Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4446

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25_1902 Tus
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet aanvraag psychosociale hulphond opnieuw zorgvuldig onderzoeken

Eiseres, gediagnosticeerd met autisme, vroeg het college van Apeldoorn om vergoeding voor de opleiding van een psychosociale hulphond. Het college wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de hulpvraag en de beperkingen van eiseres, en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom gebruikelijke hulp en mantelzorg niet toereikend zijn.

Het college heeft het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep niet correct gevolgd, met name door onvoldoende vast te stellen wat de precieze hulpvraag is, welke beperkingen eiseres ervaart, welke ondersteuning nodig is en of andere voorzieningen toereikend zijn. De rol van de moeder als mantelzorger is onvoldoende betrokken en gemotiveerd.

De rechtbank beveelt het college aan het onderzoek te herhalen, eventueel met een nieuw medisch advies, en specifiek te beoordelen of de hulphond de enige passende maatwerkvoorziening is. Het college krijgt acht weken om het gebrek te herstellen. De procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college krijgt acht weken om het gebrek in het besluit te herstellen door het stappenplan opnieuw te doorlopen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1902 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigden: mr. L. Kikkert en M.W.A. Gerritsen).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres tot toekenning van een vergoeding voor de inzet van een psychosociale hulphond op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen. Met het besluit van 13 maart 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.1.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer 25/1581, op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak in de beide beroepen.

Overwegingen

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. De rechtbank stelt de volgende feiten vast.
2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2002. Bij eiseres is in de zomer van 2021 de diagnose autisme [1] gesteld.
2.2.
Het college heeft aan eiseres de maatwerkvoorziening Begeleiding Individueel Basis Begeleiding toegekend. [2] Dat was voor de periode van 28 maart 2022 tot en met 27 september 2022 voor in totaal 39 uur (circa anderhalf uur per week). Het college heeft de maatwerkvoorziening verlengd en toegekend voor de periode van 28 september 2022 tot en met 27 september 2023 voor twee uur per week. [3] Daarna is de maatwerkvoorziening opnieuw verlengd en toegekend voor twee uur per week voor de periode van 28 september 2023 tot en met aanvankelijk 27 september 2024 [4] , en later tot en met 27 september 2026 [5] .
2.3.
Eiseres heeft in juni 2023 een hond (Evi) aangeschaft. In mei 2024 is eiseres gestart met de opleiding om haar hond tot hulphond op te leiden. Deze opleiding betaalt eiseres zelf en de opleiding is nog niet afgerond.
2.4.
Tijdens het keukentafelgesprek in augustus 2023 heeft eiseres het college verzocht aan haar een voorziening voor de inzet van een psychosociale hulphond toe te kennen. Van het keukentafelgesprek is een verslag opgemaakt. [6] In het verslag staat – onder meer – het volgende.
“U (
eiseres) vertelt dat u snel te veel prikkels ervaart. U geeft aan dat u dan letterlijk bevriest en dan niet meer kunt bewegen. U vertelt dat u met name in de avonden overprikkeld bent. U geeft aan dat uw moeder dan met u rondjes gaat rijden in de auto zodat u kunt ontprikkelen. Sinds een paar maanden heeft u een puppy. U geeft aan dat u deze graag wil laten opleiden tot hulphond. U vertelt dat u voordat de puppy er was u alleen in bed lag. U vertelt dat u door de puppy een dagstructuur hebt weten aan te brengen.
(…)
Uw begeleider vertelt dat uw overprikkeling met name op drukke plekken zoals het station, school en winkelcentra optreedt. Uw moeder vertelt dat de huidige begeleiding de bestaande hulpvragen niet kan oplossen omdat de zorg die u nodig heeft ongepland is. Uw begeleider geeft aan dat hij niet altijd met u mee naar school of mee naar andere drukke plekken.
Tevens geeft uw begeleider aan dat zij contact hebben gehad met een autisme-expert van MEEVeluwe. Deze expert heeft geconcludeerd dat de huidige begeleiding toereikend is en dat zij niet meer voor u kunnen betekenen.”
2.5.
Het college heeft een medisch onderzoek laten verrichten door Ausems en Kerkvliet. Het onderzoek is uitgevoerd door een arts. De arts heeft eiseres gezien op een spreekuur op 12 januari 2024. Vervolgens heeft de arts de vragen die door het college zijn voorgelegd in een schriftelijke rapportage van 6 februari 2024 beantwoord.
2.6.
Met instemming van eiseres heeft haar moeder schriftelijk gereageerd op het verslag van het keukentafelgesprek. Zij schrijft onder meer het volgende.
“Er wordt in het verslag gesproken over wat [naam eiseres] wel kan maar geen woord over wat het haar kost. (…) Geen woord over de paniekaanvallen, de huilbuien, over het dood willen, over het bijna elke dag 1,5 uur met haar moeten rijden om haar weer rustig te krijgen.
(…)
Geen woord over dat [naam eiseres] nog steeds een deel van de dag in bed ligt en wij nog steeds regelmatig moeten rijden omdat haar hoofd te vol is en ze helemaal overprikkeld is.
(…)
Conclusie: [naam eiseres] heeft ambulante begeleiding en ze boekt vooruitgang.
Klopt, [naam begeleider] komt wekelijks bij [naam eiseres] om te praten over hoe het die week gegaan is en wat er komende week speelt en dat vindt ze fijn. Maar de reden dat de aanvraag voor vergoeding van de hulphonden opleiding is gedaan is dat [naam begeleider] er niet is op de momenten dat [naam eiseres] hem eigenlijk nodig heeft. Ze kan paniekaanvallen en overprikkeling helaas niet plannen op het moment dat ze een afspraak met [naam begeleider] heeft staan.
Dus de gesprekken met [naam begeleider] zijn waardevol voor haar als evaluatie en om haar verhaal kwijt te kunnen.
Maar het helpt haar niet om haar uit een paniekaanval te komen of haar overprikkeling tijdig te signaleren.
Dat doe ik al vanaf [naam eiseres] op de basisschool zat, en dat is nu precies de reden dat wij de aanvraag hebben gedaan voor de hulphonden opleiding. Dat [naam hond] dit van mij kan overnemen.
[naam eiseres] wordt namelijk 22 dit jaar en het kan niet waar zijn dat ze straks 27 is (of 40) en op zichzelf woont en nog steeds een paar keer per week naar mij moet bellen of ik met haar wil rijden omdat ze kortsluiting heeft omdat ze over haar grenzen is gegaan.”
2.7.
Vervolgens is het primaire besluit genomen. Eiseres is daartegen in bezwaar gegaan, waarna het bestreden besluit is genomen.
Het geschil
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres is aangewezen op begeleiding en ondersteuning in het dagelijks leven ter verbetering van haar zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Wat partijen verdeeld houdt is of het college de aanvraag van eiseres tot toekenning van een financiële ondersteuning (voor met name de opleiding) voor een psychosociale hulphond op grond van de Wmo 2015 mocht weigeren. In het verlengde daarvan is tussen partijen in geschil of het college voldoende heeft onderzocht of de eigen mogelijkheden van eiseres waaronder begrepen eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of het sociaal netwerk, toereikend zijn om de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen.
3.1.
Volgens eiseres is de inzet van een psychosociale hulphond noodzakelijk om haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen. De tot nu toe toegekende (ambulante) begeleiding volstaat niet, omdat zij deze begeleiding maar een bepaald aantal uren per week heeft en zij deze begeleiding niet kan bereiken op de momenten dat zij begeleiding en ondersteuning nodig heeft. Eiseres heeft nog steeds last van overprikkeling en paniekaanvallen. Zij kan haar begeleider alleen bereiken op de werkdagen van de begeleider en dan ook nog eens alleen tijdens kantoortijden. Als de begeleider op zo’n moment een andere afspraak heeft dan moet zij (af)wachten of en tot ze wordt teruggebeld. Daarbuiten is eiseres aangewezen op begeleiding en ondersteuning door haar moeder en haar hulphond.
Eiseres kan van haar moeder niet blijven verwachten dat zij meerdere keren per week met eiseres rondrijdt zodat eiseres kan ontprikkelen of kan loskomen van haar paniek(aanval).
3.1.1.
Eiseres heeft in beroep nog een verklaring van haar moeder overgelegd. In die verklaring licht haar moeder toe wat zij in het verleden voor eiseres heeft gedaan en wat er is veranderd sinds de komst van de hulphond.
Toetsingskader
4. In de Wmo 2015 is – voor zover van belang – het volgende bepaald.
4.1.
Artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat gebruikelijke hulp de hulp is die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van (…) ouders (…) of andere huisgenoten.
Artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de mogelijkheden van de cliënt onderzoekt om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren.
Het vierde lid, aanhef en onder c, bepaalt dat het college de mogelijkheden van de cliënt onderzoekt om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zelfredzaamheid of zijn participatie.
Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
4.2.
Door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [7] is een stappenplan ontwikkeld aan de hand waarvan het college het in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 bedoelde onderzoek moet verrichten.
De stappen komen voor het college – kort gezegd – neer op het volgende:
1. stel vast wat de precieze hulpvraag is;
2. breng de beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie of bij het zich kunnen handhaven in de samenleving gedetailleerd in kaart;
3. stel vast welke ondersteuning in aard en omvang nodig is, zodat:
- cliënt in voldoende mate zelfredzaam is en kan participeren
- cliënt zich (weer) (zelfstandig) staande kan houden in de samenleving
4. breng in kaart of en in welke mate eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk of een algemene voorziening een oplossing biedt.
Tot slot zal het college moeten vaststellen of er nog iets overblijft om te compenseren via een maatwerkvoorziening (‘stap 5’).
Voor zover het college zelf niet over voldoende deskundigheid beschikt, zal het college daartoe een (onafhankelijke) derde moeten inschakelen. [8]
Beoordeling door de rechtbank
5. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het onderzoek van het college niet aan het hiervoor bedoelde stappenplan, ondanks de inschakeling van een arts door het college. De rechtbank licht dat hierna toe.
5.1.
Volgens het college – zo volgt uit het onderzoeksverslag – ervaart eiseres als gevolg van snelle prikkeling door de diagnose autisme, depressie en angsten belemmeringen op drukke plaatsen. De hulpvraag van eiseres is er daarom op gericht om met deze overprikkeling op drukke plaatsen om te gaan, aldus het college. De rechtbank leidt echter uit het onderzoeksverslag zelf, de reactie daarop van de moeder van eiseres, het beroepschrift, de in beroep overgelegde verklaring van de moeder van eiseres en hetgeen tijdens de zitting is besproken af dat de overprikkeling zich, voordat eiseres de beschikking had over de (hulp)hond, op meer momenten en om meer redenen voordeed. Niet alleen op drukke plaatsen, maar ook na sociale, cognitieve of emotionele belasting. En ook ’s avonds en in de weekenden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het college de hulpvraag van eiseres niet precies in kaart heeft gebracht (stap 1).
5.2.
Vervolgens heeft het college met behulp van de ingeschakelde arts in kaart gebracht wat – volgens het college – de beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zijn (stap 2).
5.2.1.
In het onderzoeksverslag staat opgesomd wat volgens eiseres zelf haar beperkingen zijn. Eiseres heeft tijdens het keukentafelgesprek erop gewezen dat zij veel last door overprikkeling ervaart, dat zij daardoor nauwelijks tot activiteiten komt, dat zij haar vaste begeleider alleen op vaste momenten kan bereiken en niet op de momenten dat zij (te) overprikkeld is of paniek ervaart, zodat zij dan is aangewezen op ondersteuning door haar moeder. Haar begeleider en haar moeder hebben in dat gesprek ook opgemerkt dat eiseres niet altijd haar begeleider kan bereiken en dat veel van de zorg die eiseres nodig heeft, ongepland is.
5.2.2.
Uit de rapportage van de arts volgt in feite niet meer dan dat eiseres een aandoening heeft die gedragskenmerken met zich brengt, welke duiden op een kwetsbaarheid op het gebied van sociale interactie en communicatie, flexibiliteit in denken, bewegen en handelen, in de zintuigelijke prikkelverwerking en op het gebied van filteren en integreren van informatie. Wat dit feitelijk betekent voor de (on)mogelijkheden van eiseres om te kunnen participeren en zelfredzaam te worden en blijven en tegen welke belemmeringen zij dan aanloopt, wordt door de arts niet toegelicht.
5.3.
Voor het kunnen vaststellen welke ondersteuning in aard en omvang nodig is
(stap 3) heeft het college ook vragen gesteld aan de arts. De arts heeft in zijn rapportage de inhoud van het gesprek met eiseres (kort) weergegeven en de door het college gestelde vragen (summier) beantwoord. De arts licht echter niet toe op welke wijze eiseres in deze blijvende beperkingen (blijvend) ondersteund kan worden, anders dan met behulp van psycho-educatie en ambulante begeleiding.
5.3.1.
Aan de hand van deze rapportage kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden vastgesteld welke ondersteuning en met welke omvang (duurzaam) nodig is om de (in stap 2) vastgestelde beperkingen die eiseres ervaart in zelfredzaamheid en participatie weg te nemen.
De rechtbank betrekt hierbij dat psycho-educatie meestal een kortdurend traject is van enkele weken of maanden. Bovendien biedt psychoeducatie over het algemeen meer inzicht in de stoornis, zonder direct passende oplossingen voor alle mogelijke belemmeringen in het kader van de zelfredzaamheid of participatie te bieden.
5.3.2.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel verder dat het op de weg van het college had gelegen gericht aan de deskundige te vragen of eiseres beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kent die alleen met behulp van een maatwerkvoorziening gecompenseerd kunnen worden en vervolgens of de (enig resterende) maatwerkvoorziening uitsluitend kan bestaan uit de inzet van een hulphond of dat daarvoor ook andere, passende (adequate) maatwerkvoorzieningen ingezet kunnen worden te stellen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de recente rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [9]
5.4.
Het college heeft verder onvoldoende concreet en navolgbaar in kaart gebracht of en in welke mate de eigen kracht van eiseres dan wel gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk of een algemene voorziening een oplossing biedt voor de compensatie van de beperkingen die eiseres (mogelijk) kent (stap 4).
Om te weten of eiseres zelf of met anderen haar beperkingen kan compenseren, zal immers eerst vast moeten staan wat die beperkingen dan zijn.
5.5.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het college, bij stap 4, onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ouders gebruikelijke zorg kunnen leveren in de situaties dat sprake is van (onplanbare) paniekaanvallen en overprikkeling. Het college heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de feitelijke situatie gelet op het volgende.
5.5.1.
De moeder én de begeleider van eiseres hebben tijdens het keukentafelgesprek aangegeven dat de begeleiding die eiseres ontvangt niet volstaat en in ieder geval niet ingezet kan worden op ongeplande momenten. Daarnaast heeft de moeder in reactie op het verslag en in haar schriftelijke verklaring in beroep er op gewezen dat zij structureel en langdurig moest ingrijpen om zorg te leveren vanwege de overprikkeling van eiseres (de moeder noemt dat ‘intensieve crisisregulatie’). Dit vond meerdere keren per week en op ongeplande momenten plaats. Tijdens de zitting heeft het college deze toelichting niet betwist en erkend dat deze feitelijke situatie het college tijdens de bezwaarfase bekend was.
5.5.2.
In de bestreden besluitvorming heeft het college niet toegelicht of gemotiveerd waarom die ondersteuning door de moeder van eiseres (na het bereiken van de volwassen leeftijd door eiseres) (volledig) valt onder gebruikelijke hulp die van een ouder of inwonende huisgenoot mag worden verwacht. Ook tijdens de zitting heeft het college niet kunnen toelichten waarom dat valt onder gebruikelijke hulp, die binnen de huiselijke kring aan elkaar verleend moet worden.
5.5.3.
Tijdens de zitting heeft het college er op gewezen dat de gebruikelijke hulp in samenhang moet worden bezien met de eigen kracht en de maatwerkvoorziening van ambulante begeleiding. Volgens het college kan de toegekende maatwerkvoorziening ambulante begeleiding ook worden ingezet voor de ongeplande zorgmomenten.
Daarover is echter door eiseres diverse keren opgemerkt, ook tijdens de zitting, dat de ambulant begeleider buiten kantoortijden niet en tijdens kantoortijden beperkt bereikbaar is. In de weekenden en ’s avonds, juist momenten dat de ongeplande zorg nodig bleek, was de begeleiding niet beschikbaar en kwam het dus op moeder aan om de zorg te verlenen. Dat dit zo is, is door het college niet weersproken.
5.5.4.
Het college heeft de beperkte beschikbaarheid van de begeleiding ook niet (voldoende) betrokken bij de vraag of met de toegekende maatwerkvoorziening (ambulante begeleiding basis), naast de eigen kracht of gebruikelijke hulp (dan wel mantelzorg of zorg door het sociaal netwerk), de beperkingen voldoende worden gecompenseerd.

Conclusie en gevolgen

6. hiervoor is overwogen, leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Aan het bestreden besluit ligt geen voldoende zorgvuldig (medisch) onderzoek ten grondslag en het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015.
6.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
6.1.1.
Gelet op het voorgaande zal het college, om het gebrek te herstellen, opnieuw het stappenplan moeten doorlopen. De rechtbank geeft het college daarbij in overweging om voor het herstel van het gebrek opnieuw een medisch advies in te winnen, waarbij de in te schakelen medisch adviseur zich onder meer zal moeten uitlaten over de vragen of eiseres – ten tijde van de melding én/of op enig moment in de periode daarna – beperkingen kende en/of kent die alleen met behulp van een maatwerkvoorziening gecompenseerd kunnen worden en of de inzet van een hulphond de enig resterende maatwerkvoorziening is.
6.2.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.3.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het college gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.4.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [10]
6.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen
twee wekende rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen
acht wekenna verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.ASS, Autisme spectrum stoornis.
2.Bij besluit van 24 maart 2022.
3.Besluit van 16 november 2022.
4.Besluit van 31 augustus 2023.
5.Besluit van 9 september 2024.
6.Het verslag is niet gedateerd.
7.Zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, in het bijzonder rechtsoverweging 4.4.2.
8.Zie de uitspraak van 1 mei 2017 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2017:1477.
9.Zie de uitspraken van 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:618, 620 en 621.
10.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 12 juni 2013 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.