Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2024;
- het exploot van betekening van 23 oktober 2024;
- het journaalbericht met bijlagen van mr. Zwart-Peters van 24 oktober 2024;
- het verweerschrift van de man, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2025;
- het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, tevens aanvullende verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 24 april 2025;
- het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 13 oktober 2025;
- de brief van mr. Verhagen-Kiela, met bijlagen, van 10 maart 2026;
- het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026;
- de brief van mr. Verhagen-Kiela, met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026;
- het bericht van mr. Westendorp-Hertgers van 3 april 2026;
- het bericht van mr. Westendorp-Hertgers van 7 april 2026;
- het bericht van mr. Verhagen-Kiela met bijlage, van 8 april 2026.
2.De feiten
- [naam zoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [de zoon] ;
- [naam dochter], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [de dochter] .
3.Wat ligt voor?
Voorwaardelijk:
4.De beoordeling
Echtscheiding
€ 223 per maand aan de vrouw moet betalen voor [de dochter] . Per saldo betekent dit dat de man een kinderalimentatie van € 201 per maand aan de vrouw moet betalen.
- De woning aan de [adres] te [plaatsnaam] , en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
- De inboedelgoederen van voornoemde woning;
- Een auto van het merk Audi;
- Het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
- De honden [hond 1] en [hond 2] .
tot vier weken na de datum van deze beschikkingte informeren over de uitkomst van deze onderhandelingen.
- De vrouw heeft over de jaren dat de man zijn onderneming nog in de vorm van een Vof exploiteerde (2018 tot en met 2020) gerekend met een te hoog inkomen van de man. Zij rekent in 2018 bijvoorbeeld met de totale winst uit de onderneming van
- De vrouw heeft in haar berekening in de jaren 2020 tot en met 2024 ten onrechte rekening gehouden met startersaftrek. De man heeft aangevoerd dat hij in deze jaren geen recht (meer) had op deze aftrek. Na de omzetting van de Vof naar een eenmanszaak was geen sprake van een nieuwe onderneming maar slechts een voortzetting van dezelfde onderneming in een andere vorm. De vrouw heeft niet onderbouwd waarom de man desondanks wel aanspraak zou kunnen maken op de startersaftrek;
- De vrouw houdt ten onrechte geen (of slechts deels) rekening met de kosten van de huishouding die de man heeft betaald vanuit zijn zakelijke rekening. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten wel degelijk relevant zijn om te kunnen bepalen wat de bijdrage van de man is en wat de totale kosten van de huishouding per kalenderjaar zijn geweest. Dat deze kosten via de onderneming van de man zijn betaald en daarmee een belastingvoordeel voor partijen kunnen meebrengen, neemt namelijk niet weg dat deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van de gezamenlijke huishouding van partijen. Ook volgt de rechtbank de vrouw niet in haar stelling dat nu de kosten via de onderneming van de man zijn betaald, dit niet kan worden gezien als een bijdrage van de man aan de kosten van de huishouding. De man heeft immers als ondernemer de vrijheid om deze kosten van zijn zakelijke rekening te betalen, of bijvoorbeeld een lening in rekening courant af te sluiten of deze kosten uit te keren als salaris of winst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat het voldoen van kosten van de huishouding vanuit de onderneming 1 op 1 op het inkomen van de man drukken. Om die reden acht de rechtbank het niet redelijk dat de vrouw op geen enkele manier rekening houdt met de bijdrage van de man aan de kosten van de huishouding afkomstig van zijn zakelijke bankrekening.
€ 81,55 per maand vanaf maart 2026. De rechtbank zal het verzoek van de man in zoverre toewijzen en bepalen dat de vrouw, uit hoofde van de vordering die de man heeft uit hoofde van de afspraken gemaakt in de procedure voorlopige voorzieningen, aan de man dient te voldoen een bedrag van € 407,75 te vermeerderen met € 81,55 per maand vanaf de maand maart 2026 tot de datum van deze beschikking. Vanaf dat moment is de man verantwoordelijk voor de verblijfsoverstijgende kosten van [de zoon] en hij de kosten van kinderopvang voor [de zoon] voor zijn rekening dient te nemen. Kosten voor de opvang van [de dochter] zullen vanaf de datum van de beschikking niet langer voor rekening van de man komen, omdat de vrouw vanaf dat moment verantwoordelijk is voor de verblijfsoverstijgende kosten van [de dochter] . De vordering van de man bedraagt dan in totaal
€ 407,75 + ( 3 x € 81,55 ) = € 652,40. De rechtbank zal het verzoek voor vergoeding van de wettelijke rente afwijzen omdat over en weer vorderingen zijn toegewezen of nog worden toegewezen (waaronder de verdeling van de echtelijke woning).
5.De beslissing
[naam zoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , vast bij de man;
[naam dochter], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , vast bij de vrouw;
€ 652,40;
uiterlijk vier weken na de datum van deze beschikkingde rechtbank te berichten over de uitkomst van deze onderhandelingen en de gewenste voortgang van de procedure.