ECLI:NL:RBGEL:2026:4119

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1831 en AWB-26_1658
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 7 WpbrArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden onevenredig verklaard

Eiser, werkzaam in de beveiligingsbranche, kreeg op 5 juni 2025 toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor B.V. Vitesse. De korpschef trok deze toestemming in december 2025 in vanwege handel in vapes door eiser, wat de betrouwbaarheid van eiser in twijfel zou trekken. Eiser ging in bezwaar en stelde dat de intrekking onevenredig was en dat de korpschef had moeten volstaan met een waarschuwing.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat eiser zijn opleiding tot beveiliger niet tijdig kan afronden zonder toestemming. De rechtbank stelt vast dat eiser erkent in vapes te hebben gehandeld, maar dat hij niet strafrechtelijk vervolgd is en een blanco strafblad heeft. De korpschef achtte een waarschuwing onvoldoende, maar de voorzieningenrechter vindt dat in dit specifieke geval een waarschuwing passend was.

De intrekking wordt als onevenredig beoordeeld, mede vanwege de verstrekkende gevolgen voor eiser, die jong is en gediagnosticeerd met Asperger. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De korpschef wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens onevenredigheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/1831 en 26/1658

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. van Eekelen),
en

de korpschef van politie

(gemachtigden: mr. S.A.J. Wezendonk & A.H. de Wit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de korpschef waarin is besloten om de aan eiser verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden [1] te mogen verrichten voor B.V. Vitesse (hierna: Vitesse) in te trekken.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef niet tot intrekking had mogen over gaan, omdat de intrekking – kort samengevat – onevenredig is. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De korpschef heeft de toestemming om beveiligingswerkzaamheden voor Vitesse te verrichten bij besluit van 7 november 2025 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 19 februari 2026 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef hebben deelgenomen aan de zitting.
2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna beoordeelt zij of de korpschef rechtmatig tot intrekking van de toestemming is overgegaan. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser is werkzaam in de beveiligingsbranche. Op 5 juni 2025 is er aan Vitesse toestemming verleend ten behoeve van eiser om voor dit bedrijf beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Bij brief van 21 oktober 2025 heeft de korpschef kenbaar gemaakt voornemens te zijn om deze toestemming in te trekken en bij besluit van 17 december 2025 heeft de korpschef daar definitief toe besloten. De reden daarvoor is – kort samengevat – dat de betrouwbaarheid en bekwaamheid van eiser niet langer boven iedere twijfel verheven zijn. Concreet houdt dit verband met de omstandigheid dat eiser op 15 oktober 2025 heeft gehandeld in vapes. Ook weegt de korpschef mee dat eiser op 18 september 2025 is aangetroffen met 25 boxen vapes in zijn auto, ondanks dat tijdens die controle niet vastgesteld kon worden dat eiser toen in vapes handelde.
4.1.
Eiser is tegen het besluit van 17 december 2025 in bezwaar gegaan. Bij besluit van 19 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. Eiser stelt dat sprake is van een spoedeisend belang. Hij voert aan dat hij vanaf september 2026 als aspirant-beveiliger stage moet gaan lopen om de opleiding tot beveiliger af te ronden. Door de intrekking van zijn toestemming kan hij zijn diploma niet halen. Hij verwacht niet dat er vóór het begin van zijn stage, in september 2026, een uitspraak in de bodemzaak zal zijn en stelt daarom dat er sprake is van een spoedeisend belang.
5.1.
De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De korpschef wijst er allereerst op dat het voorstelbaar is dat er wel vóór begin september een uitspraak is gedaan in de bodemzaak. Mocht dat niet zo zijn, dan wijst de korpschef erop dat het enkele feit dat eiser niet kan beginnen met zijn stage als beveiliger en dus vertraging van zijn opleiding oploopt geen reden oplevert om een spoedeisend belang aan te nemen. Het is volgens de korpschef aan eiser om aannemelijk te maken dat hij geen andere opleiding kan volgen (een opleiding waar een dergelijke toestemming niet voor nodig is). Gelet op de lengte van de periode tot september dit jaar, is aannemelijk dat hij een andere opleiding kan vinden.
5.2.
Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.
5.3.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de uitspraak op het beroep niet kan worden afgewacht. Een uitspraak op het beroep kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wel sprake is van een spoedeisend belang. Eiser kan namelijk naar het lijkt niet (tijdig) starten met zijn stage in september en daarmee zijn opleiding niet (tijdig) kan afronden. Anders dan de korpschef is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet aannemelijk is dat er vóór september een uitspraak op het beroep zou zijn gedaan.
5.4.
De stelling van de korpschef dat dat eiser vóór september een andere opleiding zou kunnen vinden, wat daar ook van zij, maakt het voorgaande niet anders. De drempel voor het spoedeisend belang ligt namelijk niet zo hoog. Als de drempel wel zo hoog zou liggen zou dat betekenen dat eiser nooit in een voorlopige voorzieningenprocedure zou kunnen bewerkstelligen dat hij (tijdig) deze opleiding kan afronden. Dat voert naar het oordeel van de voorzieningenrechter te ver.
Is het bestreden besluit onevenredig?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onevenredig is. De evenredigheidstoets is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) kunnen de factoren geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol spelen bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. [3] Concreet betwist eiser de noodzaak en de evenwichtigheid van de intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten.
6.1.
Ten aanzien van de noodzaak voert eiser, onder verwijzing naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, [4] aan dat de korpschef had moeten volstaan met een minder vergaande maatregel, namelijk met een waarschuwing. Intrekking is volgens eiser, gelet op de mutaties bij de politie, in zijn geval ook niet nodig om een betrouwbare veiligheidszorg te waarborgen. Eiser wijst er verder op dat geen sprake is van een veroordeling voor een strafbaar feit en dat hij erg jong is en een blanco strafblad heeft. In het kader van de evenredigheid voert eiser aan dat dat de intrekking onevenwichtig is. Eiser kan zijn opleiding niet afronden. Ook wijst eiser op zijn mentale en sociale ontwikkeling. Eiser is gediagnostiseerd met Asperger, een vorm van Autisme en de opleiding tot beveiliger biedt belangrijke structuur.
6.2.
De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de korpschef het noodzakelijk heeft mogen achten om de toestemming in te trekken. Bij de beoordeling of de intrekking noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de korpschef met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Niet in geschil is dat de korpschef in voorkomende gevallen de mogelijkheid heeft om te waarschuwen of om een bestuurlijke boete op te leggen.
6.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de feiten die naar voren komen in de verschillende opgemaakte processen-verbaal duidelijk blijkt dat eiser in ieder geval één keer handelde in vapes. Dit heeft hij ook tijdens de hoorzitting in bezwaar, en ook bij de zitting van de voorzieningenrechter, erkend. Op 18 september 2025 is eiser aangetroffen met een grote hoeveelheid vapes, maar toen kon handel niet worden vastgesteld. Eiser heeft echter tijdens de hoorzitting in bezwaar erkend dat hij ook die keer aan het handelen was in vapes.
6.4.
De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met zijn gedragingen de gezondheid van anderen minder belangrijk heeft gevonden dan zijn eigen geldelijk gewin. De korpschef meent mede daarom dat het om ernstige feiten gaat. De korpschef heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij, gelet op de ernst van de feiten, een waarschuwing in dit geval als een te licht middel beschouwt en daarom niet passend vindt. Op zitting bij de voorzieningenrechter heeft de korpschef daarnaast benoemd dat eiser na de eerste keer al gewaarschuwd was en dat een waarschuwing daarom niet meer op zijn plaats is.
6.5.
De voorzieningenrechter is met de korpschef van oordeel dat dealen in vapes niet past bij het uitvoeren beveiligingswerkzaamheden. Anders dan de korpschef is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat in dit specifieke geval wel volstaan had kunnen en moeten worden met een waarschuwing. De voorzieningenrechter neemt daar allereerst bij in aanmerking dat eiser niet strafrechtelijk vervolgd wordt voor de feiten. De korpschef heeft opgemerkt dat de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waar eiser naar verwijst niet vergelijkbaar is, omdat er in eisers geval geen sprake is van een vrijspraak of een sepot. Het staat eiser echter niet ter vrije beschikking of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgd wordt. Hem kan daarom niet in negatieve zin worden tegengeworpen dat zijn zaak niet geseponeerd is of dat hij niet is vrijgesproken.
6.6.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat eiser een blanco strafblad heeft. Ook is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat eiser na het eerste incident gewaarschuwd is door de korpschef. De waarschuwingsbrief maak in ieder geval geen onderdeel uit van het dossier en de waarschuwing wordt ook niet genoemd in de besluitvorming die aan de intrekking ten grondslag ligt. Het twee keer dealen in vapes is kwalijk, maar in de bovengenoemde context naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig ernstig en verwijtbaar dat het de conclusie kan dragen dat eiser in zijn geheel niet langer geschikt is om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Wel is dit handelen zodanig verwijtbaar dat de korpschef eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter formeel had moeten waarschuwen.
6.7.
Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, hoewel dit meer ziet op de evenwichtigheid, eiser door de intrekking zijn opleiding niet (tijdig) kan afronden. Dit zijn voor eiser zeer verstrekkende gevolgen. Op zitting heeft eiser ook toegelicht dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan en dat hij heel graag specifiek deze opleiding wil afronden, om zijn droom na te jagen om ooit persoonsbeveiliger te worden. Hoewel de korpschef terecht een groot belang hecht aan betrouwbare veiligheidszorg en de goede naam van de bedrijfstak, weegt het persoonlijk belang van eiser in dit geval ook heel zwaar. De gedragingen van eiser komen de betrouwbaarheid van de beveiligingsbranche weliswaar niet ten goede, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser een laatste kans verdient, gezien zijn jonge leeftijd en de bovengenoemde omstandigheden in deze zaak.
6.8.
De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de korpschef had moeten volstaan met een waarschuwing.
6.9.
De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien en de intrekking van de toestemming van de korpschef herroepen. Daarmee is de intrekking om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor nu van tafel. De voorzieningenrechter geeft de korpschef in overweging om eiser wel uitdrukkelijk en formeel schriftelijk te waarschuwen voor zijn gedragingen, nu de handel in vapes niet past bij het volgen van een opleiding tot beveiliger. Mocht eiser nogmaals de fout ingaan, dan ligt een intrekking van de toestemming op dat moment wel voor de hand. De voorzieningenrechter richt zich daarom nog specifiek tot eiser. Deze uitspraak heeft in feite tot gevolg dat eiser nog één laatste kans krijgt. Als eiser nog een keer op een negatieve manier met politie of justitie in aanraking komt, kan hij zijn droom om persoonsbeveiliger te worden waarschijnlijk vergeten. Het is daarom aan eiser om deze kans met beide handen aan te grijpen en te zorgen dat dergelijke feiten zich niet nog voordoen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet daarnaast aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat de intrekking van de toestemming niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal daarom het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De korpschef moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een verzoekschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,00. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Dat brengt het totaal op € 4.134,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de korpschef het betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten ter hoogte van € 4.134,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
2.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
4.Rb. Zeeland West-Brabant 6 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3926.