ECLI:NL:RBGEL:2026:4189

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/7574
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Wevers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23a Wet MRBArt. 36 Wet MRBArt. 37 Wet MRBArt. 5aa Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting kampeerauto

Belanghebbende, houder van een kampeerauto, kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd omdat de kampeerauto niet voldeed aan de inrichtingseisen voor het bijzonder tarief. Tevens werd een verzuimboete opgelegd wegens het niet tijdig melden van deze wijziging.

De rechtbank bevestigt dat de kampeerauto niet aan de wettelijke inrichtingseisen voldoet, omdat vaste voorzieningen zoals tafel, slaapgelegenheid en keukenblok ontbraken. Hierdoor is de naheffingsaanslag terecht vastgesteld over vier kwartalen. Belanghebbende betwistte dit deels, maar kon onvoldoende aantonen dat de inrichting aan de eisen voldeed.

De verzuimboete is eveneens terecht opgelegd, aangezien belanghebbende niet alle van haar te vergen zorg heeft betracht om de juiste belasting te betalen. Wel acht de rechtbank de boete van €1.012 te hoog en matigt deze naar €250, rekening houdend met de financiële situatie van belanghebbende en het feit dat het een eenmalige fout betreft.

Daarnaast constateert de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn met circa drie maanden, wat echter geen verdere matiging rechtvaardigt. De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

De uitspraak bevestigt het belang van strikte naleving van de voorwaarden voor het bijzonder tarief MRB en benadrukt de zorgvuldige afweging bij het opleggen en matigen van verzuimboetes.

Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting blijft in stand, maar de verzuimboete wordt verminderd tot €250.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7574

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 augustus 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 11 december 2022 tot en met 10 december 2023 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd van € 2.025. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 1.012 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en haar gemachtigde en [persoon A] (buurman) en [persoon B] (schoondochter). Namens de inspecteur zijn [persoon C] en [persoon D] verschenen.

Feiten

1. Belanghebbende is houder van het motorrijtuig met het kenteken [kenteken] (de kampeerauto).
2. Op 4 oktober 2021 heeft de inspecteur het verzoek ontvangen van belanghebbende om toepassing van het bijzonder tarief MRB voor de kampeerauto.
3. Bij beschikking van 25 april 2022 is het verzoek om toepassing van het bijzonder tarief toegekend met ingang van 11 december 2021.
4. Op 5 december 2023 omstreeks 11.20 uur is de kampeerauto in [plaats 2] gecontroleerd door een medewerker van de Belastingdienst. Bij die controle is geconstateerd dat de binnenruimte niet was voorzien van een tafel, dat er geen slaapgelegenheid was en ook geen sprake was van een vast keukenblok en watervoorziening. Van de controle is een controlerapport opgemaakt.
5. De inspecteur heeft op 29 januari 2024 zijn voornemen kenbaar gemaakt om een naheffingsaanslag MRB en een verzuimboete aan belanghebbende op te leggen, omdat de kampeerauto niet aan de voorwaarden voor toepassing van het bijzonder tarief voldoet.
6. Bij brief van 20 februari 2024 heeft belanghebbende daarop gereageerd.
7. Met dagtekening 18 maart 2024 heeft de inspecteur overeenkomstig zijn aankondiging een naheffingsaanslag met verzuimboete aan belanghebbende opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag MRB terecht en niet te hoog is vastgesteld. De boetebeschikking is wel terecht opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog vastgesteld?
10. Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte is vastgesteld. Als reden daarvoor voert belanghebbende aan dat zij de kampeerauto uitsluitend gebruikt voor vakanties en weekendtrips en dat de kampeerauto op eigen terrein wordt gestald. Zij is in augustus 2023 nog met de kampeerauto op vakantie geweest. Dat de kampeerauto op 5 december 2023 gebruik maakte van de weg was omdat in september 2023 sprake was geweest van kortsluiting waardoor delen van de kampeerauto moesten worden nagekeken. Dat heeft haar buurman (een automonteur) voor haar gedaan. Het was belanghebbende niet bekend dat haar buurman de auto mee zou nemen naar de garage om daar bepaalde onderdelen te vervangen. Tijdens die betreffende rit heeft de constatering plaatsgevonden. Belanghebbende betwist niet dat de kampeerauto op het moment van controle niet aan de voorwaarden voldeed. Maar alle onderdelen waren op dat moment wel aanwezig. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de naheffing over slechts één kwartaal moet plaatsvinden in plaats van over vier kwartalen.
11. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Het bijzonder tarief is een fiscaal begunstigende regeling en mag alleen worden toegepast als aan alle geldende voorwaarden wordt voldaan. In dit geval voldeed de kampeerauto op het moment van controle niet aan die voorwaarden. Belanghebbende had dit moeten doorgeven. Zij is ook op die verantwoordelijkheid gewezen bij de toekenningsbeschikking.
12. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 23a van de Wet MRB is bepaald dat voor een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid en daarbij voldoet aan de geldende voorwaarden en beperkingen met betrekking tot uiterlijk en inrichting, de belasting een kwart van het normale tarief bedraagt. Welke voorwaarden dit dan zijn volgt uit artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (het Uitvoeringsbesluit).
13. Er is sprake van een kampeerauto als aan alle inrichtingseisen wordt voldaan. In artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit is, voor zover van belang, bepaald:
- dat de binnenruimte van de kampeerauto voorzien moet zijn van een vaste tafel, eventueel zodanig bevestigd dat deze eenvoudig verwijderd kan worden;
- dat de kampeerauto voorzien moet zijn van een slaapaccommodatie voor twee of meer personen;
- en een vast keukenblok aanwezig moet zijn met een minimale hoogte van het werkblad van ten minste 60 cm, voorzien van een ingebouwde uitneembare watervoorziening met een spoelbak, een kraan en een afvoer, het geheel bestemd voor gebruik in de binnenruimte.
14. De rechtbank is van oordeel dat de auto van belanghebbende niet aan de hiervoor genoemde inrichtingseisen voldoet. Bij de controle door de Belastingdienst is geconstateerd dat er in de binnenruimte van de auto geen vaste (demontabele) tafel aanwezig is, geen slaapgelegenheid en geen vast keukenblok, voorzien van een ingebouwde watervoorziening. Dat alle onderdelen wel aanwezig waren, maar los stonden, maakt geen verschil. Vereist is nu juist dat de onderdelen vastzitten. Belanghebbende heeft daarom niet voldaan aan de inrichtingseisen als bedoeld in de Wet MRB en het Uitvoeringsbesluit. Belanghebbende had op het moment dat de kampeerauto niet langer voldeed aan de voorwaarden voor het bijzonder tarief, de inspecteur daarvan in kennis moeten stellen. Dat heeft zij nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur dan ook terecht nageheven. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aansluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin wordt geconstateerd dat de kampeerauto niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het bijzonder tarief. [1] De rechtbank kan uit de stukken niet afleiden dat de kampeerauto slechts voor een deel van het tijdvak niet aan de voorwaarden voldeed. De rechtbank acht het geloofwaardig dat de inrichting in september 2023 is los gehaald, maar dat betekent niet automatisch dat de kampeerauto daarvoor wel aan alle fiscale inrichtingseisen voldeed. De verklaring van de buurman dat de inrichting vast stond tot september 2023, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Hij is geen deskundige op het gebied van kampeerauto’s en de daarbij behorende fiscale eisen voor het begunstigende tarief. Ook de foto’s uit het dossier zijn onvoldoende. De foto’s zijn niet voorzien van een datum en ook blijkt er niet uit dat voldaan is aan alle fiscale eisen.
15. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van aantasting in de persoonlijke integriteit en dat belanghebbende integer en te goeder trouw heeft gehandeld in lijn met de strekking van de wet. De rechtbank vat dat op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Hoewel de bevoegdheid om na te heffen als een discretionaire bevoegdheid is geformuleerd (‘kan’), is sprake van een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat de inspecteur geen ruimte heeft om te beoordelen in welke gevallen hij wel en in welke gevallen hij niet overgaat tot het opleggen van een naheffingsaanslag. De rechtbank kan in deze situatie niet toetsen of het evenredig is dat de inspecteur een naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank mag een wet in formele zin, zoals artikel 36 van Pro de Wet MRB, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dat is bepaald in artikel 120 van Pro de Grondwet.
Is de verzuimboete terecht en niet te hoog vastgesteld?
16. Belanghebbende stelt in haar beroepschrift dat zij niet draagkrachtig is om de boete te betalen. Haar schoondochter beheert haar rekening en betaalt alle vaste lasten. De bankpas wordt door de schoondochter bewaard en belanghebbende krijgt wekelijks een bedrag van € 60 als leefgeld. Haar schoondochter heeft voor haar de boete betaald.
17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft niet alle belasting voldaan die op aangifte had moeten worden voldaan. Dat rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een verzuimboete op grond van artikel 37 van Pro de Wet MRB en artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Hierbij hoeft geen sprake te zijn van opzet of grove schuld, aldus de inspecteur. De verzuimboete is met inachtneming van paragraaf 34 onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) opgelegd. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) behoort het opleggen van een verzuimboete achterwege te blijven. Belanghebbende heeft geen beroep gedaan op avas en daarvan is ook geen sprake. Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde financiële omstandigheden voert de inspecteur aan dat het de keuze is van belanghebbende om haar schoondochter haar financiële zaken te laten regelen, maar dat het niets zegt over de vraag of zij draagkrachtig is.
18. De rechtbank moet beoordelen of de opgelegde verzuimboete passend en geboden is. In beginsel is een verzuimboete op haar plaats, omdat belanghebbende voor haar kampeerauto ten onrechte MRB heeft betaald naar het bijzonder tarief en dus te weinig belasting heeft betaald. Dat is een beboetbaar verzuim. [2] Alleen bij avas behoort het opleggen van een verzuimboete achterwege te blijven. Daarvan is geen sprake, omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden alle van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat te weinig belasting zou worden geheven.
19. Met betrekking tot de hoogte van de verzuimboete overweegt de rechtbank als volgt. De verzuimboete bedraagt op grond van §34 van het BBBB maximaal 50% van de te weinig betaalde belasting met een minimum van € 50. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van de fiscale verplichtingen aan te scherpen. Dat neemt niet weg dat de rechtbank in het kader van de individuele straftoemeting gehouden is om alle in aanmerking komende omstandigheden mee te wegen bij de beoordeling van de hoogte van de boete. Belanghebbende doet een beroep op slechte financiële omstandigheden. De boete mag geen onevenredige gevolgen hebben, gelet op de draagkracht van belanghebbende. De rechtbank moet dit beoordelen met inachtneming van de financiële omstandigheden waarin belanghebbende ten tijde van de beroepsprocedure verkeert (‘ex nunc’). De bewijslast van de aanwezigheid van slechte financiële omstandigheden ligt bij belanghebbende.
20. De rechtbank is van oordeel dat een matiging van de verzuimboete tot € 250 passend en geboden is. De rechtbank neemt daarbij mee dat er sprake is van een eenmalige fout. Verder heeft belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen royaal inkomen heeft en de boete verhoudingsgewijs hoog is. Het gaat erom dat de boete een financiële prikkel geeft om te voldoen aan de fiscale verplichtingen en de rechtbank acht die prikkel met een boete van € 250 voldoende aanwezig.
21. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of de verzuimboete gematigd moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn voor berechting van het geschil in eerste aanleg is twee jaar. De boete is aangezegd op 29 januari 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) drie maanden. [3] Omdat de boete na matiging minder dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4]

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de verzuimboete verminderen naar € 250. De naheffingsaanslag blijft in stand.
23. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar niet gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- wijzigt de boetebeschikking waarbij de boete wordt verminderd tot € 250;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Uitgesproken op 27 mei 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 36 in Pro samenhang met artikel 33, lid 2 tot en met 4 van de Wet MRB.
2.Zie artikel 37 van Pro de Wet MRB in verbinding met artikel 67c van de AWR.
3.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
4.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 en