Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht stelde de waarde van een woning vast voor de WOZ en legde een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op. Belanghebbende was het niet eens met de vastgestelde waarde en de aanslag en voerde verweer bij de Rechtbank en het Gerechtshof, die de waarde en aanslag verlaagden.
Het Dagelijks Bestuur stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van het Dagelijks Bestuur niet tot vernietiging konden leiden en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de vraag of de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) van toepassing is op de proceskostenvergoeding in deze cassatieprocedure. De Hoge Raad bevestigde dat deze wet niet geldt voor belanghebbenden die in hogere instantie succesvol verweer voeren tegen een bestuursorgaan, zoals in dit geval, en wees het standpunt van belanghebbende dat artikel 30a Wet WOZ strijdig zou zijn met het verbod op ongerechtvaardigde ongelijke behandeling af.
Tot slot oordeelde de Hoge Raad dat hij niet bevoegd is om te oordelen over de vraag of een proceskostenvergoeding op een andere bankrekening dan die van belanghebbende moet worden overgemaakt. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en het Dagelijks Bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het Dagelijks Bestuur wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.