Uitspraak
Datum uitspraak: 28 oktober 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag van een alleenstaande man met chronische psychische en lichamelijke klachten om een urgentieverklaring voor een zelfstandige woning af. De man woont sinds 1997 bij zijn broer en heeft 24-uurs zorg en begeleiding nodig. De rechtbank had het college in eerste aanleg in het gelijk gesteld, maar later vernietigd en de urgentieverklaring toegekend.
In hoger beroep handhaafde het college de afwijzing, stellende dat de man onvoldoende zelfredzaam is om zelfstandig te wonen en dat het woonprobleem kan worden opgelost met een zelfstandige woning gecombineerd met mantelzorg. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de eis van zelfstandigheid niet uit de Huisvestingsverordening volgt en dat het woonprobleem inderdaad kan worden opgelost met een zelfstandige woning en mantelzorg, mede gelet op de indicatie voor 24-uurs zorg en het gebruik van een persoonsgebonden budget.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van het college. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van de proceskosten en legde griffierechten op.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.