Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3989

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/3480
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 7:14 AwbArt. 30a Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar WOZ-beschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op 1 januari 2022 en tegen de bijbehorende aanslag onroerendezaakbelasting 2023. De heffingsambtenaar deed uitspraak op bezwaar op 24 februari 2024, maar stuurde deze niet direct aan belanghebbende of diens gemachtigde. Pas op 26 maart 2024 en 16 april 2024 werden de uitspraken respectievelijk aan belanghebbende en diens gemachtigde toegezonden.

Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en vorderde een dwangsom. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat de uitspraak op bezwaar wel tijdig was gedaan, maar dat het beroep tegen de impliciete afwijzing van het dwangsomverzoek ontvankelijk was. De rechtbank stelde de dwangsom vast op €707, berekend over de periode van 2 maart tot en met 26 maart 2024.

Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €23,35 toegekend voor de beroepsfase, waarbij rekening werd gehouden met een wegingsfactor van 0,25 en een extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 conform artikel 30a van de Wet WOZ. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het geschil over de WOZ-waarde niet meer aan de orde was.

De uitspraak op bezwaar werd vernietigd voor zover deze het dwangsomverzoek betrof, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van de dwangsom, proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank kent een dwangsom van €707 toe wegens niet tijdig beslissen en wijst een proceskostenvergoeding van €23,35 toe.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3480

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bronckhorst, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 februari 2024. De uitspraak op bezwaar is op 26 maart 2024 verzonden aan belanghebbende en op 16 april 2024 aan gemachtigde.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan de [locatie] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 375.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bronckhorst voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en daarbij de waarde van de woning gehandhaafd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar geen beslissing genomen over het verzoek van belanghebbende om een dwangsom toe te kennen wegens niet tijdig beslissen.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens de heffingsambtenaar [persoon A]. De gemachtigde van belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank niet op de zitting verschenen.

Feiten

1. Op 8 juni 2023 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de WOZ-beschikking.
2. Eind december 2023 heeft de heffingsambtenaar de termijn om uitspraak op bezwaar te doen met zes weken verlengd. De termijn voor de heffingsambtenaar om uitspraak op bezwaar te doen verliep daarmee op 13 februari 2024.
3. Op 14 februari 2024 heeft belanghebbende een ingebrekestelling verzonden naar de heffingsambtenaar wegens het uitblijven van de uitspraak op het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling ontvangen op 16 februari 2024.
4. Op 24 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. De heffingsambtenaar heeft de uitspraak op bezwaar echter toen niet verzonden aan belanghebbende en ook niet aan gemachtigde.
5. Op 14 maart 2024 heeft belanghebbende met het contactformulier van de gemeente Bronckhorst gemeld dat hij nog geen uitspraak op bezwaar had ontvangen.
6. Op 26 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar een e-mailbericht met een kopie van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende verstuurd.
7. Op 16 april 2024 heeft de heffingsambtenaar een e-mailbericht met een kopie van de uitspraak op bezwaar aan gemachtigde verstuurd.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking ontvankelijk is en of belanghebbende recht heeft op toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Beroep niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking
9. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen. Redengevend hiervoor is dat de heffingsambtenaar op 24 februari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan en deze uitspraak, hangende dit beroep, alsnog heeft toegestuurd aan belanghebbende op 26 maart 2024 en aan gemachtigde op 16 april 2024. De rechtbank zal het beroep wegens het niet tijdig beslissen in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 24 februari 2024: dwangsom verschuldigd?
10. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is wel ontvankelijk. Het geschil beperkt zich daarbij echter tot de dwangsom. De WOZ-beschikking is niet meer in geschil.
11. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar niet is beslist op het dwangsomverzoek, moet worden gezien als een impliciete afwijzing van dat verzoek, waartegen belanghebbende in beroep kan opkomen tegelijk met het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. [1]
12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op toekenning van de maximale dwangsom van € 1.442, wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar. Volgens belanghebbende dient de hoogte van de dwangsom te worden berekend over de periode tot en met 16 april 2024, de dag waarop gemachtigde de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen.
13. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende recht heeft op toekenning van een dwangsom van € 707. Volgens de heffingsambtenaar is de beslistermijn voor het doen van de uitspraak op bezwaar inderdaad overschreden, omdat de uitspraak op bezwaar wegens een administratieve misslag aan de zijde van de heffingsambtenaar niet direct aan (gemachtigde van) belanghebbende is toegezonden. De heffingsambtenaar stelt dat de hoogte van de dwangsom dient te worden berekend over de periode van 2 maart 2024 tot en met 26 maart 2024, omdat de uitspraak op bezwaar op 26 maart 2024 aan belanghebbende is verstuurd. De heffingsambtenaar wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2013. [2]
14. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, voor elke dag dat het in gebreke is, maar voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt op grond van het tweede lid van artikel 4:17 van Pro de Awb de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Het derde lid van artikel 4:17 van Pro de Awb bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Deze regeling is op grond van artikel 7:14 van Pro de Awb ook van toepassing op het doen van uitspraak op bezwaar.
15. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift terecht erkent dat hij niet tijdig op het bezwaar van belanghebbende heeft beslist, omdat de uitspraak niet direct aan (gemachtigde van) belanghebbende is toegezonden. De eerste dag waarover de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd is, betreft 2 maart 2024. Dat is namelijk de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de heffingsambtenaar de ingebrekestelling heeft ontvangen, 16 februari 2024. Uit het door de heffingsambtenaar genoemde arrest van de Hoge Raad van 2013 [3] volgt dat de termijn voor de dwangsom geëindigd is op het moment van toezending van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende. Dat de uitspraak op bezwaar pas op 16 april 2024 aan gemachtigde is toegezonden en daarmee op dat moment rechtsgeldig bekend is gemaakt, doet daaraan naar het oordeel van de Hoge Raad niet af bij de beoordeling van de hoogte van de dwangsom. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende recht op de toekenning van een dwangsom berekend over de periode van 2 maart 2024 tot en met 26 maart 2024. Overeenkomstig artikel 4:17 van Pro de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op € 707.

Proceskostenvergoeding

16. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor onder meer het bezwaarschrift, de hoorzitting, het WOZ-taxatierapport, het beroepschrift en de reactie op het verweerschrift. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om de extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) buiten toepassing te laten wegens strijd met het discriminatieverbod.
17. De heffingsambtenaar is van mening dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding voor het indienen van het beroepschrift. Bij de berekening van de hoogte van de proceskostenvergoeding moet dan wel rekening worden gehouden met een wegingsfactor van 0,25, omdat het beroep gaat over het niet tijdig beslissen. Daarnaast geldt volgens de heffingsambtenaar de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a van de Wet WOZ, omdat de uitspraak op bezwaar in 2024 bekend is gemaakt en de WOZ-beschikking in stand blijft.
18. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met het richtsnoer van de hoven [4] , een wegingsfactor van 0,25 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Gelet op het arrest van de Hoge Raad uit 2013 [5] , is de beantwoording van de formele vraag in deze zaak namelijk zeer eenvoudig. [6]
19. De rechtbank is verder van oordeel dat bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de beroepsfase de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ moet worden toegepast, gezien het feit dat de uitspraak op bezwaar na 1 januari 2024 is gedaan en de WOZ-beschikking in stand blijft. [7] De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2025 [8] deze bepaling al getoetst aan artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft geoordeeld dat deze bepaling geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling oplevert. Van strijd met het discriminatieverbod is dus geen sprake. Verder heeft gemachtigde van belanghebbende niet gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in dit arrest van 17 januari 2025, zodat ook hierom artikel 30a van de Wet WOZ niet buiten toepassing moet blijven.
20. Voor de bezwaarfase kent de rechtbank geen proceskostenvergoeding toe, omdat de WOZ-beschikking in stand is gebleven en omdat er geen bezwaar tegen de dwangsom is gemaakt.
21. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 23,35 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 0,25 en de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1).
Uitbetaling proceskostenvergoeding
22. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om de kostenvergoeding rechtstreeks aan zijn gemachtigde te betalen. De belastingrechter is echter niet bevoegd om te oordelen over de vraag of de proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan van belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd om over een dergelijke vraag te oordelen. [9]
Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
23. Belanghebbende heeft op 8 april 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
24. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 8 juni 2023. Na de uitspraak op bezwaar is geen beroep ingesteld tegen de inhoud van de WOZ-beschikking, zodat het geschil daarover bij de uitspraak op bezwaar is geëindigd. Dit brengt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad mee dat de redelijke termijn niet is overschreden en geen recht bestaat op schadevergoeding. [10]

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar alleen voor zover deze een impliciete afwijzing betreft van het verzoek om de toekenning van een dwangsom. De rechtbank kent alsnog een dwangsom van € 707 toe.
26. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten van € 23,35.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar alleen voor zover deze een impliciete afwijzing van het verzoek om de toekenning van een dwangsom betreft;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 707 aan belanghebbende moet betalen;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep tot een bedrag van € 23,35;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 20 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:19, eerste lid, van de Awb en zie ook Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, en Hoge Raad 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1.
2.Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969.
3.Zie voetnoot 2.
4.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
5.Zie voetnoot 2.
6.Zie ook Centrale Raad van Beroep 15 april 2015, ECLI:NL:CRvB:2015:1296.
7.Artikel IV van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507.
8.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
9.Vergelijk Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156.
10.Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.