Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4225

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
05/219463-25, 05/106328-25 en 05/344899-25 (gev. ttz) en 05/324294-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 245b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling brandstichting, bedreiging, schennis, belediging en vernieling met oplegging tbs met dwang

De rechtbank Gelderland heeft verdachte op 27 mei 2026 veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder brandstichting via de brievenbus van het slachtoffer terwijl deze sliep, bedreiging, het plegen van schennis, belediging en vernieling van een buxusstruik. De rechtbank achtte de bedreigingen jegens aangever 1 wettig en overtuigend bewezen, evenals de beledigingen en het aanstotelijk gedrag jegens aangever 2, inclusief het vernielen van diens buxusstruik.

Verdachte werd vrijgesproken van diefstal van een drumstel omdat niet kon worden vastgesteld dat hij dit wederrechtelijk had weggenomen. De brandstichting werd bewezen geacht op basis van getuigenverklaringen, forensisch onderzoek en het tijdstip van waarnemingen. De brand veroorzaakte gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de slapende bewoner.

De rechtbank nam de psychische stoornissen van verdachte mee, waaronder een antisociale persoonlijkheidsstoornis en verslavingsstoornissen, en concludeerde dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Gezien het hoge recidiverisico en het ontbreken van motivatie voor behandeling, werd tbs met dwang opgelegd naast een gevangenisstraf van 16 maanden. De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf af.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf en tbs met dwang wegens brandstichting, bedreiging, schennis, belediging en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/219463-25, 05/106328-25 en 05/344899-25 (gev. ttz) en 05/324294-24 (tul)
Datum uitspraak : 27 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] in [locatie] .
raadsvrouw: mr. D. Simo, advocaat in Culemborg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging onder parketnummer 05/219463-25, ten laste gelegd dat:
parketnummer 05/106328-25
1.
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Nijmegen, althans Nederland, [aangever 1] via sociale media en/of WhatsApp heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- "40 uur de kans om jou naar de kanker te slaan als je het lef hebt om te kijken hoe het gaat!", en/of
- "Jij hebt nog nooit een echt pak slaag gehad he",
- "Ik ga proberen jou te fucken",
- "Ik heb al eerder iemand dood gemaakt",
- "Daag mij niet uit! Tis zo gebeurd. Je voelt niks....", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op of omstreeks 6 april 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland, opzettelijk in het openbaar, te weten op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten [adres] , een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, door zijn hand in zijn broek te doen en meermalen, althans eenmaal, zijn penis uit zijn broek te halen en/of deze te tonen aan de aldaar aanwezige personen en/of zich toen en daar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden;
3.
hij op of omstreeks 6 april 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland, opzettelijk [aangever 2] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen:
- “Je bent een kanker buitenlander, je moet opzouten naar je eigen land, je hoort hier geen steun te krijgen, opzouten naar je eigen land jij kankerlijer”, en/of
- “Wat ben jij voor een kanker buitenlander joh, mongool dat je er bent, een beetje steun krijgen van de staat”,
- “dikke vette dikkop, dikke vette plofkop dat je er bent”
- “Vieze vuilen dikke kankermongool dat je er bent, vieze vuile dikkop dat je er ben”,
althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
4.
hij op of omstreeks 6 april 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een buxusstruik en/of een stek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
parketnummer 05/344899-25
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te [woonplaats] , gemeente West Betuwe een drumtoestel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/wie weg te nemen drumtoestel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of
verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te [woonplaats] , gemeente West Betuwe, (van) een drumtoestel, althans een of meer voorwerpen voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
parketnummer 05/219463-25
hij op of omstreeks 22 juli 2025 omstreeks 06:50 uur te [woonplaats] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een ontbrandbare vloeistof, ten gevolge waarvan de brievenbus en/of de voordeur van een woning (gelegen aan [adres] ) geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of één of meer delen van het interieur van deze woning en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in voornoemde woning aanwezige (en slapende) bewoner te duchten was.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

parketnummer 05/106328-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 1 zijn de verstuurde berichten uitingen van frustratie en geen concrete ernstige bedreigingen in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Stafrecht (Sr). Er was geen sprake van “redelijke vrees” bij aangever [aangever 1] . Hij kende verdachte goed en verdachte riep wel vaker dit soort dingen.
Ten aanzien van feit 2 is er geen sprake van opzet bij verdachte. Verdachte had geen opzet op het tonen van zijn geslachtsdeel; verdachte wilde volgens de getuige urineren. Op de foto is niet te zien dat verdachte daadwerkelijk zijn penis toont.
Ten aanzien van feit 4 was het stekje door verdachte zelf geplant en hij was daar eigenaar van. Met betrekking tot een zaak die niet aan een ander toebehoort, kan van vernieling in de zin van artikel 350 Sr Pro geen sprake zijn: het door dat artikel beschermde eigendomsrecht van een ander ontbreekt. Daarnaast heeft verdachte het stekje teruggeplaatst en dus niet vernield.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 21 januari 2025 meerdere berichten heeft gestuurd naar [aangever 1] . De inhoud van de berichten bestaat onder andere uit:“40 uur de kans om jou naar de kanker te slaan als je het lef hebt om te kijken hoe het gaat!”, “Jij hebt nog nooit een echt pak slaag gehad he”, “Ik ga proberen Jou te fucken”, “Ik heb al eerder iemand dood gemaakt” en “Daag mij niet uit! Tis zo gebeurd. Je voelt niks....” [2] .
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of het toezenden van deze berichten ook een strafbare bedreiging oplevert.
In de term ‘bedreiging’ ligt een opzet-eis besloten. Het opzet (voorwaardelijk opzet daaronder begrepen) moet erop gericht zijn dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging én dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd (Hoge Raad 17 januari 1984,
NJ1984/479, herhaald in Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659).
Verdachte heeft in de berichten aan [aangever 1] geschreven dat hij tijdens 40 uren (
de rechtbank begrijpt: taakstraf) de kans heeft om [aangever 1] naar de kanker te slaan, dat [aangever 1] nog nooit een pak slaag heeft gehad, dat verdachte al eerder iemand dood heeft gemaakt en dat [aangever 1] verdachte niet moet uitdagen, dat het zo is gebeurd. Dit zijn berichten waarin gesproken wordt over het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en over het plegen van een misdrijf tegen het leven gericht. Het verweer van de raadsvrouw dat [aangever 1] geen redelijke vrees heeft gehad, nog daargelaten of dit zo is, is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een bedreiging niet van belang. De rechtbank is van oordeel dat het versturen van deze berichten naar objectieve maatstaven op zichzelf, en in onderlinge samenhang bezien, van dien aard zijn dat bij [aangever 1] op grond hiervan de redelijke vrees kón ontstaan voor enig misdrijf tegen het leven gericht of voor zware mishandeling. Dit betekent dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging.
Feiten 2, 3 en 4
[aangever 2] verklaarde dat hij op 6 april 2025 in de tuin van zijn woning aan [adres] in [woonplaats] zat, toen de bewoner van huisnummer [nummer] (
de rechtbank begrijpt: verdachte) naar hem toe kwam gelopen. Verdachte begon [aangever 2] uit te schelden en verdachte maakte discriminerende opmerkingen. Volgens verdachte is [aangever 2] een kanker buitenlander, een steuntrekker en moest [aangever 2] oprotten naar zijn eigen land. [aangever 2] vond dit heel erg. [aangever 2] was aan het filmen op het moment dat verdachte deze woorden tegen hem zei. Verdachte zei tegen [aangever 2] dat hij maar moest filmen als hij de plant uit de tuin zou trekken. Verdachte deed dit vervolgens ook. Hierdoor is de buxusstruik vernield. Nadat de struik was vernield, trok verdachte zijn broek naar beneden en toonde verdachte aan [aangever 2] zijn geslachtsdeel. [3] [aangever 2] deed op 7 april 2025 mondeling klacht bij de hulpofficier van justitie ter zake van de beledigende en discriminerende opmerkingen. [4]
Getuige [getuige 1] zat op 6 april 2025 bij [aangever 2] in de tuin toen de buurman van nummer [nummer] (
de rechtbank begrijpt: verdachte) naar de tuin liep waar getuige [getuige 1] samen met [aangever 2] zat. [getuige 1] hoorde dat verdachte tegen [aangever 2] zei “kanker buitenlander” en “je trekt alleen maar steun, ga eens werken”. Ook zei verdachte “Ben je aan het filmen? En moet ik anders de planten uit de tuin trekken?”. [getuige 1] zag dat verdachte een buxusstruik uit de tuin trok en op de grond gooide. Daarop zag [getuige 1] dat verdachte zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde en zei: “moet ik hier ook de boel nog even onder pissen?”. [getuige 1] sprak later met een buurvrouw van huisnummer [nummer] . Zij en haar bezoek hadden ook gezien dat verdachte zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. [5]
De politie heeft de camerabeelden van [aangever 2] bekeken en uitgewerkt. De verbalisant hoort verdachte op minuut 00:21 zeggen “je bent een kanker buitenlander, je moet opzouten naar je eigen land, je hoort hier geen steun te krijgen, opzouten naar je eigen land jij kankerlijer.” Op minuut 01:35 hoort verbalisant verdachte zeggen: “wat ben jij voor een kanker buitenlander joh, mongool dat je er bent, een beetje steun krijgen van de staat.” Op minuut 02:01 hoort hij verdachte zeggen: “je weet helemaal niet wie ik ben, dikke vette dikkop, dikke vette plofkop dat je er bent, je weet helemaal niet wie ik ben, je moet respect hebben voor mij.” Op minuut 02:33 hoort verbalisant verdachte zeggen “moet ik hier de plantjes uit de tuin trekken?”. Verbalisant ziet vervolgens verdachte één stek vastpakken en uit de grond trekken en deze stek in de tuin gooien. Op minuut 02:57 hoort verbalisant verdachte zeggen “vieze vuile dikke kankermongool dat je er bent, vieze vuile dikkop dat je er ben”. Op minuut 03:05 ziet verbalisant dat verdachte zijn rechterhand in zijn broek doet en zijn penis uit zijn broek haalt en deze aan de aanwezige personen toont. Verbalisant ziet dat verdachte dit twee keer doet. Hij hoort verdachte ondertussen zeggen: "over je tuin heen pissen, vuile mongool dat je er bent, idioot”. [6]
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de buxusstruik die hij uit de grond heeft getrokken van de woningbouwvereniging is.
De rechtbank stelt op basis van de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige 1] en het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden vast dat verdachte op 6 april 2025 tegen [aangever 2] heeft gezegd “Je bent een kanker buitenlander, je moet opzouten naar je eigen land, je hoort hier geen steun te krijgen, opzouten naar je eigen land jij kankerlijer” en “Wat ben jij voor een kanker buitenlander joh, mongool dat je er bent, een beetje steun krijgen van de staat” en “dikke vette dikkop, dikke vette plofkop dat je er bent” en “Vieze vuile dikke kankermongool dat je er bent, vieze vuile dikkop dat je er ben”. Dit levert een strafbare belediging door verdachte van [aangever 2] op. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte zijn geslachtsdeel twee keer heeft getoond aan zowel [aangever 2] als de aanwezige [getuige 1] , terwijl hij op [adres] stond. Verdachte heeft daarmee opzettelijk in het openbaar handelingen verricht die naar haar aard aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid. Dat hij zelf mogelijk (ook) de bedoeling had om te urineren, maakt niet dat hij daarmee geen opzet had op het tonen van zijn geslachtsdeel. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verdachte een buxusstruik uit de grond heeft getrokken en deze vervolgens in de tuin heeft gegooid. Op het moment dat verdachte de buxusstruik uit de grond trok, is er sprake van vernieling. Dat verdachte de schade later heeft hersteld, maakt dit niet ongedaan. Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte de eigenaar van de buxusstruik was, wordt door de verklaring van verdachte ter terechtzitting weerlegd. Het standpunt van de verdediging mist dan ook feitelijke grondslag. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk een buxusstruik, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield.
Tussenconclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feiten 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.
parketnummer 05/344899-25 [7]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primaire tenlastegelegde en gesteld dat het subsidiaire tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het drumstel van aangever niet over een uniek eigendomskenmerk beschikte. De bij verdachte aangetroffen drumstelonderdelen zijn niet van aangever. Verdachte heeft deze gekocht van [naam] en heeft de persoonsgegevens van deze persoon aan de politie verstrekt. Deze plausibele en onweerlegbare herkomstverklaring en het gegeven dat de schuur waar het drumstel uit is gestolen algemeen toegankelijk was, maken dat de diefstal niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen concrete omstandigheden in het dossier zijn vastgesteld over de prijs, plaats van overdracht, het tijdstip en/of het gedrag van [naam] , waardoor verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de drumstelonderdelen van diefstal afkomstig kwamen. Het enkele aantreffen van drumstelonderdelen bij hem thuis is daarvoor onvoldoende.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is - gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het drumstel van aangever [aangever 3] heeft weggenomen. De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde, te weten: diefstal door middel van braak.
Niet ter discussie staat dat er verschillende onderdelen van een of meerdere drumstellen in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen (pagina 7) blijkt dat [aangever 3] de bij verdachte inbeslaggenomen onderdelen herkent als van zijn drumstel. Verder verklaart [aangever 3] dat hij de onderdelen van het drumstel heeft teruggekregen van de politie en dat hij verder niets mist (pagina 7 en 16). De rechtbank stelt op basis van die verklaringen vast dat het drumstel (of althans onderdelen daarvan) van [aangever 3] in de woning bij verdachte is (zijn) aangetroffen. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat de bij hem aangetroffen voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Verdachte heeft verklaard dat hij het drumstel van [naam] heeft gekocht voor € 500,00 en dat [naam] daarnaast kost en inwoning van hem kreeg. In het dossier wordt een (niet nader onderbouwde) waarde van het drumstel genoemd van € 1.800,00. Deze omstandigheden maken op zichzelf niet, als deze juist zijn, dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het drumstel onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit een misdrijf.
De verklaring van verdachte is concreet en ook verifieerbaar, aangezien hij de persoonsgegevens van [naam] aan de politie heeft verstrekt. Voor een bewezenverklaring van (schuld)witwassen had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om de verklaring van verdachte te (laten) onderzoeken. Dit is echter niet gebeurd. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen. De rechtbank zal verdachte daarom (ook) vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde.
parketnummer 05/219463-25 [8]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet vaststaat hoe de brand is ontstaan en wie deze brand heeft gesticht. Aangever [aangever 2] heeft niet gezien wie de brand heeft gesticht, maar vermoedt enkel dat verdachte de brandstichter is. Dit vermoeden is gebaseerd op de verklaring van getuige [getuige 1] . De verklaringen van zowel [aangever 2] als [getuige 1] zijn onbetrouwbaar en daarom niet bruikbaar voor het bewijs. [aangever 2] heeft inconsistent verklaard over het tijdstip waarop hij wakker werd van de brand en over het tijdstip waarop hij de brandweer belde. Daarnaast is het gedragspatroon van [aangever 2] moeilijk te rijmen met de noodsituatie die hij beschrijft. [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte heeft gezien, maar dit is niet mogelijk vanaf de positie waar hij zich bevond. Hij heeft daarover verschillende verklaringen afgelegd en deze verklaringen meermaals bijgesteld. Daar komt bij dat [getuige 1] en [aangever 2] niet onafhankelijk van elkaar zijn en dat zij een belang hadden bij het vertrek van verdachte uit zijn woning. Getuige [getuige 2] heeft geen directe waarneming van de brand of brandstichting gedaan. De gestelde dreiging/uitlating van verdachte tegen [getuige 2] is dus geen bewijs voor de brandstichting. Daarnaast was er bij deze getuige sprake van een zakelijk belang bij het vertrek van verdachte uit de woning.
Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van gevaarzetting. Een langzame brand met lage vlamopbrengst, beperkt tot de brievenbus en maximaal uitbreidend tot het direct aangrenzende gordijn, en reeds gedoofd bij aankomst van de brandweer, levert niet het gevaarelement op dat artikel 157 Sr Pro vereist.
Beoordeling door de rechtbank
[aangever 2] werd op 22 juli 2025 omstreeks 06:50 uur wakker van het brandalarm in zijn woning aan [adres] in [woonplaats] . Hij zag dat zijn voordeur in brand stond. [aangever 2] zag niet wie de brand had gesticht, maar verklaarde dat hij al drie maanden werd getreiterd door verdachte. In de nacht van 21 juli 2025 op 22 juli 2025 besmeurde verdachte de stoel en ruiten van [aangever 2] . [9] In een later verhoor verklaarde [aangever 2] dat de brand op dezelfde verdieping was als waar hij sliep. Hij zag dat de deur rondom de brievenbus in brand stond en hij zag dat een deel van het laminaat direct onder de brievenbus ook in brand stond. Hij zag dat er dikke zwarte rook ontstond bij het vuur. Hij rende via de achterdeur naar buiten en belde daar 112. Daar sprak [aangever 2] met [getuige 1] . [10]
Verbalisanten kregen op 22 juli 2025 omstreeks 07:00 uur melding van een woningbrand aan [adres] in [woonplaats] . Ter plaatse zagen zij niets meer branden, maar zij hoorden wel dat er een brandalarm afging. Verbalisanten spraken met de bewoner van [adres] en hoorden hem verklaren dat hij wakker was geworden van het brandalarm, dat hij naar de buurman van [adres] was gerend en dat hij daaropvolgend 112 had gebeld. Daarnaast sprak verbalisant met de bewoner van huisnummer [nummer] , de heer [getuige 1] (
de rechtbank begrijpt: [getuige 1] ). [getuige 1] verklaarde dat hij op 22 juli 2025 tussen 06:15 en 07:00 uur verdachte bij de voordeur van zijn buurman op nummer [nummer] had gezien. Verdachte had wat in zijn handen, maar [getuige 1] kon niet zien wat. Kort nadat verdachte bij de voordeur stond, kwam de buurman van nummer [nummer] naar [getuige 1] toe rennen om te vertellen dat zijn woning in brand stond. Verbalisant zag dat de binnenkant van de voordeur van huisnummer [nummer] zwart geblakerd was. Daarnaast zag hij een verbrand voorwerp voor de deur liggen. De spinnenwebben boven op het plafond waren zwart geblakerd en er lag een blauwkleurige vloeistof op de grond aan de binnenzijde van de woning ter hoogte van de voordeur. Verbalisant rook een sterke chemische lucht en een brandlucht. Verbalisanten hielden vervolgens verdachte aan. [11]
Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij tussen 06:15 en 07:00 uur verdachte bij de voordeur van zijn buurman op nummer [nummer] zag. Hij zag niet wat verdachte daar deed. Niet veel later kwam de buurman van nummer [nummer] naar [getuige 1] gerend. De buurman riep dat zijn huis in brand stond. [getuige 1] zag dat de voordeur van de woning van nummer [nummer] daadwerkelijk in brand stond. [12] Later die dag verklaarde [getuige 1] dat hij vanuit het raam van zijn woning verdachte vanuit diens woning richting de woning van de buurman op nummer [nummer] had zien lopen. Kort daarop zag [getuige 1] verdachte weer weglopen in de richting van zijn eigen woning op nummer [nummer] . Het moment dat de buurman van nummer [nummer] naar [getuige 1] toe kwam en zei dat zijn huis in brand stond en dat hij verdachte bij de voordeur zag, scheelde niet veel qua tijd. [getuige 1] heeft niemand anders bij de deur gezien van de buurman in dat tijdsbestek. [13] Op 8 augustus 2025 heeft [getuige 1] tegen een verbalisant verteld dat tussen het moment dat hij verdachte zag weglopen bij de voordeur van zijn buurman en het moment dat hij zijn buurman hoorde roepen dat er brand in zijn woning was, een paar minuten zat. [14] Bij het verhoor door de rechter-commissaris verklaarde [getuige 1] dat hij verdachte niet bij de deur van [aangever 2] heeft gezien, maar op het pad in de richting van de voordeur. [getuige 1] had namelijk verder geen zicht. Hij heeft verdachte ook weg zien lopen van de woning. Daarna kwamen de politie en de brandweer. [15]
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever 2] en [getuige 1] te twijfelen. Beide getuigen hebben op verschillende momenten bij de politie en de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat zij de eerste keer meteen na het incident zijn verhoord, vervolgens een aantal uren later en vervolgens enkele maanden daarop weer. Zij hebben in grote lijnen consequent over de gebeurtenissen verklaard. Dat [aangever 2] bij de rechter-commissaris een eerder tijdstip noemt waarop hij wakker werd van het brandalarm dan hij in de verklaringen daarvoor heeft genoemd (6:27 uur in plaats van 6:50 uur), maakt niet dat zijn verklaring in zijn geheel niet betrouwbaar is. Het betreft geen groot verschil en er is dan al een aantal maanden verstreken sinds het incident plaatsvond. Bovendien plaatst hij zelf al de kanttekening “als ik het mij goed herinner” en “het was rond dat tijdstip”. De verklaring van [aangever 2] wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten die de melding van de brand kregen. Zij verklaren dat zij rond 07:00 uur melding kregen, wat overeenkomt met het ontdekken van de brand door [aangever 2] om 06:50 uur. [getuige 1] heeft in eerste instantie verklaard dat hij verdachte bij de voordeur van de woning heeft gezien. Dat later is gebleken dat hij dat niet heeft kunnen waarnemen, doet niets af aan het feit dat hij verdachte vanuit zijn woning wel op het pad richting de woning van [aangever 2] heeft kunnen zien lopen, zowel heen als terug. Later heeft [getuige 1] verklaard dat hij verdachte inderdaad alleen op het pad richting de woning van [aangever 2] heeft zien lopen, en terug. De verklaring van [getuige 1] wordt bovendien ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant waarin verbalisant in de woning van [getuige 1] heeft onderzocht wat het zicht vanuit de woning was. Verbalisant schreef daarover het volgende. De voordeur van de woning op [adres] in [woonplaats] is niet vanuit de woning van [getuige 1] te zien. [getuige 1] kan vanaf de stoel zicht hebben op personen die over de stoep lopen en vervolgens het erf van het perceel aan [adres] in [woonplaats] op lopen. [getuige 1] kan vanaf die positie ook het gezicht van personen zien die naar nummer [nummer] lopen. Als [getuige 1] voor het raam zou staan, dan kan hij duidelijk zien dat er een persoon over het pad op het perceel van nummer [nummer] loopt. Deze bevindingen komen overeen met de verklaringen van [getuige 1] .
De rechtbank acht de verklaringen van [aangever 2] en [getuige 1] daarnaast authentiek, omdat beide getuigen ook verklaren over wat zij níet hebben gezien. Zo verklaart [aangever 2] dat hij niet heeft gezien wie de brand heeft aangestoken en [getuige 1] verklaart dat hij verdachte wel heeft gezien, maar dat hij niet kon zien wat verdachte in zijn handen had. Kortom, de rechtbank acht de verklaringen van [aangever 2] en [getuige 1] dan ook betrouwbaar en daarmee bruikbaar als bewijsmiddel.
De woning aan [adres] in [woonplaats] is door een forensisch rechercheur onderzocht. Hij sluit een technische oorzaak voor de brand uit. De brand is een langzaam ontwikkelende brand geweest met een relatief lage vlamopbrengst, maar met een hoge rookontwikkeling die past bij de verbranding van kunststoffen, in dit geval de kunststof delen van de brievenbus. Er is gebruik gemaakt van een ontbrandbare vloeistof die in mindere mate vluchtig is. Gezien de positionering van de plas ontbrandbare vloeistof op de vloer van de gang moet deze door de brievenbus naar binnen zijn gespoten, mogelijk door middel van het inknijpen van een kunststoffles die is voorzien van een doseerdop. Doordat deze vloeistof onder druk via de brievenbus verder in de gang werd gespoten, ontstond er een afstand tussen de latere ontstekingsbron (brandende brievenbus) en de plas ontbrandbare vloeistof. Vanwege deze afstand en de fysisch-chemische eigenschappen van de vloeistof, die onvoldoende dampvorming of ontvlambare mengsels veroorzaakten onder de gegeven omstandigheden, is de plas vloeistof niet tot ontbranding gekomen. [16]
De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat er op 22 juli 2025 in de woning aan [adres] in [woonplaats] brand is ontstaan door een ontbrandbare vloeistof in aanraking te brengen met vuur.
Steunbewijs
Getuige [getuige 2] verklaarde dat hij op 21 juli 2025 samen met een collega een gesprek voerde met verdachte in verband met een melding dat verdachte een drumstel zou hebben weggenomen. In dat gesprek bedreigde verdachte de buurman van huisnummer [nummer] , te weten: [aangever 2] (
de rechtbank begrijpt:aangever [aangever 2] ). Verdachte zei “ik maak die kankerlijer kapot, die kankerlijer gaat eraan. Hij is de mijne. Hij gaat mij voor het gerecht slepen, als hij dit niet aantrekt, maak ik hem kapot. Ik zet zijn huis onder water” en “als ik het huis niet onder water zet, doe ik iets anders. Hij gaat eraan, hij gaat kapot”. [17]
Verbalisanten verklaren zij dat als ze ter plaatse komen zij verdachte voor zijn woning zien zitten op een stoeltje. [18]
De rechtbank stelt vast dat [getuige 1] verdachte over het pad naar de voordeur van de woning van aangever heeft zien lopen kort voor de brand, dat hij hem kort daarop weer zag teruglopen, dat aangever een paar minuten later zei dat zijn woning in de brand stond en dat hij in de tussentijd geen andere personen heeft gezien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de brand bij de woning van [aangever 2] heeft gesticht.
Het verweer van de verdediging dat mogelijk sprake zou zijn van een alternatief scenario, te weten: het in scène zetten van de brand door [aangever 2] zelf omdat sprake was van een vooropgezet plan om verdachte uit zijn huis te krijgen, is op geen enkele manier aannemelijk geworden.
Gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De forensisch rechercheur acht het te duchten gevaar voor goederen ten gevolge van de brandstichting zichtbaar aanwezig. Door brand te stichten bij de brievenbus ontstond er schade aan de deur en roetschade aan de wanden. Als de brand niet tijdig was opgemerkt, had deze schade zich kunnen uitbreiden naar onder andere het gordijn van de deur. Het te duchten gevaar voor personen acht de forensisch rechercheur in ernstige mate aanwezig. De dader had de vloeistof ver in de gang gespoten die nog niet tot ontbranding was gekomen, maar de vloeistof lag op korte afstand van het brandende deel van de brievenbus op de vloer. Als de bewoner richting de brandhaard was gelopen om bijvoorbeeld te blussen, bestond een reëel risico dat door beweging en verplaatsing de vloeistof het vuur zou bereiken en alsnog zou ontbranden, waarbij de bewoner zich dan in de brandbare vloeistof zou bevinden. [19]
De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat er zowel gevaar voor goederen als levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ( [aangever 2] ) te duchten was.
De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, te weten: het opzettelijk brandstichten op 22 juli 2025 omstreeks 06:50 uur, waarbij gemeen gevaar voor goederen (woning en interieur), levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ( [aangever 2] ) te duchten was.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/106328-25 feiten 1, 2, 3 en 4 en het onder parketnummer 05/219463-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05/106328-25
1.
hij op
of omstreeks21 januari 2025 te Nijmegen,
althans Nederland,[aangever 1] via
sociale media en/ofWhatsApp heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en
/ofmet zware mishandeling, door die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- "40 uur de kans om jou naar de kanker te slaan als je het lef hebt om te kijken hoe het gaat!", en
/of- "Jij hebt nog nooit een echt pak slaag gehad he",
- "Ik ga proberen jou te fucken",- "Ik heb al eerder iemand dood gemaakt",
- "Daag mij niet uit! Tis zo gebeurd. Je voelt niks...."
, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op
of omstreeks6 april 2025 te [woonplaats] ,
althans in Nederland,opzettelijk in het openbaar, te weten op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten [adres] ,
een ofmeer
derehandelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, door zijn hand in zijn broek te doen en meermalen
, althans eenmaal,zijn penis uit zijn broek te halen en
/ofdeze te tonen aan de aldaar aanwezige personen en
/ofzich toen en daar met ontbloot geslachtsdeel te bevinden;
3.
hij op
of omstreeks6 april 2025 te [woonplaats] ,
althans in Nederland,opzettelijk [aangever 2] , in zijn
/haar/huntegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem
/haar/hunde woorden toe te voegen:
- “Je bent een kanker buitenlander, je moet opzouten naar je eigen land, je hoort hier geen steun te krijgen, opzouten naar je eigen land jij kankerlijer”, en
/of- “Wat ben jij voor een kanker buitenlander joh, mongool dat je er bent, een beetje steun krijgen van de staat”,
- “dikke vette dikkop, dikke vette plofkop dat je er bent”
- “Vieze vuilen dikke kankermongool dat je er bent, vieze vuile dikkop dat je er ben”
,althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
4.
hij op
of omstreeks6 april 2025 te [woonplaats] ,
althans in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk een buxusstruik
en/of een stek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [aangever 2] , in elk gevalaan een ander toebehoorde
(n)heeft vernield
, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
parketnummer 05/219463-25
hij op
of omstreeks22 juli 2025 omstreeks 06:50 uur te [woonplaats] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een ontbrandbare vloeistof, ten gevolge waarvan de brievenbus en
/ofde voordeur van een woning (gelegen aan [adres] nr
.[nummer] )
geheel ofgedeeltelijk
iszijnverbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en
/of één ofmeer
deredelen van het interieur van deze woning en
/oflevensgevaar en
/ofgevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in voornoemde woning aanwezige
(en slapende
)bewoner te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
parketnummer 05/106328-25
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
bedreiging met zware mishandeling;
feit 2:
het opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;
feit 3:
eenvoudige belediging;
feit 4:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
parketnummer 05/219463-25
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: terbeschikkingstelling met dwang) wordt opgelegd. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat wanneer deze maatregel gemaximeerd wordt opgelegd of als de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd, er dan ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) in de zin van artikel 38z Sr aan verdachte wordt opgelegd. De officier van justitie is bij haar strafeis ervan uitgegaan dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit, al dan niet met een deel voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsvrouw oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden, zonder oplegging van een GVM bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank niet gebonden is aan het advies tot oplegging van terbeschikkingstelling met dwang. Daarnaast heeft verdachte nooit een langdurige forensisch klinisch behandeltraject gevolgd. Het is te prematuur om meteen de zwaarste maatregel op te leggen. Verdachte is daarnaast bereid om mee te werken aan behandeling. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat terbeschikkingstelling met dwang pas gerechtvaardigd is als een lichter kader aantoonbaar ontoereikend is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Terwijl het slachtoffer lag te slapen heeft verdachte brand gesticht via de brievenbus van de woning van het slachtoffer. Door het afgaan van het brandalarm, is het slachtoffer wakker geworden en heeft hij de hulpdiensten kunnen waarschuwen. Dat de brand geen grotere gevolgen heeft gehad, komt dus niet door het handelen van verdachte. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Een woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet voelen. Uit het dossier blijkt daarnaast hoe verdachte in de maanden voorafgaand aan de brandstichting meermalen onrust heeft veroorzaakt bij het slachtoffer en zijn andere buurtbewoners. Zo pleegde verdachte in het openbaar schennis, trok hij een buxusstruik uit de tuin en beledigde hij het slachtoffer van de brandstichting. Ter zitting liet verdachte in negatieve zin duidelijk merken hoe hij over meerdere buurtbewoners dacht. Daarnaast heeft verdachte een medewerker van de reclassering bedreigd die hem in het kader van een voorwaardelijke straf begeleidde. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij zich zo heeft geuit tegen iemand die zijn werk juist in het belang van verdachte verricht.
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Zo liep verdachte in een proeftijd voor bedreiging en belediging en is hij in 2021 ook voor bedreiging en beledigingen veroordeeld, hetgeen de rechtbank in strafverzwarende zin meeweegt.
De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportages van de deskundigen, die van de psychiater van 19 maart 2026 en die van de GZ-psycholoog van 21 april 2026. Volgens beide deskundigen is verdachte lijdende aan psychische stoornissen in de zin van een anti- sociale persoonlijkheidsstoornis met ook narcistische en borderline kenmerken, van een stoornis in het gebruik van alcohol (in gedwongen remissie), van een stoornis in het gebruik van cannabis (in gedwongen remissie) en van een post- traumatische stress-stoornis (deels in remissie). Dit was ook ten tijde van het tenlastegelegde. De stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragen van verdachte ten tijde van het delict. Beide deskundigen adviseren het tenlastegelegde niet volledig aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast is er sprake van een hoog recidiverisico. Gelet op de aard en ernst van de problematiek en het verloop van de tot nu toe ingezette interventies is het volgens de deskundigen nodig dat verdachte in eerste instantie klinisch wordt behandeld. Volgens de psycholoog dient deze behandeling plaats te vinden in een forensisch-psychiatrische verslavingskliniek met een voldoende stevige structuur.
Op termijn zou volgens de deskundigen kunnen worden toegewerkt naar een resocialisatietraject, in de vorm van begeleid wonen of zelfstandig wonen en zou de behandeling ambulant kunnen worden voortgezet.
Verdachte heeft volgens de psycholoog een beperkt zelf-reflecterend vermogen en is niet intrinsiek voor een behandeling gemotiveerd. De geadviseerde behandeling is slechts haalbaar wanneer deze plaatsvindt binnen een gedwongen en stevig kader. De psycholoog adviseert oplegging van terbeschikkingstelling. Binnen dit dwingende kader kan verdachte een intensieve en langdurige behandeling worden geboden, waarbij aandacht kan worden besteed aan de bestaande psychische stoornissen en de recidiverisico’s die daaruit voort kunnen komen. Een significant voordeel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is dat de wachtlijst voor opname aanzienlijk korter is dan bij terbeschikkingstelling met dwang. Ofschoon verdachte, bij gebrek aan ziekte-inzicht, niet intrinsiek voor behandeling is gemotiveerd, zou de dreiging van een omzetting in de terbeschikkingstelling met dwang voor hem wel een krachtige éxtrinsieke motivatie kunnen zijn zich aan de betreffende behandelafspraken en voorwaarden te houden. Mocht verdachte zich toch onvoldoende bereid tonen zich duurzaam aan voorwaarden te houden, dan resteert behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met dwang, aldus nog steeds de psycholoog.
De psychiater adviseert als volgt. Een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt niet geschikt geacht omdat verdachte behandeling zou ontberen. Gezien de problemen met eerder toezicht is het risico hierop aanzienlijk. Terbeschikkingstelling met voorwaarden is mogelijk haalbaar indien verdachte afspraken zou kunnen maken over de voorwaarden. Als blijkt dat met verdachte geen vastomlijnde afspraken gemaakt kunnen worden over de voorwaarden, dan rest niet anders dan terbeschikkingstelling met dwang op te leggen.
Uit het reclasseringsadvies van Verslavings Reclassering GGZ van 1 mei 2026 blijkt dat verdachte sinds januari 2025 onder toezicht stond van de verslavingsreclassering van Iriszorg, maar vanwege de bedreiging is het toezicht in april 2025 overgedragen naar de reclassering van Novadic-Kentron. De voorwaarden, waaronder ambulante behandeling, bleken niet afdoende te zijn om te werken aan gedragsverandering of recidivevermindering. De problematiek werd door zowel de GGD als de verslavingszorg te complex beoordeeld om ambulant te behandelen. Vanwege zijn grensoverschrijdende- en overlastgevende gedrag wordt verdachte al enige tijd besproken in het [kliniek] . De reclassering ziet in verdachte een man die wel hulp wil accepteren, maar zich tegelijkertijd niet kan conformeren aan afspraken en een grote hang naar autonomie heeft. Wanneer zaken anders lopen dan hij wil of verwacht, leidt dit steevast tot grensoverschrijdend- en agressief gedrag. Zowel binnen als buiten detentie komt verdachte in conflict met anderen en (onder invloed van alcohol) ook tot delictgedrag. Het ziektebesef en -inzicht is nauwelijks aanwezig en verdachte ontkent dat er sprake is van een alcoholverslaving. Afhankelijk van zijn stemming, toont verdachte zich meewerkend. Hoewel verdachte bij de reclassering zegt dat hij wel mee wil werken, onder andere aan klinische opname, voorziet de reclassering een groot afbreukrisico op de voorwaarden, deels of voornamelijk vanuit onmacht. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in op hoog. De reclassering adviseert negatief over oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Bij een veroordeling tot terbeschikkingstelling of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapportages over. De rechtbank concludeert eveneens dat de feiten in verminderd mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Het (kaal) afstraffen van verdachte is geen optie gelet op het recidiverisico en de vastgestelde stoornissen. Behandeling ter voorkoming van recidive is noodzakelijk. Een behandeling in een voorwaardelijk kader (een voorwaardelijke gevangenisstraf of een terbeschikkingstelling met voorwaarden) acht de rechtbank geen optie vanwege gebrek aan inzicht en motivatie bij verdachte; de vereiste medewerking ontbreekt en de reclassering ziet hiertoe ook geen mogelijkheden. Dit betekent dat behandeling naar het oordeel van de rechtbank enkel kan worden bereikt met de maatregel van terbeschikkingstelling met dwang. Dit is een verstrekkende en ingrijpende maatregel, maar noodzakelijk gezien de ernst van met name de onder parketnummer 05/219463-25 en parketnummer 05/106328-25 feit 1 bewezen verklaarde feiten, de ernst van de stoornissen en de omstandigheid dat verdachte ook eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Met een minder ingrijpend middel kan daarom niet worden volstaan.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
De rechtbank stelt verder vast dat de bewezen verklaarde feiten (parketnummer 05/106328-25 feit 1en onder parketnummer 05/219463-25) misdrijven opleveren als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 05/219463-25, is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e Sr is de terbeschikkingstelling dan ook niet in duur gemaximeerd.
De rechtbank is van oordeel dat naast deze maatregel de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het feit dat aan hem ook de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwang wordt opgelegd, komt de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de oplegging van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, acht de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel niet noodzakelijk.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/324294-24)

De politierechter heeft verdachte op 2 januari 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren.
De officier van justitie vordert afwijzing van tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen nu de grondslag ontbreekt. De vordering is gebaseerd op het plegen van een nieuw strafbaar feit, te weten het feit onder parketnummer 05/344899-25. Bij vrijspraak van dit feit, ontbreekt de grondslag. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de reeds ondergane voorlopige hechtenis afwijzing van de vordering rechtvaardigen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verlenging van de proeftijd bepleit.
De vordering tot tenuitvoerlegging is zowel onder parketnummer 05/344899-25 als onder parketnummer 05/106328-25 aangebracht, waardoor (vanwege de bewezenverklaring van de feiten onder parketnummer 05-106328-25) de rechtbank bevoegd is om over de vordering te oordelen. De rechtbank acht het in verband met de opgelegde straf en maatregel niet opportuun om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging daarom moet worden afgewezen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57, 157, 245b, 266, 285, en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/344899-25 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
zestien (16) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast dat verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
 wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van
2 januari 2025voorwaardelijk opgelegde
taakstraf van 40 urenaf (
parketnummer 05/324294-24).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Schoo (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. C.J.M. Vijftigschild, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 mei 2026.
Mr. C.J.M. Vijftigschild is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025157202, gesloten op 15 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , p. 6-8; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2026.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 24.
4.Proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, p. 27.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 32.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 37.
7.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025366152, gesloten op 20 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
8.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025348213, gesloten op 3 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
9.Het proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 17.
10.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever 2] , p. 28.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 14.
12.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 33.
13.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 35.
14.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 49.
15.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door de rechter-commissaris van 17 november 2025, blad 3 en 4.
16.Het proces-verbaal forensisch brandonderzoek woning, p. 76-78.
17.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 56.
18.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 14.
19.Het proces-verbaal forensisch brandonderzoek woning, p. 78.