eerdere fase toegekende vergoeding voor kosten, hetgeen een wegingsfactor van 0,5 rechtvaardigt. [8]
19. Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt: 1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor van 0,5 en 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5 = € 800. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding betreft;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 800;
  • bepaalt dat de ontvanger het betaalde griffierecht van € 385 zal vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 1 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162.
3.HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293.
4.HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, r.o. 3.3.
5.Toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht,
6.HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3.
7.Toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht,
8.Vergelijk: Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere opgenomen in: Hof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.