Verzoekster had een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe om haar opvang te bieden op een locatie in haar woonplaats. Zij maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen een feitelijke handeling van overplaatsing naar die opvanglocatie. Het verzoek om voorlopige voorziening werd ingetrokken nadat het college haar op 15 april 2026 een alternatieve opvanglocatie met een tweepersoonskamer aanbood.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college hiermee geheel tegemoet was gekomen aan het verzoek, waardoor het verzoek om proceskostenveroordeling kon worden toegewezen. Het college had niet gereageerd op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster de kosten redelijkerwijs had moeten maken en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken.
De vergoeding voor de proceskosten werd vastgesteld op € 2.335, gebaseerd op de punten toegekend voor het indienen van het verzoekschrift, de zitting en het onderzoek ter plaatse. Daarnaast werd het griffierecht van € 200 aan verzoekster vergoed. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.