Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3840

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
443993
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:182 BWArt. 4:184 BWArt. 4:202 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte legaat wegens onzekerheid over schuldeisers nalatenschap

De zaak betreft een kort geding waarin eiser vordert dat de executeurs van de nalatenschap van de overleden erflater worden veroordeeld tot afgifte van een legaat, waaronder een woning en geldbedragen, en verstrekking van relevante documenten. Eiser heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en stelt dat de executeurs onterecht weigeren het legaat uit te keren vanwege een mogelijke schuld aan TNO.

De executeurs voeren verweer dat de afwikkeling van de nalatenschap complex is door onder meer een grote vordering van TNO op een vennootschap binnen de nalatenschap, die mogelijk bestuurdersaansprakelijkheid van de erflater betreft. Zij stellen dat deze potentiële schuld meegewogen moet worden en dat de nalatenschap mogelijk niet ruimschoots toereikend is om alle schuldeisers te voldoen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat TNO een potentiële schuldeiser is en dat de mogelijke vordering niet buiten beschouwing kan blijven. Er is onvoldoende duidelijkheid over de omvang van de nalatenschap en de schulden, mede door ontbrekende boedelbeschrijvingen en jaarrekeningen. Hierdoor kan niet worden gegarandeerd dat uitkering van het legaat de belangen van andere schuldeisers niet schaadt.

Ook de gevorderde afgifte van documenten wordt afgewezen omdat de executeurs hebben verklaard niet meer stukken te bezitten dan reeds verstrekt. De rechtbank benadrukt dat een verzoek tot vereffening van de nalatenschap de meest gerede oplossing is om duidelijkheid te verkrijgen over de vordering van TNO en de afwikkeling van de nalatenschap.

De vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot afgifte van het legaat wordt afgewezen wegens onvoldoende zekerheid dat andere schuldeisers niet worden benadeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/443993 / KZ ZA 24-185
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. J. van Berk,
tegen
1.
[naam gedaagde 1], in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [de erflater] ,
te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde 2], in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [de erflater] ,
te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat: mr. D.J. Kramer,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte weergave feiten aan de zijde van [de gedaagden]
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2025
- de pleitnota van [de eiser]
- de pleitnota van [de gedaagden]
- de akte van [de gedaagden] met reactie op de akte van [de eiser] van 27 januari 2026 met producties 19 t/m 25
- de akte van [de eiser] met reactie op de akte van [de gedaagden] van 28 januari 2026

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] is de heer [de erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater is de vader van gedaagden en was de echtgenoot van [de eiser] . [de eiser] en erflater zijn op [datum] een geregistreerd partnerschap aangegaan. Het geregistreerd partnerschap is op [huwelijksdatum] omgezet in een huwelijk. [de eiser] en erflater hebben beide kinderen, maar geen gezamenlijke kinderen. [de gedaagden] hebben nog een broer, de heer [broer gedaagden] , roepnaam [broer gedaagden] .
2.2.
Erflater heeft bij testament van 15 december 2023 beschikt over zijn nalatenschap. [de eiser] is voor een/eenhonderdduizendste erfgenaam. De drie kinderen van erflater zijn voor het restant van de nalatenschap, ieder voor gelijke delen, erfgenaam. Erflater heeft een woning in [plaatsnaam 1] , zijn recht op een oudedagsverplichting ten laste van de vennootschap [dochterbedrijf] B.V. en € 20.000,00 aan [de eiser] gelegateerd. Verder heeft gedaagde onder meer een geldbedrag aan de dochter van [de eiser] en zijn (klein)kinderen gelegateerd. [de gedaagden] zijn benoemd tot executeur en hebben de benoeming aanvaard. [de gedaagden] hebben een bedrag van € 15.000,00 van het geldlegaat uitgekeerd aan [de eiser] .
2.3.
[de eiser] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Op 1 februari 2024 hebben [de gedaagden] de zogenoemde ‘ruimschootsverklaring’ afgelegd.
2.4.
Onderdeel van de nalatenschap zijn drie vennootschappen; Zevog B.V., Pastflli Holding B.V. en Assistive Dynamics B.V. [dochterbedrijf] B.V. is een dochter van Zevog B.V.
2.5.
Assistive Dynamics B.V. is de moeder van Exact Dynamics B.V. Het bedrijf TNO heeft per 30 mei 2023 van Exact Dynamics B.V. tegoed een in rechte vastgesteld bedrag van € 1.396.942,39.
2.6.
Naast de woning in [plaatsnaam 1] bevindt zich ook een woning in [plaatsnaam 2] in de nalatenschap.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis in kort geding, voor zover de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om in hoedanigheid van executeur aan [de eiser] een bedrag van € 5.000,00 ter zake van het geldlegaat te betalen ten laste van de nalatenschap,
II. [de gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om in hoedanigheid van executeur aan [de eiser] af te geven en (notarieel) te leveren, vrij van schuld/hypotheek, vrij van belasting en vrij van kosten, het woonhuis in [plaatsnaam 1] ,
III. [de gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om in hoedanigheid van executeur aan [de eiser] te verstrekken:
a. de pensioenovereenkomst tussen [dochterbedrijf] B.V. en erflater,
b. de berekening van de omzetting, zoals omschreven in artikel 4 van Pro het addendum, overlegd als productie 25,
c. een document met de actuariële berekening van de oudedagsverplichting van [dochterbedrijf] B.V. en
d. de jaarrekeningen 2017 t/m 2023 van [dochterbedrijf] B.V.
IV. t/m
VI. voorgaande veroordelingen uitspreekt op straffe van een dwangsom,
VII. [de gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om in hoedanigheid van executeur aan [de eiser] een bedrag te betalen van € 4.970,00, ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten,
VIII. [de gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om in hoedanigheid van executeur aan [de eiser] te betalen het bedrag van de wettelijke rente over een bedrag van € 5.000,00 over de periode vanaf 1 februari 2024, tot de dag der algehele voldoening,
IX. Met veroordeling van [de gedaagden] in de proceskosten, nakosten daarbij inbegrepen.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de eiser] heeft opeisbare vorderingen op de nalatenschap. [de gedaagden] hebben een ruimschootsverklaring afgegeven. [de gedaagden] vertegenwoordigen daarom rechtsgeldig de nalatenschap. [de gedaagden] zijn bevoegd en verplicht om de nalatenschap te beheren. [de gedaagden] hebben de taak om de schulden van de nalatenschap, waaronder het legaat, te voldoen. [de gedaagden] willen het legaat niet uitkeren omdat het legaat mogelijk verminderd wordt door een schuld aan TNO. Maar een schuld van een vennootschap is geen schuld van de nalatenschap. Hooguit kan het zijn dat de aandelen van de vennootschap geen waarde hebben. [de gedaagden] berekenden zelf dat rekening houdende met een nihilwaarde van de aandelen van de vennootschap, de nalatenschap voldoende batig is om opeisbare legaten zonder vermindering af te geven aan [de eiser] . [de gedaagden] zien een bepaald risico dat TNO misschien voor diens vordering verhaal kan halen op de nalatenschap op grond van bestuurdersaansprakelijkheid van erflater. TNO heeft de nalatenschap echter niet aansprakelijk gesteld en een dergelijke vordering zou ook niet haalbaar zijn. [de gedaagden] laten ook niet zien waarom erflater een onbehoorlijk bestuurder zou zijn geweest. Volgens [de gedaagden] heeft erflater niet aan zijn administratieplicht voldaan. Maar dat is alleen relevant bij faillissement en de B.V. is niet failliet. Het is ook niet zeker voor welk deel de nalatenschap dan aansprakelijk zou zijn. Als de notaris in de schulden van TNO een concreet risico ziet dat de nalatenschap negatief is, had hij de verklaring van executele in moeten trekken. [de gedaagden] baseren zich op de ruimschootsverklaring en verklaring voor erfrecht om hun beheershandelingen te legitimeren. Of de erfenis is ruimschoots voldoende om de schulden te voldoen, waaronder de legaten van [de eiser] , of [de gedaagden] moet de ruimschootsverklaring intrekken. [de gedaagden] kan niet enerzijds weigeren om het legaat uit te keren omdat de erfenis mogelijk niet ruimschoots voldoende is en anderzijds voor het overige wel beheershandelingen blijven uitoefenen. Een mogelijke toekomstige vordering is geen schuld zoals bedoeld in de parlementaire geschiedenis bij artikel 4:202 lid 1 sub a BW Pro. [1] Als rekening moet worden gehouden met toekomstige schulden kan de afwikkeling van de nalatenschap tot in de oneindigheid worden belemmerd. [de gedaagden] is in gebreke gesteld en dient daarom de incassokosten en rente over de legaten te betalen. [de eiser] heeft de opgevraagde stukken nodig om het legaat ten aanzien van de oudedagvoorziening te kunnen berekenen. Het gaat om stukken die [dochterbedrijf] B.V. verplicht is om op te stellen en te bewaren en die stukken moeten de executeurs daarom in bezit hebben.
3.3.
[de gedaagden] voeren verweer. [de gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[de gedaagden] voeren het volgende aan. Er is geen sprake van onwil aan de zijde van [de gedaagden] De afhandeling van de nalatenschap bleek echter veel complexer dan in eerste instantie gedacht. Erflater hield er ten aanzien van de B.V.’s een eigen wijze van administratie op na. Hierdoor liepen [de gedaagden] tegen diverse problemen aan, onder andere met de belastingdienst en ten aanzien van de vordering van TNO. [de gedaagden] zijn druk doende om met deze partijen te overleggen en alles op de juiste wijze af te handelen. De schuld van TNO is een onzekerheid. TNO heeft de nalatenschap niet aansprakelijk gesteld, maar ook (nog) niet afgezien van aansprakelijkstelling. [de gedaagden] proberen dit in overleg met TNO op te lossen maar er is nog geen definitieve uitkomst. Vanwege de kwestie met onder andere TNO is de notaris ook niet bereid om mee te werken aan levering van zowel de woning in [plaatsnaam 2] aan een derde als de woning in [plaatsnaam 1] aan eiseres. De notaris wil alleen meewerken aan de levering van de woning in [plaatsnaam 2] als alle erfgenamen tekenen omdat [de gedaagden] mogelijk in de toekomst met terugwerkende kracht onbevoegd zijn als de vordering van TNO juist is. [de gedaagden] heeft verder alle stukken van [dochterbedrijf] B.V. die zien op de oudedagvoorziening aan [de eiser] verstrekt. Meer stukken zijn er niet. [dochterbedrijf] B.V. had de stukken moeten hebben en heeft ze misschien ook gehad, maar ze zijn nu niet aanwezig in de administratie. [de gedaagden] zijn bezig met het opstellen van de opgevraagde jaarrekeningen, die waren er ook niet. [de eiser] krijgt de jaarrekening zodra die is vastgesteld Maar de pensioenovereenkomst en de berekening van de omzetting zijn er niet. [de gedaagden] kunnen daarom niet meer afgeven dan zij hebben gedaan.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Gezien de samenhang tussen het spoedeisend belang en de inhoudelijke beoordeling van de vordering worden deze gezamenlijk besproken.
4.3.
De vorderingen van [de eiser] worden afgewezen. Dit komt omdat in dit kort geding onvoldoende vast is komen te staan dat het belang van TNO en andere schuldeisers van de nalatenschap niet wordt geschaad als de legaten aan [de eiser] worden uitgekeerd. [de gedaagden] zijn daarom niet verplicht om het legaat uit te keren. Dit betekent niet dat [de eiser] geen enkele mogelijkheid heeft om te komen tegen het handelen van [de gedaagden] Maar daarvoor zou zij van andere wettelijke opties gebruik moeten maken waarbij bij de beoordeling de belangen van de overige schuldeisers ook in acht worden genomen. Bijvoorbeeld een verzoek om vereffening of verzoeken om ontslag van de executeurs. Het belang van [de eiser] is ook niet zodanig spoedeisend dat een belangenafweging meebrengt dat het belang van [de eiser] boven het belang van de schuldeisers gaat. Hieronder wordt dit oordeel nader toegelicht.
de (mogelijke) vordering van TNO op de nalatenschap, is een (mogelijke) schuld van de nalatenschap
4.4.
[de eiser] stelt dat de mogelijke vordering van TNO op de nalatenschap geen schuld is van de nalatenschap. [de eiser] verwijst daarbij naar het arrest van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) van 22 juli 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1539, bespreking grief 3, eerste alinea). Dit betreft echter een verkeerde lezing van het arrest. Het door [de eiser] geciteerde onderdeel is een weergave van het standpunt van één van de partijen, niet het oordeel van het hof. Het hof heeft geoordeeld dat door die partij niet is gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de ruimschootsverklaring onjuist is omdat de executeur niet kon aantonen dat nalatenschap daadwerkelijk ruimschoots toereikend was om de -mogelijke- schulden te voldoen. Dat oordeel van de rechtbank is dus blijven staan.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is TNO een potentiële schuldeiseres van de nalatenschap en moet bij het afhandelen van de nalatenschap rekening worden gehouden met de potentiële vordering. Er is niet slechts sprake van een schuld van de nalatenschap als deze al in rechte is vastgesteld of als erflater al voor overlijden formeel aansprakelijk was gesteld. TNO heeft een in rechte vastgestelde vordering op Exact Dynamics B.V. die inmiddels flink is opgelopen. TNO heeft weliswaar de nalatenschap nog niet aansprakelijk gesteld, maar wil die potentiële vordering kennelijk ook nog niet laten vallen. Als vastgesteld zou worden dat TNO een vordering heeft op grond van bestuurdersaansprakelijkheid van erflater, is de vordering op grond van artikel 4:182 BW Pro jo 4:184 BW een vordering op de nalatenschap. Ondanks dat de vordering nog niet is ingediend of vastgesteld, kan deze vordering daarom niet buiten beschouwing worden gelaten bij de vraag in dit kort geding of het legaat van [de eiser] uitgekeerd kan worden.
4.6.
Bovendien staat het onvoldoende vast wat de omvang van de nalatenschap is en of alle schuldeiser die voorrang hebben op [de eiser] betaald kunnen worden. Partijen hebben zich hierover wel uitgelaten, maar in het dossier bevinden zich onvoldoende stukken om hierover een (voorlopig) oordeel te kunnen geven. De boedelbeschrijvingen zijn nog niet volledig en bevatten geen onderbouwende stukken. De vennootschappen zijn ook nog niet gewaardeerd of getaxeerd, althans uitgaande van de laatst overgelegde boedelbeschrijving. Bovendien staat in de weergave van de notaris (productie 9 bij de akte weergave van feiten) dat de legitieme geschonden zou zijn als de volledige vordering van TNO voor rekening van de vennootschap zou komen maar staat in de laatste akte van [de gedaagden] dat alleen de legaten ingekort dienen te worden als de vordering van TNO voor rekening van de nalatenschap zou komen. Dat zijn ook tegenstrijdige uitgangspunten. In dit kort geding kan daarom onvoldoende gewaarborgd worden dat de belangen van de overige schuldeisers voldoende behartigd worden als het legaat van [de eiser] met voorrang wordt uitgekeerd. De vorderingen met betrekking tot de legaten, inclusief de gevorderde rente en incassokosten worden daarom afgewezen.
Afgifte stukken
4.7.
[de gedaagden] heeft aangevoerd dat zij van de gevraagde stukken hebben afgegeven wat zij hebben, maar dat de rest niet bestaat en niet te reproduceren is. [de eiser] heeft dit standpunt onvoldoende betwist. Het is daarom onvoldoende aannemelijk dat [de gedaagden] in staat is om de stukken af te geven. De vordering ten aanzien van afgifte van de stukken wordt daarom ook afgewezen.
Overige gezichtspunten
4.8.
De voorzieningenrechter begrijpt dat partijen erbij gebaat zouden zijn als zij aanwijzingen zouden krijgen ten aanzien van een aantal geschilpunten dat hen verdeeld houdt. De voorzieningenrechter begrijpt dat het gaat om de vragen of [de gedaagden] bevoegd zijn om de woning uit [plaatsnaam 2] te verkopen en de woning uit [plaatsnaam 1] aan [de eiser] over te dragen, of die bevoegdheid met terugwerkende kracht vervalt als blijkt dat de ruimschootsverklaring onterecht is afgegeven, of de ruimschootsverklaring terecht is afgegeven als de nalatenschap alle schuldeisers met uitzondering van de legatarissen kan voldoen (overlegatering) en of de rente uit de potentiële vordering van TNO die open is gevallen na het overlijden van erflater tot schulden van de nalatenschap behoort (in het geval dat de vordering tot de schulden van de nalatenschap zou behoren). De voorzieningenrechter kan echter niet op voorhand uitsluitsel geven over deze punten. Diverse punten betreffen kwesties waarover in de literatuur verschillend wordt gedacht. Een rechtszaak, en nog minder een kort geding, leent zich er niet voor om partijen van advies te voorzien hoe zij aansprakelijkheid, waar het uiteindelijk om gaat, met zekerheid kunnen voorkomen. In het kader van geschiloplossing kan een rechter zijn gezichtspunten delen. Maar in deze zaak betreffen het juridische vraagstukken die voor de in deze zaak voorliggende vorderingen niet beantwoord hoeven worden en ook niet eenvoudig beantwoord kunnen worden. Bovendien hebben de vragen ook betrekking op belangen van schuldeisers die niet betrokken zijn bij deze procedure.
4.9.
In algemeenheid wordt het volgende opgemerkt. Als de notaris alleen niet zijn ministerie wil verlenen omdat hij op basis van de vordering van TNO een risico ziet dat de de ruimschootsverklaring onterecht is afgegeven, is het aannemelijk dat de ruimschootsverklaring ingetrokken moet worden. Er moet dan worden vereffend. De onzekerheid over de vordering (inclusief de vraag of de vervallen rente tot de vordering behoort) brengt met zich dat [de gedaagden] kennelijk, zolang er geen zekerheid is over de vordering (inclusief rente), niet kunnen aantonen dat de nalatenschap ruimschoots voldoende is/blijft om alle schulden inclusief de volledige schuld van TNO te voldoen. Anders zou er immers geen risico zijn dat de ruimschootsverklaring achteraf wordt ingetrokken als gevolg van de vordering van TNO. [de gedaagden] heeft in de laatste akte nog aangevoerd dat alleen de legaten verminderd moeten worden als de vordering van TNO betaald moet worden uit de nalatenschap en dat zij daarom in elk scenario in functie kunnen blijven. Ook over deze situatie wordt in de literatuur verschillend gedacht. In ieder geval in relatief eenvoudige zaken waarbij geldlegaten enigszins verminderd moeten worden of legatarissen instaan voor de schulden wordt aangenomen dat de taak van de executeur niet direct vervalt. In dit geval betreft het echter geen eenvoudige zaak (meer) omdat TNO, zelfs na een jaar overleg, geen uitsluitsel wil geven. Tegelijkertijd willen noch de notaris noch [de gedaagden] de legaten zonder meer uitkeren omdat zij denken dat [de gedaagden] /de erfgenamen/legatarissen misschien dan aansprakelijk of onbevoegd zullen zijn. Vereffenen lijkt in deze situatie daarom de meest gerede oplossing, ongeacht de vraag of [de gedaagden] daartoe verplicht is. Uiteindelijk is het ook de taak van [de gedaagden] als executeur om tijdig duidelijkheid te krijgen van TNO om uit de impasse te komen. Door vereffening komt er duidelijkheid over de vordering TNO en is er voor [de gedaagden] meer waarborg dat de schuldeisers niet benadeeld worden en minder risico dat de schuldeisers zich willen verhalen op het de nalatenschap van [de gedaagden] /erfgenamen of de legaten als deze worden uitgekeerd. Bovendien hoeven partijen dan ook geen antwoord te hebben op alle principiële vraagstukken die hen op dit moment verdeeld houden.
4.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:GHDHA:2025:1539, bespreking grief 3, eerste alinea.