Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3878

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/4160
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2.1 WhtArt. 2.3 WhtArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvullende compensatie en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in toeslagenaffaire

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vordert een hogere aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade dan door de Dienst Toeslagen toegekend. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 4 augustus 2025, waarin de aanvullende compensatie is vastgesteld op €140.213, en concludeert dat de Dienst dit bedrag juist heeft vastgesteld. Eiseres heeft haar schade niet concreet per post onderbouwd en de rechtbank ziet geen aanleiding om de schade hoger vast te stellen.

Daarnaast verzoekt eiseres om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met bijna twee jaar is overschreden en kent een vergoeding van €2.000 toe. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft, en veroordeelt de Dienst tot betaling van deze schadevergoeding.

De rechtbank gaat ook in op de door eiseres aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod van détournement de pouvoir, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en verwerpt deze bezwaren wegens onvoldoende onderbouwing. Het schikkingsvoorstel van de Dienst wordt als een parallel traject gezien en maakt geen deel uit van de bestuursrechtelijke besluitvorming. De rechtbank benadrukt de langdurige en ernstige problemen voor eiseres en haar gezin, maar acht de compensatie passend binnen het geldende schadekader.

Uitkomst: Het beroep tegen de hoogte van de aanvullende compensatie wordt ongegrond verklaard en de Dienst moet een schadevergoeding van €2.000 betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4160

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. C.L.J.A. Spiertz en mr. M. Jans),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan eiseres toegekende aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de hoogte van deze compensatie en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de Dienst de hoogte van de aanvullende compensatie juist heeft vastgesteld. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst de hoogte van de aan eiseres toegekende aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade juist heeft vastgesteld
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en stelt de hoogte hiervan vast op € 2.000. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 28 april 2022 heeft de Dienst eiseres een aanvullende compensatie toegekend van € 129.513. Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst het besluit van 28 april 2022 herroepen en eiseres een extra aanvullende compensatie toegekend van € 10.700. Hiermee komt de totale toegekende aanvullende compensatie aan eiseres uit op € 140.213.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Na het instellen van het beroep hebben partijen geprobeerd om een minnelijke regeling te treffen. Daartoe heeft de Dienst aan eiseres op 19 juni 2025 een schikkingsvoorstel gedaan. Dit voorstel is echter niet geaccepteerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [persoon A] [2] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst. Tijdens de zitting is afgesproken dat partijen nogmaals gaan overleggen of zij onderling tot een schikking kunnen komen en dat zij de rechtbank binnen twee weken na de zitting laten weten of dit al dan niet is gelukt. Ook is afgesproken dat de rechtbank geen uitspraak doet totdat de uitkomst van dat overleg duidelijk is. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2.4.
Eiseres heeft, nadat het onderzoek op de zitting is gesloten, meerdere keren nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft meegedeeld dat deze stukken weliswaar aan het dossier worden toegevoegd, maar dat deze stukken niet worden meegenomen bij de beoordeling van het beroep tenzij de rechtbank aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen. De rechtbank ziet deze aanleiding niet.
2.5.
Op 17 februari 2026 en 18 februari 2026 hebben beide partijen de rechtbank laten weten dat het niet is gelukt om tot een schikking te komen.

Beoordeling door de rechtbank

De voorgeschiedenis
3. Eiseres en haar partner hebben samen vijf kinderen [3] . Eiseres ontving in de jaren 2009 tot en met 2015 kinderopvangtoeslag voor de oudste twee kinderen. Zij is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Na herbeoordeling van de toeslagjaren 2009, 2010, en 2012 tot en met 2015 heeft de Dienst bij besluiten van 17 augustus 2021 en
2 februari 2024 het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op in totaal € 77.535.
De totstandkoming van het bestreden besluit
4. Op 14 augustus 2021, aangevuld op 17 januari 2022, heeft eiseres een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Zij verzoekt om aanvullende compensatie voor:
inkomensschade van haar partner (€ 169.454,76);
extra kosten die het gevolg zijn van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag, bestaande uit:
rente en boetes (€ 17.792,12);
lening bij Qander Consumer Finance B.V. voor aankoop woning (€ 68.425);
kosten van therapie (€ 10.140 voor het jaar 2022);
kosten van Google adds (€ 23.432,40);
kosten van huurbeëindiging (€ 5.000);
leningen (€ 46.150); en
gemiste opbouw van vermogen (onbenoemd);
3. kosten van verletdagen (€ 21.600);
4. studiekosten partner (€ 4.327,54);
5. immateriële schade eiseres en partner (€ 8.500);
6. immateriële schade kinderen (onbenoemd).
4.1.
De CWS heeft het verzoek beoordeeld en de Dienst op 8 maart 2022 geadviseerd om aan eiseres een aanvullende compensatie van € 126.988 toe te kennen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
1. inkomensschade van de partner van eiseres, inclusief gemiste pensioenopbouw
(€ 70.058);
2) extra kosten die het gevolg zijn van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag, bestaande uit:
rente en boetes (€ 8.896,06);
lening bij Qander Consumer Finance B.V. voor aankoop woning (nihil);
kosten van therapie (€ 6.003,90);
kosten van Google adds (nihil);
kosten van huurbeëindiging (nihil);
leningen (nihil); en
gemiste opbouw van vermogen (nihil);
3. kosten van verletdagen (€ 10.800);
4. studiekosten partner (€ 4.327,54);
5. wettelijke rente over posten 1 en 4 (€ 4.327,54);
6. immateriële schade eiseres en haar partner (€ 30.000);
7) immateriële schade kinderen (€ 10.000).
Na aftrek van de in de definitieve compensatiebeschikking van 17 augustus 2021 toegekende materiële schadevergoeding, en na vermeerdering met de standaard compensatie vermogensrendementsheffing van 1%, komt het totaalbedrag van de volgens de CWS toe te kennen aanvullende compensatie uit op € 126.988.
4.2.
In het besluit van 28 april 2022 heeft de Dienst aan eiseres, onder verwijzing naar het advies van de CWS, een aanvullende compensatie toegekend van € 129.513. Dit bedrag is hoger dan het advies van de CWS, omdat de CWS ten onrechte uitging van een immateriële schadevergoeding voor vier in plaats van vijf kinderen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 8 juni 2022 bezwaar gemaakt.
4.3.
Op 4 maart 2025 heeft de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (BAC) de Dienst geadviseerd om het bezwaar van eiseres gedeeltelijk – namelijk voor wat betreft de onderdelen inkomensschade van de partner van eiseres, rente en boetes, persoonlijke lening voor de aankoop van een woning, kosten van therapie in 2023 tot en met 2025, en gemiste opbouw van vermogen – gegrond te verklaren, om in bezwaar te toetsen aan het met ingang van 1 juli 2024 gewijzigde schadekader van de CWS, om het besluit van 28 april 2022 te herroepen, om de aanvullende compensatie opnieuw te berekenen en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.4.
In het bestreden besluit van 4 augustus 2025 heeft de Dienst de BAC niet gevolgd in het advies om – voor wat betreft de onderdelen inkomensschade van de partner, rente en boetes, persoonlijke lening voor de aankoop van een woning, kosten van therapie in 2025, en gemiste opbouw van vermogen – de schadevergoeding opnieuw te berekenen. Wel heeft de Dienst eiseres – omdat de helft van de kosten van therapie in 2023 en 2024 (inclusief wettelijke rente) voor vergoeding in aanmerking komen, en vanwege het gewijzigde schadekader van de CWS – een aanvullende compensatie toegekend van
€ 10.700. De Dienst heeft daarom het besluit van 28 april 2022 herroepen.
De omvang van het geding
5. De rechtbank benadrukt dat in deze procedure alleen de door de Dienst in het bestreden besluit van 4 augustus 2025 vastgestelde hoogte van de aanvullende compensatie voor de werkelijk door eiseres geleden schade ter beoordeling voorligt. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres die hierop betrekking hebben
.Dit recht is niet afhankelijk van het al dan niet onrechtmatig handelen door de Dienst. Eiseres is namelijk al aangemerkt als gedupeerde. Daarom beoordeelt de rechtbank niet het verzoek van eiseres om het onrechtmatig handelen van de Dienst vast te stellen. [4]
5.1.
De Dienst heeft aan eiseres op 19 juni 2025 een schikkingsvoorstel gedaan. Het voorstel hield in dat de Dienst eiseres een bedrag van (afgerond) € 205.500 zou betalen onder de voorwaarde dat zij alle lopende bestuursrechtelijke en civielrechtelijke procedures zou intrekken. Dit aanbod, dat geldig was tot 1 juli 2025, is komen te vervallen omdat eiseres niet tijdig zou hebben gereageerd. Eiseres is het om meerdere redenen niet eens met (de gang van zaken rondom) dit schikkingsvoorstel. Zo heeft eiseres onder meer naar voren gebracht dat zij een gesprek wilde met een medewerker van de Dienst over het schikkingsvoorstel en zou dat niet mogelijk zijn geweest. Hierover is op de zitting uitgebreid gesproken. De rechtbank vindt de emoties en gevoelens over de inhoud van het schikkingsvoorstel, afgezet tegen de overwegingen in het bestreden besluit, en de gang van zaken rondom het schikkingsvoorstel invoelbaar. De rechtbank heeft gezien dat eiseres en haar partner teleurgesteld zijn hierover. Het schikkingstraject is echter een traject dat parallel loopt aan, maar juridisch gezien geen deel uitmaakt van de bestuursrechtelijke besluitvorming van de Dienst. Daarom kan de rechtbank de beroepsgronden van eiseres die betrekking hebben op de gang van zaken rondom, dan wel de juistheid van het schikkingsvoorstel – wat daar ook van zij – in deze procedure niet beoordelen.
De hoogte van de aanvullende compensatie
6. De rechtbank onderkent de langdurige en ernstige problemen die eiseres en haar gezin als gevolg van de toeslagenaffaire hebben ondervonden (en nog steeds ondervinden). De rechtbank begrijpt ook dat de procedures voor het verkrijgen van een (rechtvaardige) schadevergoeding omslachtig zijn en lang duren, dat dit (opnieuw) zorgt voor problemen, spanningen en frustraties, en dat dit zijn weerslag heeft op eiseres en haar gezin. Op de zitting hebben eiseres en haar partner dit uitvoerig en duidelijk toegelicht. Op zichzelf betekent dit echter niet dat de besluitvorming ten aanzien van eiseres als zodanig onzorgvuldig is geweest. De rechtbank beoordeelt de in het bestreden besluit vastgestelde hoogte van de aanvullende compensatie aan de hand van het daarvoor geldende toetsingskader en de door eiseres aangevoerde beroepsgronden. De problemen, spanningen en frustraties worden meegenomen in de vraag of de Dienst hieraan voldoende tegemoet is gekomen door het toekennen van een vergoeding van € 42.500 voor immateriële schade.
Het toetsingskader
7. In artikel 2.1, derde lid, van de Wht, is bepaald dat aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, op aanvraag door de Dienst aanvullende compensatie voor de werkelijk schade wordt toegekend.
7.1.
De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De Dienst moet bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen de Dienst en de aanvrager in geschil is. [5]
7.2.
De CWS beoordeelt de werkelijke schade aan de hand van het zogenoemde schadekader en adviseert de Dienst bij de beoordeling van een verzoek om aanvullende compensatie voor de door een ouder geleden werkelijke schade. Het schadekader dat sinds
1 juli 2024 wordt toegepast, en ook in het bestreden besluit is gehanteerd, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’. [6] In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade worden berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten.
Heeft de Dienst voldoende gemotiveerd waarom deels is afgeweken van het advies van de BAC?
8. Eiseres betoogt dat de Dienst onvoldoende heeft gemotiveerd waarom gedeeltelijk van het advies van de BAC – om de schadevergoeding opnieuw te berekenen voor wat betreft de onderdelen inkomensschade van haar partner, rente en boetes, persoonlijke lening voor de aankoop van een woning, kosten van therapie in 2025, en gemiste opbouw van vermogen – is afgeweken.
8.1.
Het betoogt van eiseres slaagt niet. Zoals ook staat vermeld onder 4.3 heeft de BAC geadviseerd om voor wat betreft de onderdelen inkomensschade van de partner van eiseres, rente en boetes, persoonlijke lening voor de aankoop van een woning, kosten van therapie in 2025, en gemiste opbouw van vermogen, de schadevergoeding opnieuw te berekenen. Vervolgens heeft de Dienst in het bestreden besluit per onderdeel gemotiveerd waarom hiervoor geen dan wel geen hogere schadevergoeding wordt vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom hij deels afwijkt van het advies van de BAC. Eiseres heeft geen specifieke argumenten naar voren gebracht waarom die motivering onjuist is, maar is gebleven bij hetgeen zij al eerder naar voren heeft gebracht.
Heeft eiseres aannemelijk en concreet gemaakt dat en in welke mate de door haar werkelijk geleden schade hoger is dan het toegekende compensatiebedrag?
9. Eiseres betoogt in beroep dat de Dienst de hoogte van de aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden materiële en immateriële schade te laag heeft vastgesteld. Ten aanzien van de materiële schade heeft de Dienst geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiseres en haar partner bij de aankoop van hun woning noodgedwongen moesten kiezen voor een zogenoemde duokoop constructie. Ook heeft de Dienst de gemaakte juridische kosten voor mr. Spiertz genegeerd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de Dienst onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden dat eiseres en haar gezinsleden in hun persoon zijn aangetast (jarenlange psychische belasting, aantasting van de gezondheid en druk op het gezinsleven), dat sprake is geweest van maatschappelijke uitsluiting en verlies van reputatie, alsmede dat sprake is geweest van discriminatie, etnisch profileren en ongelijke behandeling. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding van € 550.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2009.
9.1.
Op de zitting is vastgesteld dat eiseres in algemene bewoordingen betoogt dat de toegekende compensatie te laag is, maar dat zij de door haar gestelde werkelijk geleden schade van € 550.000 niet per schadepost heeft geconcretiseerd. Op de zitting hebben de gemachtigden van eiseres toegelicht dat zij pas kort voor de zitting bij de beroepsprocedure zijn betrokken en verzocht om een nadere termijn voor het concretiseren van de schadeposten. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom de gemachtigden niet nog vóór, dan wel tijdens, de zitting de gestelde schadeposten hebben kunnen concretiseren of de beroepsgronden tegen het bestreden besluit hebben kunnen toelichten en concretiseren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat mr. Spiertz al was betrokken bij de onderhandelingen over het schikkingsvoorstel en dus inhoudelijk van het dossier op de hoogte was. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de gemachtigden van eiseres nu alsnog de gelegenheid te bieden om de schadeposten te concretiseren. Dat gemachtigden van eiseres zich hebben gericht op de inhoud van het schikkingsvoorstel van 19 juni 2025 is een eigen keuze en betekent niet dat de beroepsgronden in de lopende beroepsprocedure niet onderbouwd of geconcretiseerd hoefden te worden. De zittingsdatum was ook al langere tijd bekend en er is ook niet verzocht om aanhouding van de zitting.
9.2.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat eiseres niet per schadepost aannemelijk en concreet heeft gemaakt dat de werkelijk geleden materiële en immateriële schade hoger is dan het hiervoor door de Dienst in het bestreden besluit toegekende bedrag. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding merkt de rechtbank nog op dat de Dienst bij de berekening hiervan rekening heeft gehouden met de door eiseres genoemde omstandigheden dat sprake is (geweest) van jarenlange psychische belasting, aantasting van de gezondheid, druk op het gezinsleven, maatschappelijke uitsluiting en reputatieschade. Dit heeft de Dienst uitgebreid gemotiveerd aan de hand van de bouwstenen zoals benoemd in het schadekader. De enkele, niet concreet onderbouwde stelling van eiseres dat sprake is geweest van discriminatie, etnisch profileren en ongelijke behandeling, is onvoldoende voor de conclusie dat de Dienst om die reden een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding had moeten toekennen.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Dienst het bestreden besluit voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, voldoende heeft gemotiveerd en de hoogte van de aanvullende compensatie juist heeft vastgesteld.
De (overige) algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het verbod van détournement de pouvoir en het evenredigheidsbeginsel
11. Eiseres betoogt dat de Dienst heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir en het evenredigheidsbeginsel. De Dienst heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheden. Verder heeft de manier waarop de Dienst het dossier van eiseres heeft behandeld met jarenlange vertraging, herhaalde fouten en tegenstrijdige besluiten, geleid tot onevenredig zware psychische, relationele en financiële schade. De nadelige gevolgen voor eiseres en haar gezin staan in geen verhouding tot de hoogte van de toegekende compensatie, aldus eiseres.
11.1.
Het betoog slaagt niet. Eiseres heeft op geen enkele wijze concreet onderbouwd dat de Dienst de bevoegdheid tot het nemen van een besluit voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Verder ziet de rechtbank, zonder nadere concrete onderbouwing van eiseres, geen aanleiding voor de conclusie dat de hoogte van de toegekende compensatie onevenredig is. De rechtbank verwijst ook naar hetgeen hiervoor door haar is overwogen.
Het vertrouwensbeginsel
12. Eiseres betoogt dat de Dienst heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres zijn eerdere toezeggingen over het toekennen van compensatie zonder uitleg ingetrokken.
12.1.
Het betoog slaagt niet. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen, en zo ja, hoe. Uit het dossier blijkt niet van een dergelijke toezegging aan eiseres. Dat de Dienst eiseres in een schikkingsvoorstel een hoger bedrag aan compensatie heeft aangeboden, is daarvoor onvoldoende. In dit voorstel staat namelijk dat het aanbod, als het niet wordt geaccepteerd, vervalt en dat aan dit voorstel geen rechten kunnen worden ontleend. Daarmee is geen sprake van een toezegging van het toekennen van een aanvullende compensatie, bovenop de compensatie die in het bestreden besluit is toegekend.
De overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM
13. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
13.1.
De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door de Dienst en de rechtbank is behandeld, het processuele gedrag van eiseres tijdens de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiseres.
13.2.
De redelijke termijn voor de behandeling van het beroep inclusief de bezwaarschriftprocedure bedraagt in beginsel maximaal twee jaren, te rekenen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden bestaat recht op een schadevergoeding van € 500, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In deze zaak betekent dit het volgende.
13.3.
Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst op 8 juni 2022 tot de datum waarop de rechtbank deze einduitspraak doet, zijn drie jaren en ongeveer elf maanden verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer of minder dan twee jaren te stellen. De redelijke termijn is dus met een jaar en ongeveer elf maanden overschreden. De rechtbank stelt de schadevergoeding vast op een bedrag van € 2.000. Omdat de gehele overschrijding binnen de bezwaarfase is gelegen, komt deze schadevergoeding voor rekening van de Dienst.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de Dienst een schadevergoeding van € 2.000 aan eiseres moet betalen.
14.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de Dienst de in bezwaar door eiseres gemaakte proceskosten moet vergoeden. Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgt dat de proceskosten in bezwaar uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Uit wat is weergegeven onder 4.4 volgt namelijk dat de Dienst het besluit van 28 april 2022 alleen heeft herroepen vanwege het na dat besluit gewijzigde schadekader van de CWS, en vanwege de na dat besluit (in 2023 en 2024) gemaakte kosten voor therapie. Verder is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
 veroordeelt de Dienst tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000 aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzitter, en mr. G.H.W. Bodt en
mr. M. Ichoh, leden, in aanwezigheid van mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tot 1 januari 2024 aangeduid als Belastingdienst/Toeslagen.
2.De partner van eiseres.
3.Geboren op [datum 1] 2008, [datum 2] 2010, [datum 3] 2016, [datum 4] 2017 en [datum 5] 2019.
4.ABRvS 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3620, ro. 15.4).
5.ABRvS 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3620, ro. 15.3).
6.Te raadplegen via www.rijksoverheid.nl.