ECLI:NL:RBGEL:2026:4324

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
456668
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 6:119 BWArt. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 2:19 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens selectieve betaling tijdens liquidatiefase

Renovate vordert schadevergoeding van de bestuurders van LGE wegens het onbetaald laten van haar facturen en schadevergoeding voor misgelopen winst. LGE was in een feitelijke liquidatiefase en had geen middelen meer om alle schuldeisers te voldoen. De bestuurders betaalden alle andere schuldeisers volledig, maar lieten Renovate onbetaald, ondanks dat zij wisten dat LGE haar verplichtingen niet kon nakomen.

De rechtbank stelt vast dat de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt vanwege deze selectieve betaling, wat onrechtmatig is jegens Renovate. De schade wordt begroot op 55,6% van de vordering, omdat LGE ook in een hypothetische situatie niet alle schuldeisers volledig had kunnen betalen.

De bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 37.050,53 plus wettelijke rente, beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor € 37.050,53 schadevergoeding plus rente, beslag- en proceskosten wegens onrechtmatig onbetaald laten van Renovate.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/456668 / HA ZA 25-370 / 1782 / 1854
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
RENOVATE DAK EN SOLAR B.V.,
gevestigd te Stroe,
eisende partij,
hierna te noemen: Renovate,
advocaat: mr. M.C. de Jong,
tegen

1.HORDEUM HOLDING B.V.,

gevestigd te Barneveld,
hierna te noemen: Hordeum,
2.
[naam gedaagde],
wonende te Barneveld,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. M. Blok.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025;
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026, waarvan verkort proces-verbaal is opgemaakt.
1.2.
Daarna is een datum bepaald voor het wijzen van dit vonnis.

2.De zaak in het kort

2.1.
[de gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Hordeum en Hordeum is enig aandeelhouder en bestuurder van de zustervennootschappen ArTee en LGE. ArTee en LGE houden zich onder meer bezig met de installatie van zonnesystemen, waarbij ArTee alle commerciële en administratieve zaken op zich neemt en de uitvoering van het werk uitbesteedt aan LGE. LGE heeft geen personeel en besteedt het werk vervolgens uit aan externe opdrachtnemers, zoals Renovate.
2.2.
In de zomer van 2024 ontstond een geschil tussen onder meer LGE en Renovate over de kwaliteit van het door Renovate uitgevoerde werk. LGE en Renovate hebben elkaar over en weer sommaties en aansprakelijkstellingen gestuurd. Renovate vorderde van LGE betaling van onbetaald gelaten facturen en vergoeding van schade voor misgelopen winst, omdat LGE geen opdrachten meer aan Renovate gunde. LGE vorderde op haar beurt schadevergoeding van Renovate voor het ondermaatse werk. In december 2024 besloot ArTee geen werk meer uit te besteden aan LGE en in januari 2025 trok LGE de conclusie dat voortzetting van haar activiteiten niet verantwoord was. LGE heeft vervolgens al haar (niet aan haar gelieerde) schuldeisers volledig betaald, waarna LGE in mei 2025 als nagenoeg lege vennootschap door turbo-liquidatie is ontbonden. Renovate is de enige (niet aan LGE gelieerde) schuldeiser die volledig onbetaald is gelaten.
2.3.
In deze procedure vordert Renovate schadevergoeding van [de gedaagde] en Hordeum als (middellijk) bestuurder van LGE, tegen welke vordering [de gedaagde] en Hordeum zich verweren. De rechtbank komt tot het oordeel dat [de gedaagde] en Hordeum als bestuurder van LGE aansprakelijk zijn voor de schade die zij veroorzaakt hebben door uitsluitend de vorderingen van Renovate onbetaald te laten. De schade van Renovate dient begroot te worden door in een hypothetische vermogensvergelijking vast te stellen in hoeverre de vorderingen van Renovate verhaalbaar zouden zijn geweest als het schadeveroorzakende handelen niet had plaatsgevonden. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze oordelen is gekomen.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. [1]
3.2.
Indien sprake is van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. [2]
Vaststaande feiten
3.3.
[de gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van Hordeum. Hordeum is enig aandeelhouder en bestuurder van twee dochtervennootschappen: LGE en ArTee Concepts B.V. (hierna: ArTee).
3.4.
LGE en ArTee waren actief op het gebied van de verkoop en installatie van zonnesystemen, energieopslagsystemen en laadpalen. ArTee verwierf de klanten, verzorgde de administratie en hield toezicht op de uitvoering van het werk. De feitelijke uitvoering van het werk werd door ArTee uitbesteed aan LGE. LGE had geen personeel. LGE besteedde op haar beurt het werk uit aan externe partijen. ArTee was (in ieder geval vanaf 2023) de enige opdrachtgever van LGE.
3.5.
Begin 2024 heeft [techniekbedrijf] B.V. (hierna: [techniekbedrijf] ) werk in opdracht gegeven aan ArTee, welk werk door ArTee via LGE is uitbesteed aan Renovate. In de zomer van 2024 klaagde [techniekbedrijf] herhaaldelijk bij ArTee over de uitvoering en kwaliteit van het werk. Ook over naar aanleiding van deze klachten door Renovate uitgevoerd herstelwerk was [techniekbedrijf] niet tevreden.
3.6.
Tussen enerzijds [techniekbedrijf] en ArTee en anderzijds LGE en Renovate ontstond een geschil over de kwaliteit van het uitgevoerde werk, de uitvoering van herstelwerkzaamheden en de betaling van facturen en vergoeding van schade. [techniekbedrijf] stelde ArTee aansprakelijk en weigerde de facturen van ArTee te betalen. ArTee stelde op haar beurt LGE aansprakelijk en LGE stelde vervolgens Renovate aansprakelijk, waarbij ArTee de facturen van LGE en LGE de facturen van Renovate niet betaalde. Overleg heeft partijen niet nader tot elkaar gebracht.
3.7.
Renovate is in september 2025 door LGE van het werk gestuurd, althans is Renovate sindsdien niet meer ingeschakeld om werkzaamheden uit te voeren. LGE heeft herstel door andere partijen laten uitvoeren.
3.8.
Renovate weersprak aansprakelijk te zijn voor schade of kosten, wilde gelegenheid tot herstel en vorderde betaling van haar facturen. Na sommaties en aansprakelijkstellingen over en weer heeft Renovate LGE in februari 2025 gedagvaard. LGE is in die procedure niet verschenen. Bij verstekvonnis [3] van 28 maart 2025 (hierna: het verstekvonnis) is LGE voor zover van belang veroordeeld om aan Renovate te betalen de onbetaald gelaten facturen (€ 44.981,40) en schadevergoeding voor misgelopen winst (€ 21.656,25) omdat LGE Renovate tegen de afspraken in geen nadere opdrachten meer heeft gegeven. De termijn om tegen het verstekvonnis in verzet te komen is verstreken, zodat het verstekvonnis kracht van gewijsde heeft.
3.9.
Vanwege het geschil met [techniekbedrijf] , de herstelkosten die door LGE werden gemaakt en de verslechterde markt voor de installatie van zonnesystemen, besloot ArTee in december 2024 geen werk meer aan LGE uit te besteden en kwam LGE in januari 2025 tot de conclusie dat het
“onverantwoord”was om haar activiteiten voort te zetten.
3.10.
Uit de balans [4] van 31 december 2024 van LGE blijkt:
3.11.
LGE is op 27 mei 2025 ontbonden via turbo-liquidatie in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW Pro. De slotbalans van LGE van 30 april 2025 is hiervoor onder 3.10 weergegeven.
Beoordeling van de aansprakelijkheid van Hordeum en [de gedaagde]
3.12.
Nadat in december 2024 door ArTee was besloten om geen werk meer uit te besteden aan LGE, was het voor LGE een aflopende zaak. LGE had immers geen andere opdrachtgevers en kwam in januari 2025 tot de conclusie dat het onverantwoord was om haar activiteiten voort te zetten. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat LGE omstreeks 31 december 2024 haar onderneming feitelijk heeft gestaakt, zoals Renovate terecht heeft gesteld en Hordeum niet heeft weersproken. Naar deze stand van zaken komt eveneens vast te staan dat LGE geen nieuwe inkomsten meer zou genereren en dat haar vermogenspositie zoals blijkt uit de balans van 31 december 2024 niet meer zou verbeteren. Uit de balans van 31 december 2024, zoals hiervoor onder 3.10 weergegeven, blijkt dat de lasten (ca. € 149.000) de baten (ca. € 93.000) ruimschoots overstijgen en LGE niet in staat was om al haar schuldeisers volledig te voldoen.
3.13.
Ter zitting heeft Hordeum toegelicht dat LGE vanaf januari 2025 de beschikbare baten volledig heeft gebruikt om de vorderingen van alle (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers te voldoen en dat daarmee de op dat moment reeds voorgenomen ontbinding van LGE werd voorbereid. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat Hordeum vanaf januari 2025 is overgegaan tot informele vereffening van LGE. De vordering van Renovate is daarbij volledig onbetaald gelaten, omdat Renovate volgens Hordeum geen recht heeft op betaling. Deze gang van zaken blijkt in zoverre ook uit de slotbalans van 30 april 2025: de beschikbare baten zijn van ca. € 93.000 teruggebracht tot ca. € 100. Bij de uitstaande verplichtingen staat nog een bedrag van € 57.323, waarvan Hordeum ter zitting heeft bevestigd dat dit de vordering van Renovate is, althans moet zijn. Desgevraagd heeft Hordeum evenwel niet kunnen uitleggen waarom de vordering van Renovate voor dit bedrag op de slotbalans staat, terwijl LGE bij het verstekvonnis is veroordeeld om in hoofdsom € 66.637,65 aan Renovate te betalen.
3.14.
Hordeum heeft gesteld dat LGE ten tijde van het betalen van alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers geen rekening hoefde te houden met de vorderingen van Renovate, omdat die vorderingen ondeugdelijk zijn. Volgens Hordeum heeft Renovate ondermaats werk verricht, zodat zij geen aanspraak kan maken op betaling voor dat werk. Renovate kan evenmin aanspraak maken op schadevergoeding voor gemiste winst, omdat LGE gelet op het ondermaatse werk van Renovate terecht geen nadere opdrachten meer aan Renovate heeft verstrekt, hoewel LGE en Renovate dat aanvankelijk wel waren overeengekomen. Hordeum heeft voorts gesteld dat juist Renovate aansprakelijk is jegens LGE, omdat LGE schade heeft geleden door toedoen van Renovate. Deze verweren baten Hordeum echter niet. Ten tijde van het feitelijk staken van de onderneming door LGE had Renovate herhaaldelijk laten weten dat zij volledige betaling van haar facturen verlangde, onder meer op 9 oktober 2024 in een bespreking en nadien in november 2024 in tussen partijen gewisselde correspondentie. Ook had Renovate in die correspondentie laten weten (schade)vergoeding te verlangen voor misgelopen winst voor werk dat uiteindelijk niet aan haar is gegund, maar volgens de afspraken tussen partijen wel aan Renovate gegund had moeten worden. Tussen partijen staat vast dat zij vanaf in ieder geval november 2024 lijnrecht tegenover elkaar waren komen te staan en dat zij hun beider posities over en weer zowel mondeling als schriftelijk met behulp van advocaten kenbaar hadden gemaakt. In de laatste briefwisseling had Renovate LGE rechtsmaatregelen aangezegd. Hordeum wist derhalve dat Renovate betaling van haar facturen en schadevergoeding verlangde en ook wat daarvoor volgens Renovate de feitelijke en juridische grondslag was. Dat LGE een tegengestelde positie had ingenomen, het oneens was met de vorderingen van Renovate en juist meende een (hogere) tegenvordering op Renovate te hebben, doet daar niet aan af. Hordeum dient als bestuurder van LGE onder voormelde omstandigheden immers ook rekening te houden met vorderingen die zij onzeker of ongegrond acht en die, indien de juistheid van die vorderingen komt vast te staan, in de weg staan aan de toewijsbaarheid van de gestelde tegenvordering of die tegenvordering overstijgen. [5] Gelet op dit alles had Hordeum ten tijde van het betalen van alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers, althans het onbetaald laten van alleen Renovate, ernstig rekening moeten houden met minst genomen de mogelijkheid dat de vorderingen van Renovate betaald zouden moeten worden. [6] Dat heeft Hordeum niet gedaan. Voor de vorderingen van Hordeum is immers geen enkele voorziening getroffen en nadat alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers waren betaald, waren geen noemenswaardige middelen meer beschikbaar om Renovate te betalen.
3.15.
Voor zover Hordeum in de onderhavige procedure een inhoudelijke discussie heeft willen voeren over de vraag of Renovate recht had op betaling van haar facturen en schadevergoeding voor misgelopen winst, heeft te gelden dat die discussie thans een gepasseerd station is omdat het verstekvonnis, waarin deze vorderingen van Renovate zijn toegewezen, kracht van gewijsde heeft.
3.16.
Hordeum heeft voorts gesteld dat alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers zijn betaald in het kader van een reddingspoging van LGE. Volgens Hordeum zijn alle betalingen gedaan aan installateurs die herstelwerkzaamheden verrichtten aan het werk dat in opdracht van [techniekbedrijf] werd verricht. LGE had de hoop dat [techniekbedrijf] , als het werk alsnog naar tevredenheid zou worden opgeleverd, de openstaande facturen van ArTee zou betalen zodat ArTee op haar beurt LGE kon betalen. Dit verweer overtuigt niet. Hordeum heeft ter zitting immers toegelicht dat het besluit van ArTee om geen werk meer uit te besteden aan LGE al in december 2024 was genomen, dat LGE begin januari 2025 tot de conclusie was gekomen dat het niet verantwoord was om haar activiteiten voort te zetten en dat vooruitlopend op de voorgenomen ontbinding van LGE het vermogen van LGE informeel werd vereffend door alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers te voldoen. Daar komt nog bij dat Hordeum ter zitting eveneens heeft toegelicht dat LGE in diezelfde periode haar vordering op ArTee heeft gecrediteerd. Deze gecrediteerde vordering zag nu juist op het werk dat [techniekbedrijf] aan ArTee in opdracht had gegeven en ArTee via LGE aan Renovate had uitbesteed. Gelet op dit alles valt niet in te zien dat sprake was van een reële reddingspoging van LGE, laat staan een reddingspoging die rechtvaardigt dat alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers volledig zijn betaald terwijl uitsluitend Renovate volledig onbetaald is gelaten.
3.17.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusie. Hordeum heeft als bestuurder van LGE welbewust de vorderingen van Renovate onbetaald gelaten en aldus bewerkstelligd dat LGE haar verplichtingen jegens Renovate niet is nagekomen. Hordeum heeft als bestuurder van LGE echter wel alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers van LGE volledig voldaan, terwijl Hordeum op dat moment wist dat LGE in een positie verkeerde waarin zij niet langer al haar schuldeisers volledig kon voldoen en dat gelet op de feitelijke bedrijfsbeëindiging in de toekomst ook niet meer zou kunnen. Nadat alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers zouden zijn betaald, zou LGE worden ontbonden en zou niets resteren voor Renovate. LGE zou derhalve ook geen verhaal kunnen bieden voor de schade die Renovate hierdoor als onbetaald gelaten schuldeiser zou lijden. Dit was Hordeum bekend ten tijde van het betalen van alle andere (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers, althans het onbetaald laten van Renovate. Dit alles maakt het handelen van Hordeum jegens Renovate zodanig onzorgvuldig dat Hordeum daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
3.18.
De slotsom is dat Hordeum als bestuurder van LGE persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Renovate lijdt door het onrechtmatige handelen van Hordeum. Gelet op artikel 2:11 BW Pro geldt al het voorgaande in gelijke zin voor [de gedaagde] .
Begroting van de schade
3.19.
Bij de schadebegroting is uitgangspunt dat Renovate zoveel als mogelijk in de toestand dient te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. Aan de rechtbank komt de nodige vrijheid toe om te beoordelen wat in die hypothetische situatie vermoedelijk zou zijn gebeurd en te bepalen welke wijze van schadebegroting het meest in overeenstemming is met de aard van de schade. Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Dit volgt uit artikel 6:97 BW Pro. Anders dan Renovate stelt, blijft het voorgaande ook gelden in het geval van (gedeeltelijke) betalingsonwil.
3.20.
De rechtbank houdt bij de schadebegroting geen rekening met de door LGE gecrediteerde vordering op ArTee. Veronderstellenderwijs aannemende dat deze creditering onrechtmatig was jegens Renovate, heeft Renovate niet voldoende onderbouwd dat zij hierdoor schade heeft geleden. Hordeum en [de gedaagde] hebben immers aangevoerd dat [techniekbedrijf] de vordering van ArTee nooit heeft betaald, dat ArTee bij gebreke daarvan geen middelen beschikbaar had om de gecrediteerde vordering van LGE te betalen en dat ArTee ook anderszins geen middelen beschikbaar heeft of krijgt om de gecrediteerde vordering van LGE te betalen omdat zij in oktober 2025 failliet is verklaard, wat door Renovate niet, althans onvoldoende is weersproken. De rechtbank houdt bij de schadebegroting evenmin rekening met de belastingteruggave van € 17.882 (die op de balans van 30 april 2025 staat vermeld voor € 16.362), omdat de belastingteruggave ten tijde van het voldoen van alle (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers nog latent was en pas door de btw aangifte in juli 2025, derhalve na de ontbinding van LGE, is ontstaan.
3.21.
Uit de balans van 31 december 2024 blijkt dat de uitstaande verplichtingen € 140.606 belopen, terwijl uit de slotbalans van 30 april 2025 blijkt dat de uitstaande verplichtingen zijn teruggebracht tot € 57.323. Hieruit leidt de rechtbank af dat LGE voor € 83.283 aan vorderingen van (niet aan LGE gelieerde) schuldeisers heeft voldaan. Omdat uit de slotbalans blijkt dat aan liquide middelen € 100 resteert, komt de rechtbank tot de conclusie dat gedurende het onrechtmatig handelen door Hordeum een bedrag van € 83.383 daadwerkelijk beschikbaar was voor de schuldeisers van LGE.
3.22.
De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat Renovate ten tijde van het onrechtmatig handelen van Hordeum, en dus vóórdat het verstekvonnis werd gewezen, recht had op betaling van in totaal € 66.637,65 (€ 44.981,40 aan onbetaald gelaten facturen en € 21.656,25 aan schadevergoeding voor misgelopen winst). Dat Renovate op die bedragen recht heeft, blijkt uit het verstekvonnis en staat derhalve vast. Tussen partijen is niet in geschil dat LGE al haar andere (niet aan haar gelieerde) schuldeisers heeft voldaan, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat al deze andere schuldeisers voordat zij betaald werden een bedrag van € 83.283 van LGE te vorderen hadden. Als de vorderingen van Renovate daarbij opgeteld worden, diende LGE in totaal € 149.920,65 aan (niet aan haar gelieerde) schuldeisers te betalen. Indien het schadeveroorzakende handelen door Hordeum wordt weggedacht en Renovate niet als enige onbetaald zou zijn gelaten, zou LGE echter niet al haar (niet aan haar gelieerde) schuldeisers volledig hebben kunnen voldoen. Dat betekent dat ook Renovate geen aanspraak zou hebben kunnen maken op volledige betaling. Omdat voor € 83.383 verhaal kon worden genomen op LGE terwijl LGE € 149.920,65 verschuldigd was aan niet aan haar gelieerde schuldeisers, zou LGE in deze hypothetische situatie 55,6% van iedere vordering hebben kunnen voldoen. De rechtbank begroot de schade van Renovate daarom op 55,6% van haar vordering.
Conclusie
3.23.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een bedrag van € 37.050,53 (55,6% van de vordering van € 66.637,65) aan schadevergoeding toewijzen. Hordeum is als direct bestuurder van LGE voor deze schade tegenover Renovate aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid rust op grond van artikel 2:11 BW Pro ook hoofdelijk op [de gedaagde] . Voor het overige zal de rechtbank de door Renovate gevorderde schadevergoeding afwijzen.
3.24.
De rechtbank zal over dit bedrag de wettelijke rente toewijzen vanaf 31 december 2024. Vanaf dat moment was immers sprake van feitelijke bedrijfsbeëindiging door LGE en werd door Hordeum een aanvang gemaakt met de informele vereffening, hetgeen onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig was jegens Renovate.
Beslagkosten
3.25.
Op 21 augustus 2025 heeft Renovate ten laste van [de gedaagde] conservatoir beslag [7] gelegd op zijn eigendomsdeel van zijn woning, na daartoe op 20 augustus 2025 verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. In haar petitum vordert Renovate als vergoeding voor de beslagkosten een bedrag van € 499,96. De rechtbank begrijpt het petitum, in het licht van de stellingen in de dagvaarding, zo dat Renovate de volledige beslagkosten voor een bedrag van € 3.142,96 vordert. Renovate rekent namelijk het salaris van de advocaat en het griffierecht voor het beslag tot de proceskosten van deze hoofdzaak.
3.26.
Gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro is deze vordering wat betreft het beslag dat is gelegd op de onroerende zaak van [de gedaagde] , toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 714,00 aan griffierecht, € 1.929,00 aan salaris voor de advocaat (1 verzoekschrift x tarief V) en € 499,96 ‬aan explootkosten. De rechtbank zal voor de beslagkosten een bedrag van € 2.428,96 toewijzen en bij de proceskostenveroordeling rekening houden met het griffierecht.
3.27.
De wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
3.28.
Hordeum en [de gedaagde] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Renovate worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.883,40
3.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt Hordeum en [de gedaagde] hoofdelijk tot betaling aan Renovate van een schadevergoeding van € 37.050,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt Hordeum en [de gedaagde] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.428,96, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt Hordeum en [de gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.883,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Hordeum en [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt Hordeum en [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, en Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.
2.Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758.
3.Productie 2 bij dagvaarding.
4.Productie 13 bij dagvaarding.
5.Parket bij de Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2389. Zie overweging 2.5 en de in voetnoot 12 genoemde jurisprudentie.
6.Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:829.
7.Producties 22 en 23 bij dagvaarding.