Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4311

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_1701 en AWB-26_2266
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:86 AwbArt. 10 Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024Art. 20 Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing urgentieverklaring voor woonnoodsituatie ondanks twijfel over zelfstandigheid

Eiseres had na beëindiging van een zorgovereenkomst geen vaste woonruimte meer en leidde vanaf januari 2026 een zwervend bestaan. Zij vroeg een urgentieverklaring aan, die door het college Arnhem werd afgewezen omdat zij volgens een adviseur niet zelfstandig zou kunnen wonen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het criterium van zelfstandigheid niet als weigeringsgrond in de Huisvestingsverordening of het Reglement is opgenomen. De woonnoodsituatie van eiseres is duidelijk en een woning is een passende oplossing.

Het college kon de afwijzing niet op goede gronden baseren, waardoor het besluit wordt vernietigd en de aanvraag wordt toegewezen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring wordt toegewezen en het besluit van het college Arnhem wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/1701 en ARN 26/2266

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K.T. Ghaffari),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: M.M.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verklaring van woonurgentie. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag onterecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. De voorzieningenrechter neemt zelf een beslissing en bepaalt dat de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring wordt toegewezen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiseres had woonruimte als onderdeel van een zorgovereenkomst. Na beëindiging van deze overeenkomst is zij bij haar moeder in een seniorenwoning gaan wonen. Zij heeft een aanvraag gedaan voor een verklaring van woonurgentie. Nadat de verhuurder van deze woning heeft aangegeven dat eiseres daar niet mag verblijven, leidt zij vanaf 12 januari 2026 een zwervend bestaan en verblijft zij afwisselend bij verschillende kennissen.
2.1.
De urgentiecommissie heeft deze aanvraag met het besluit van 25 november 2025 afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.2.
Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college de afwijzing gehandhaafd, met een aangepaste motivering. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van eiseres of het college het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.
Het beoordelingskader
3.1.
Het college heeft in de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 (Verordening) en het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) bepaald wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een verklaring van woonurgentie.
3.2.
In het vierde lid van artikel 10 van Pro Verordening is bepaald:
Het college van burgemeester en wethouders kan een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen;
b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost; en
c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
3.2.
In artikel 20 van Pro het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) is bepaald:
Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:
- het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie,
- de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen, en
- de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.
In artikel 20, onder a, van het Reglement is bepaald wanneer er sprake is van eigen verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de woonnoodsituatie, die in de weg staat aan verlening van urgentie.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Er is sprake van een woonnoodsituatie, maar eiseres kan volgens het college niet zelfstandig wonen. Een eigen woning is dan ook geen oplossing voor haar woonnoodsituatie. Het college verwijst naar de adviseur van bureau Leijten &Van Hoek. Volgens de adviseur heeft eiseres hulp nodig van een instelling en zijn er sterke twijfels aan haar zelfredzaamheid, vanwege slechte zelfzorg. Eiseres heeft nooit zelfstandig gewoond en er is geen objectieve informatie van dat zij dit wel zou kunnen. Eiseres is gediagnosticeerd met epilepsie en een autisme spectrum stoornis. Het college heeft dit besluit genomen op basis van artikel 10, vierde lid, van de Verordening en artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement.
Is er sprake van eigen verantwoordelijkheid voor het woonnoodprobleem?
5. Eiseres acht het, gelet op de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 20, onder a van het Reglement, onduidelijk of haar eigen verantwoordelijkheid wordt tegen geworpen. Uit de motivering van het bestreden besluit lijkt namelijk te volgen dat hier geen sprake meer van is.
5.1.
De voorzieningenrechter begrijpt uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting dat het college stelt dat eiseres niet zelfstandig kan wonen en dat daarom geen urgentie wordt verleend. Haar wordt niet tegengeworpen dat zij zelf verantwoordelijk is voor het woonnoodprobleem.
Is het vereiste om zelfstandig te wonen een weigeringsgrond?
6. Eiseres stelt dat het criterium om in staat te zijn zelfstandig te kunnen wonen niet volgt uit artikel 10, vierde en vijfde lid, van Verordening of artikel 20 van Pro het Reglement. Dit kan haar dan ook niet worden tegengeworpen. In het bestreden besluit blijkt dat er geen andere afwijzingsgronden zijn. Zij verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020. [2]
6.1.
Het betoog van eiseres slaagt. In de aanhef van artikel 20 van Pro het Reglement is bepaald wanneer er sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres zich in een woonnoodsituatie bevindt. Vervolgens worden onder artikel 20, a tot en met g, van het Reglement nadere beoordelingsaspecten gegeven. Gelet op de redactie van dit artikel ligt het niet voor de hand dat bedoeld is om in de aanhef, waarin de beoordelingscriteria gegeven zijn voor een persoonlijke noodsituatie, ook een impliciete weigeringsgrond op te nemen als er sprake is van een woonnoodsituatie. De voorzieningenrechter ziet in de tekst van het Reglement en de toelichting geen aanknopingspunt voor dit standpunt van het college. Verder is van belang dat het college verwijst naar het eerste beoordelingscriterium: “Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als het probleem een directe relatie heeft met de woning of woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie.” Voor eiseres bestaat ‘het probleem’ en de woonnoodsituatie er uit dat zij momenteel geen vast verblijf heeft. Een woning is een oplossing daarvoor. De voorzieningenrechter ziet in dit kader geen aanknopingspunt voor het standpunt van het college dat de (eventuele) begeleidingsbehoefte van eiseres onderdeel is van ‘het probleem’ en de woonnoodsituatie.
6.2.
Dit betekent dat het beroep van eiseres gegrond is. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiseres geen bespreking.
6.3.
In het bestreden besluit en tijdens de zitting heeft het college geen andere gronden naar voren gebracht die in de weg staan aan het verlenen van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter acht het dan ook mogelijk om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. De voorzieningenrechter neemt zelf een beslissing en bepaalt dat de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring wordt toegewezen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorziet, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
8. De voorzieningenrechter zal het college veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar, in beroep en voor het verzoek om een voorlopige voorziening. De vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt hij vast op € 4.134,- (in bezwaar 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde van € 666,- per punt, in beroep 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de zitting met een waarde van € 934,- per punt). Ook moet het college het griffierecht voor het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2026;
- herroept het primaire besluit van 25 november 2025;
- wijst de aanvraag voor een urgentieverklaring toe;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het college tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat het college het griffierecht voor beroep en het verzoek (in totaal € 400,-) aan eiseres moet vergoeden;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.