ECLI:NL:RBGEL:2026:3760

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11905324 \ AZ VERZ 25-47
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:135 BWArt. 2:14 BWArt. 2:15 BWArt. 2:48 BWArt. 2:49 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid besluit VvE over goedkeuring jaarstukken 2020 en decharge bestuur

De zaak betreft een geschil tussen appartementseigenaren en de Vereniging van Eigenaars (VvE) over de vaststelling van de jaarstukken 2020 en 2021 en de dechargeverlening aan het bestuur. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had eerder de besluiten van de algemene vergadering van 4 april 2022 vernietigd wegens strijd met de splitsingsakte, omdat de servicekosten onjuist waren verdeeld.

Na een nieuwe vergadering op 27 augustus 2025 werden de jaarstukken opnieuw goedgekeurd en decharge verleend, maar verzoekers stelden dat de inhoudelijke gebreken niet waren opgelost. De kantonrechter oordeelde dat het gezag van gewijsde van de eerdere beschikking van het hof ook op deze besluiten van toepassing is, waardoor de besluiten over 2020 nietig zijn. De besluiten over 2021 zijn echter rechtsgeldig omdat vanaf oktober 2020 de servicekosten correct volgens de splitsingsakte zijn geïnd.

De kantonrechter verklaarde het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken 2020 en de decharge over dat jaar nietig en bepaalde dat de VvE nieuwe jaarstukken moet opstellen die voldoen aan de splitsingsakte. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.

Uitkomst: Het besluit van 27 augustus 2025 tot goedkeuring van de jaarstukken 2020 en de decharge van het bestuur over 2020 wordt nietig verklaard, terwijl de besluiten over 2021 geldig zijn.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11905324 \ AZ VERZ 25-47
Beschikking van 13 mei 2026
in de zaak van

1.[naam verzoeker 1] ,2. [naam verzoeker 2] ,3. [naam verzoeker 3] ,

allen wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [verzoeker sub. 1] en [verzoekers sub. 2 & 3] en samen te noemen: verzoekers,
procederend in persoon,
tegen
[naam verwerende vve],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. J.C. Bruins.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 26 september 2025
- het aanvullend verzoekschrift van 10 oktober 2025
- het verweerschrift van 11 maart 2026
- het aanvullend verzoekschrift van 13 maart 2026
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Verzoekers zijn verschenen. Namens de VvE zijn verschenen: mevrouw [voorzitter] (interim voorzitter), de heer [penningmeester] (penningmeester), mevrouw [secretaris] (secretaris) en haar gemachtigde. Tijdens de mondelinge behandeling is gelijktijdig het verzoekschrift behandeld dat bekend is onder het zaak- en rekestnummer: 11904902 \ AZ VERZ 25-46. Dit verzoekschrift is ook ingediend door verzoekers tegen de VvE. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken in de beide zaken.
1.3.
De uitspraak is bepaald op 14 mei 2026. Vanwege Hemelvaartsdag wordt de beschikking vandaag bij vervroeging uitgesproken. Gelijktijdig beslist de kantonrechter op het andere verzoekschrift bij afzonderlijke beschikking.

2.De feiten

2.1.
Bij notariële akte van splitsing van 17 april 2000 is het appartementsgebouw aan de [straatnaam] te [woonplaats] gesplitst in appartementsrechten. In artikel 2 leden Pro 1 en 3 van het in de splitsingsakte opgenomen splitsingsreglement is bepaald dat iedere eigenaar gerechtigd is voor het in de akte bepaalde breukdeel en dat de eigenaars voor die breukdelen verplicht zijn bij te dragen in de gemeenschappelijke schulden en kosten, waaronder de servicekosten.
2.2.
Sinds de ingebruikname van de appartementen in 2001 heeft de VvE de servicekosten in afwijking van de splitsingsakte gelijkelijk over de appartementseigenaars verdeeld in plaats van naar rato van de breukdelen. Per oktober 2020 is de VvE de servicekosten gaan incasseren in overeenstemming met de splitsingsakte.
2.3.
[verzoeker sub. 1] is eigenaar van het appartementsrecht gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] en [verzoekers sub. 2 & 3] zijn eigenaar van het appartementsrecht gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats] . Zij zijn van rechtswege lid van de VvE.
2.4.
Bij onherroepelijke beschikking van 25 maart 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:1693) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de besluiten van de algemene vergadering van 4 april 2022 betreffende de vaststelling van de jaarrekeningen 2020 en 2021 en de decharge aan het bestuur vernietigd. Het hof oordeelde dat deze besluiten nietig zijn wegens strijd met de splitsingsakte en dat een beroep op deze nietigheid, anders dan de kantonrechter in eerste aanleg had geoordeeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
2.5.
Naar aanleiding van deze beschikking heeft op 27 augustus 2025 een nieuwe vergadering van eigenaars plaatsgehad. Tijdens deze vergadering zijn de (inhoudelijk ongewijzigde) jaarrekeningen over 2020 en 2021 opnieuw ter stemming gebracht en met een meerderheid van stemmen goedgekeurd. Tevens is met meerderheid van stemmen opnieuw decharge verleend aan het bestuur voor het over die jaren gevoerde financiële beleid.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Verzoekers verzoeken, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, na vermindering van verzoek, de kantonrechter om het besluit genomen op de vergadering van eigenaars van 27 augustus 2025, betreffende de goedkeuring van de jaarrekeningen over 2020 en 2021 en de decharge van het bestuur voor het gevoerde financiële beleid over 2020 en 2021, nietig te verklaren dan wel te vernietigen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de VvE in de proceskosten, waarbij tevens wordt bepaald dat verzoekers niet via omslag in de door hen aan de VvE te betalen kosten hoeven bij te dragen.
3.2.
Verzoekers leggen aan hun verzoek ten grondslag dat de besluiten van 27 augustus 2025 wederom nietig, dan wel vernietigbaar zijn. Door de VvE is met de hernieuwde stemming het inhoudelijke gebrek uit het verleden niet opgelost. Zij stellen hiertoe dat de jaarrekening over 2020 nog steeds uitgaat van een feitelijke kostenverdeling op basis van gelijke delen, terwijl het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 maart 2025 juist heeft geoordeeld dat deze verdeling in strijd is met de breukdelen uit de splitsingsakte. Volgens verzoekers had de VvE de jaarstukken eerst moeten corrigeren naar de in de splitsingsakte opgenomen breukdelen alvorens deze opnieuw ter stemming te brengen.
3.3.
De VvE voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van verzoekers in de proceskosten. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

Is sprake van besluit?
4.1.
Alvorens aan de beantwoording van de vraag of de door verzoekers aangevallen besluitvorming nietig dan wel vernietigbaar is, dient te worden beoordeeld of sprake is van een besluit. Kan de instemming van de vergadering op 27 augustus 2025 met de jaarstukken over 2020 en 2021, alsmede de dechargeverlening aan het bestuur worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2:14 en Pro 2:15 BW? De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Met het dechargebesluit wordt aansprakelijkheid afgesneden en met het vaststellingsbesluit zijn de jaarstukken vastgesteld. In beide gevallen is sprake van een rechtsgevolg.
Zijn de besluiten nietig dan wel vernietigbaar?
4.2.
Verzoekers hebben in hun verzoekschrift en de daaropvolgende aanvullingen een groot aantal klachten, bespiegelingen en/of gedachten geformuleerd over, onder meer, het falen van de interne kascontrole, de schending van het gelijkheidsbeginsel, belangenverstrengeling en schending van de zorgplicht. Het verzoekschrift en de daaropvolgende aanvullingen zijn door de omvang in combinatie met een gebrekkige structurering lastig leesbaar. Ter zitting hebben verzoekers een en ander gekaderd tot de kernvraag of de jaarstukken over 2020 en 2021 op 27 augustus 2025 opnieuw rechtsgeldig konden worden vastgesteld en of decharge kon worden verleend. Dit terwijl vaststaat dat de servicekosten over de eerste acht maanden van 2020 feitelijk op basis van gelijke delen zijn geïnd, in plaats van op basis van de in de splitsingsakte voorgeschreven breukdelen. De kantonrechter zal zich in de beoordeling tot deze kernvraag beperken.
4.3.
Bij de beantwoording van deze vraag overweegt de kantonrechter inleidend als volgt over de verplichting van het bestuur van een vereniging van eigenaars tot oplevering van jaarstukken, alsmede over het gezag van gewijsde van de beschikking van het gerechtshof.
Jaarstukken
4.4.
Op grond van artikel 5:135 BW Pro zijn de voorschriften van artikel 2:48 BW Pro van overeenkomstige toepassing op een vereniging van eigenaars. Het bestuur van een vereniging van eigenaars is verplicht om aan de vergadering van eigenaars een bestuursverslag uit te brengen over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid. Ook dient het bestuur de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting ter goedkeuring aan de vergadering over te leggen. Deze stukken moeten worden ondertekend door de bestuurders. Met de staat van baten en lasten wordt in feite een winst- en verliesrekening bedoeld. De staat van baten lasten moet in feite een doorlopende overzicht bevatten van alle inkomsten en alle uitgaven. Uitdrukkelijk is op een vereniging van eigenaars het bepaalde in artikel 2:49 BW Pro niet van toepassing. Laatstgenoemd wetsartikel schrijft voor dat een vereniging die een grotere onderneming in stand houdt, jaarlijks een jaarrekening moet opstellen. Deze jaarrekening moet zijn opgesteld overeenkomstig de bepalingen opgenomen in Boek 2 Titel 9 BW.
4.5.
In de praktijk is gangbaar dat het financiële stuk dat door het bestuur van de vereniging van eigenaars moeten worden opgesteld de benaming jaarrekening krijgt. Niet uit het oog moet worden verloren dat daarmee niet kan worden gedoeld op een jaarrekening in de zin van Boek 2 Titel 9 BW. Hierna zal de kantonrechter daarom spreken van jaarstukken.
4.6.
Verzoekers hebben het voorgaande in hun verzoekschrift voor een deel miskent. Waar zij menen dat de VvE voor door hen genoemde zaken voorzieningen zou moeten treffen in de jaarstukken over 2020 en 2021, kunnen zij hierin niet worden gevolgd. De VvE is namelijk enkel gehouden de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting ter goedkeuring aan de vergadering van eigenaars over te leggen. Geen verplichting bestaat tot het opnemen van voorzieningen in de jaarstukken. Het bepaalde in artikel 2:374 BW Pro is niet van toepassing. [1] Ook bestaat geen verplichting voor de VvE om in de jaarstukken over 2020 en 2021 melding te maken van de beschikking van 25 maart 2025 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, onder mededeling van de omvang van de gevolgen voor de VvE. Het bepaalde in artikel 2:380a BW mist immers toepassing. [2]
Gezag van gewijsde
4.7.
In het aanvullende verzoekschrift en ter zitting is door verzoekers een beroep gedaan op de beslissing van het gerechtshof waarmee de besluiten van de vergadering van de VvE van 4 april 2022 inzake de jaarrekeningen en décharge 2020 en 2021 zijn vernietigd. Aangezien de jaarstukken over 2020 en 2021 door het bestuur van de VvE ongewijzigd zijn voorgelegd aan de vergadering van eigenaars op 27 augustus 2025, brengt het gezag van gewijsde met zich mee dat ook de nietigheid van die besluiten is gegeven, aldus verzoekers.
4.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 236 lid 1 Rv Pro bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Artikel 236 lid 1 Rv Pro leent zich voor overeenkomstige toepassing op een in kracht van gewijsde gegane beschikking waarin, in een geschil tussen partijen, beslissingen zijn gegeven die de rechtsbetrekking in geschil betreffen. [3] Op grond van artikel 236 lid 3 Rv Pro kan het gezag van gewijsde niet ambtshalve worden toegepast. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. [4] De onherroepelijk beschikking van het gerechtshof van 25 maart 2025 voldoet aan deze vereisten; het is gewezen tussen [verzoeker sub. 1] en de VvE - dat zijn voor een deel dezelfde partijen als in de onderhavige procedure - en daarin is beslist over het geschilpunt dat ook in het onderhavige procedure speelt, namelijk de vraag of de jaarstukken voldoen aan de splitsingsakte. De kantonrechter constateert dat ook [verzoekers sub. 2 & 3] bij de procedure, die heeft geleid tot de beschikking van het gerechtshof, als belanghebbenden heeft deelgenomen. Aan de beschikking komt gezag van gewijsde toe.
4.9.
Het gerechtshof heeft het volgende, voor zover relevant, overwogen in rov. 4.2 van de beschikking: “
De kantonrechter heeft geoordeeld dat zowel de berekening van de servicekosten (tot september 2020) als de daarmee samenhangende financiële stukken van de VvE in strijd met artikel 2 lid 3 van Pro (het splitsingsreglement opgenomen in) de splitsingsakte zijn, zodat de besluiten die daarmee samenhangen (over de jaarrekening 2020 en 2021, de decharge aan de bestuurders en goedkeuring van de conceptbegroting 2022) op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro en artikel 5:129 lid 1 BW Pro nietig zijn. (…) De VvE heeft geen verweer gevoerd tegen de nietigheid van de besluiten (ook niet bij de kantonrechter). Dat de besluiten nietig zijn, staat daarom vast.” Op basis van deze dragende overweging heeft het gerechtshof in de beschikking de besluiten van de vergadering van eigenaars van 4 april 2022 inzake de jaarrekeningen en décharge 2020 en 2021 en de conceptbegroting 2022 blijkens het dictum vernietigd.
4.10.
De kantonrechter kan niet om het gezag van gewijsde heen. Immers, de dragende overweging van het gerechtshof is dat zowel de berekening van de servicekosten (tot september 2020) en de daarmee samenhangende financiële stukken van de VvE strijdig zijn met de splitsingsakte, zodat het besluit tot goedkeuring nietig is. Nu als vaststaand moet worden aangenomen dat de op 27 augustus 2025 aan de vergadering van eigenaars voorgelegde financiële stukken identiek zijn aan de stukken die aan de vergadering van eigenaars op 4 april 2022 zijn voorgelegd, moeten de besluiten van 27 augustus 2025 hetzelfde lot treffen. In zoverre treft het verzoek van verzoekers doel. De kantonrechter ziet echter aanleiding om hierop een uitzondering te maken voor de besluiten met betrekking tot de jaarstukken over 2021. Onjuist zijn de oordelen van de kantonrechter en het gerechtshof dat de jaarstukken over 2021 strijdig zouden zijn met de splitsingsakte. Dit oordeel is gebaseerd op de overweging dat ook in 2021 de servicekosten op onjuiste wijze zouden zijn berekend. Daarvan is echter geen sprake. Gedurende het gehele kalenderjaar 2021 is immers de hoogte van ieders bijdrage aan de servicekosten berekend op de wijze die is bepaald in de splitsingsakte. Terecht is namens de VvE ter zitting dan ook verklaard dat zij niets kan aanpassen aan de jaarstukken over 2021, iedere aanpassing leidt tot valsheid in geschrifte. Het gezag van gewijsde kan niet als consequentie hebben dat de VvE onmogelijk kan voldoen aan haar verplichting op grond van de wet en de splitsingsakte tot vaststelling van de jaarstukken, temeer als de overwegingen berusten op een kenbare onjuistheid.
4.11.
Met inachtneming van het voorgaande zullen de verzoeken worden beoordeeld.
4.12.
Vast staat dat de VvE tot september 2020 de bijdragen feitelijk op basis van gelijke delen heeft geïnd, terwijl vanaf die datum en gedurende het gehele boekjaar 2021 de inning heeft plaatsvonden volgens de verdeelsleutel uit de splitsingsakte. Geen van de relevante grieven van verzoekers ten aanzien van de jaarstukken 2021 kan leiden tot de conclusie dat het besluit van de vergadering van eigenaars tot goedkeuring van die jaarstukken nietig dan wel vernietigbaar is. Hiervoor is redengevend dat gedurende het gehele kalenderjaar 2021 is geïnd overeenkomstig de splitsingsakte. Voor het treffen van enige voorziening of het opnemen van een vermelding van de gevolgen van de beschikking van het gerechtshof bestaat geen aanleiding. Voor het oordeel dat het besluit tot dechargeverlening aan het bestuur ten aanzien van het boekjaar 2021 nietig of vernietigbaar is bestaat evenmin enige grond. Een zodanig besluit is niet in strijd met de wet of de splitsingsakte, evenmin is sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro worden geëist.
Conclusie en proceskosten
4.13.
Al het voorgaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat het verzoek gedeeltelijk gegrond is. De besluitvorming met betrekking tot de jaarstukken over 2020 en de dechargeverlening ten aanzien van het gevoerde beleid in 2020 zal de kantonrechter nietig verklaren. Dit betekent dat het bestuur van de VvE aan zet is om voor het kalenderjaar 2020 nieuwe jaarstukken aan te leveren. Daarbij dient het bestuur de servicekostenbijdrage voor het gehele boekjaar 2020 te herzien, zodat deze in overeenstemming is met het bepaalde in de splitsingsakte. Pas hierna kunnen de jaarstukken ter goedkeuring worden voorgelegd aan de vergadering van eigenaars, zonder dat het gezag van gewijsde van de beschikking van het gerechtshof aan geldige besluitvorming in de weg staat.
4.14.
In de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart het besluit van de vergadering van eigenaars van de VvE van 27 augustus 2025 tot goedkeuring van de jaarstukken over 2020 en de decharge van het bestuur voor het gevoerde financiële beleid over 2020 nietig,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op
13 mei 2026.
26396 \ 51588

Voetnoten

1.Artikel 2:374 lid 1 BW Pro luidt ‘
2.Artikel 2:380a BW luidt: ‘
3.Vgl. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262, rov. 3.3.7.
4.Zie o.a. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, rov. 3.1.3–3.1.4.