Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op 1 januari 2022 en tegen de bijbehorende aanslag onroerendezaakbelasting 2023. De heffingsambtenaar deed uitspraak op bezwaar op 24 februari 2024, maar stuurde deze niet direct aan belanghebbende of diens gemachtigde. Pas op 26 maart 2024 en 16 april 2024 werden de uitspraken respectievelijk aan belanghebbende en diens gemachtigde toegezonden.
Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en vorderde een dwangsom. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat de uitspraak op bezwaar wel tijdig was gedaan, maar dat het beroep tegen de impliciete afwijzing van het dwangsomverzoek ontvankelijk was. De rechtbank stelde de dwangsom vast op €707, berekend over de periode van 2 maart tot en met 26 maart 2024.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €23,35 toegekend voor de beroepsfase, waarbij rekening werd gehouden met een wegingsfactor van 0,25 en een extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 conform artikel 30a van de Wet WOZ. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het geschil over de WOZ-waarde niet meer aan de orde was.
De uitspraak op bezwaar werd vernietigd voor zover deze het dwangsomverzoek betrof, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van de dwangsom, proceskosten en griffierecht.