ECLI:NL:RBGEL:2026:4464

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/05/442352 / FZ RK 24-2471
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 sub a RvArt. 1:100 BWArt. 1:397 lid 2 BWArt. 194 RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, verdeling huwelijkse voorwaarden en geschil over woningwaarde

De rechtbank Gelderland heeft op 4 juni 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, waarbij de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de man en die van de dochter bij de vrouw is vastgesteld. De zorg- en contactregeling is grotendeels conform de voorlopige voorzieningen vastgesteld met aanpassingen in wisseltijden en vakanties. De rechtbank heeft de kinderalimentatie berekend op basis van draagkracht en behoefte, waarbij de man € 223 per maand aan de vrouw betaalt voor de dochter en de vrouw € 22 per maand aan de man voor de zoon.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van eenvoudige gemeenschappen zijn deels vastgesteld. De rechtbank heeft de verdeling van de gezamenlijke bankrekening, honden en motor geregeld en vergoedingsvorderingen beoordeeld. De vrouw krijgt geen vergoeding voor de kosten van de huishouding wegens onvoldoende onderbouwing en toepassing van het vervalbeding. De man moet € 3.000 vergoeden voor de keuken. Diverse overige vergoedingen zijn toegewezen of afgewezen.

De grootste onenigheid betreft de waarde en verkoopbaarheid van de woning, een dubbel woonhuis met de moeder van de man. De rechtbank constateert dat onvoldoende informatie beschikbaar is om de waarde vast te stellen en houdt verdere beslissing aan. Partijen krijgen vier weken om te onderhandelen over de woningwaarde en verkoop. De rechtbank benadrukt de complexiteit en mogelijke langdurige procedure bij benoeming van een deskundige.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve de echtscheiding zelf. Proceskosten en verdere beslissingen over de woningverdeling worden aangehouden. De rechtbank wijst verzoeken die niet zijn toegewezen af en legt nadruk op het belang van communicatie en hulpverleningstraject voor de kinderen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, woningverdeling aangehouden wegens geschil over waarde.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/442352 / FZ RK 24-2471 (echtscheiding)
C/05/458832 / FZ RK 25/2649 (verdeling)
Datum uitspraak: 4 juni 2026
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Westendorp-Hertgers te Deventer (voorheen mr. W.F.A. Zwart-Peters te Deventer),
tegen
[naam man](hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.E. Verhagen-Kiela te Deventer.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2024;
  • het exploot van betekening van 23 oktober 2024;
  • het journaalbericht met bijlagen van mr. Zwart-Peters van 24 oktober 2024;
  • het verweerschrift van de man, met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, tevens aanvullende verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 24 april 2025;
  • het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 13 oktober 2025;
  • de brief van mr. Verhagen-Kiela, met bijlagen, van 10 maart 2026;
  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026;
  • de brief van mr. Verhagen-Kiela, met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026;
  • het bericht van mr. Westendorp-Hertgers van 3 april 2026;
  • het bericht van mr. Westendorp-Hertgers van 7 april 2026;
  • het bericht van mr. Verhagen-Kiela met bijlage, van 8 april 2026.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 13 april 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een advocaat-stagiair van mr. Westendorp-Hertgers aanwezig. Ook was de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. De Raad heeft echter voorafgaand aan de zitting van 13 april 2026 de rechtbank bericht dat vanwege capaciteitsproblemen geen zittingsvertegenwoordiger van de Raad aanwezig kan zijn bij de zitting.
1.3.
Ter de zitting zijn door de vrouw spreekaantekeningen overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] , gemeente [huwelijksgemeente] .
2.2.
Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
  • [naam zoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [de zoon] ;
  • [naam dochter], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: [de dochter] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 juli 2025 zijn voorlopige voorzieningen getroffen. Partijen hebben daarbij afspraken gemaakt over verschillende onderwerpen. De rechtbank heeft deze afspraken van partijen opgenomen in de beschikking en op basis daarvan als zorgregeling vastgesteld dat [de zoon] en [de dochter] bij de man verblijven volgens onderstaand schema:
Week 1 (oneven weken)
Wie?
Wisseltijd
Maandag
vader
7.30 uur brengt moeder naar vader
Dinsdag
vader
Woensdag
moeder
7.30 uur brengt vader naar
moeder
Donderdag
moeder
Vrijdag
moeder
Zaterdag
vader
8.30 uur brengt moeder naar vader
Zondag
vader
Week 2 (even weken)
Dag
Wie?
Wisseltijd
Maandag
vader
Dinsdag
vader
Woensdag
vader
Donderdag
moeder
7.30 uur brengt vader naar
moeder
Vrijdag
moeder
Zaterdag
moeder
8.30 uur brengt moeder naar vader
Zondag
moeder
Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 maart 2025 € 500 per mand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] en [de dochter] .

3.Wat ligt voor?

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, na aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de echtscheiding uit te spreken van partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] , gemeente [huwelijksgemeente] ;
II. de hoofdverblijfplaats van [de zoon] en [de dochter] vast te stellen bij de vrouw;
III. een zorg- en contactregeling over de kinderen vast te stellen waarbij [de zoon] en [de dochter] in de oneven weken van vrijdag na het avond-eten (18.30 uur) tot maandag na het avond-eten (18.30 uur) en in de even weken op woensdagmiddag tot na het avond-eten (18.30 uur) bij de man verblijven;.
IV. te bepalen dat de vakantieregeling geldt zoals opgenomen in het door de vrouw
opgestelde ouderschapsplan;
V. te bepalen dat de man met ingang van heden ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 262 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bedrag per ingangsdatum als de rechtbank juist acht;
VI. te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een vergoeding voor het gebruik van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] is verschuldigd van € 400 per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie bepaalt, en daarbij te verstaan dat de man de maandelijkse verplichtingen uit hoofde van hypothecaire geldlening betaalt;
VII. de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] en de daarop rustende hypothecaire geldleningen bij Florius met nummers [leningnummer] en [leningnummer] te gelasten en/of de verdeling als volgt vast te stellen:
a. de onroerende zaak tegen de getaxeerde waarde ad € 415.000 aan de man toe te delen, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij Florius met nummers [leningnummer] en [leningnummer] ;
b. onder de verplichting van de man om uiterlijk binnen drie maanden ná betekening van het door uw rechtbank te wijzen vonnis, te zorgen voor de notariële levering van de woning, onder gelijktijdig ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de genoemde schulden, én betaling aan de vrouw van de helft van de overwaarde (zijnde de verkoopopbrengst minus de hypothecaire geldlening(en) ten titel van overbedeling te voldoen;
c. te bepalen dat de kosten van de notariële levering, het ontslag uit de aansprakelijkheid, en andere kosten die samenhangen met de toedeling van de woning aan de man, voor rekening van de man komen.
Voorwaardelijk voor het geval de man de woning niet over kan nemen
VIII. te bepalen dat de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] dient te worden verkocht door middel van een opdracht aan een door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaarskantoor waarbij ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven, bij gebreke waarvan het ten deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de weigerachtige partij, en voorts:
a. te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;
b. te bepalen dat partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
c. te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] aan derden;
d. te bepalen dat de hypothecaire geldleningen bij Florius met nummers [leningnummer] en [leningnummer] bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] ;
e. te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;
f. te bepalen dat bij overdracht aan een derde de kosten van de makelaar, de notaris en overige kosten ter zake van de verkoop en levering voor rekening van de man komen.
IX. de man te veroordelen het kentekenbewijs van de motor van de vrouw (kenteken [kentekennummer] ) binnen twee dagen na de in deze te wijzen beschikking aan de vrouw af te geven;
X. de gezamenlijke bankrekening van partijen aan de man toe te delen, na verdeling van het saldo bij helfte;
XI. te bepalen dat de man, binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking, een bedrag van € 187 aan de vrouw dient te vergoeden, ter zake van te veel ontvangen kindgebondenbudget in 2022;
XII. de man te veroordelen een bedrag van € 55.596,45 aan de vrouw te vergoeden ter zake van de door de vrouw te veel betaalde kosten huishouding, dan wel een bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;
XIII. te bepalen dat [hond 2] en [hond 1] aan de vrouw worden toegedeeld;
XIV. te bepalen dat de man een bedrag van € 550 aan de vrouw dient te betalen ter zake van door hem ontvangen kindgebondenbudget;
XV. te bepalen dat de man een bedrag van € 2.500 aan de vrouw dient te vergoeden ter zake van de door de vrouw betaalde keuken;
XVI. te bepalen dat de man een bedrag van € 315,99 aan de vrouw dient te vergoeden ter zake van de door de vrouw betaalde kosten van de honden;
Onder compensatie van kosten.
3.2.
De man verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verzoeken van de vrouw af te wijzen door haar hierin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken te ontzeggen;
II. tussen partijen gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] , gemeente [huwelijksgemeente] , de echtscheiding uit te spreken;
III. te bepalen dat de volgende zorg- en contactregeling zal gelden:
De kinderen verblijven in week 1 vanaf maandag tussen 8 en 9 uur tot woensdag tussen 8 en 9 uur bij de man, waarbij de vrouw de kinderen op maandag naar school/naar de man brengt en de man de kinderen op woensdag naar school/de vrouw brengt, waar de kinderen dan verblijven tot zaterdagochtend en de vrouw de kinderen zaterdagochtend tussen 8 en 9 uur naar de man brengt en de man de kinderen in week 2 op donderdagochtend tussen 8 en 9 uur naar school/de vrouw brengt en zo verder;
Tijdens vakanties en feestdagen geldt de volgende regeling:
Even jaar:
- Pasen, Pinksteren en overige feestdagen volgens reguliere schema
- Voorjaarsvakantie en herfstvakantie volgens reguliere schema
- Mei vakantie mits twee weken, eerste week moeder, tweede week vader.
Anders volgens reguliere schema
- Zomervakantie (6 weken)
o Eerste week moeder
o Tweede en derde week vader
o Vierde en vijfde week moeder
o Zesde week vader
- Moeder eerste kerstdag
- Vader tweede kerstdag
- Moeder oudejaarsdag
- Vader nieuwjaarsdag
Oneven jaar:
- Pasen, Pinksteren en overige feestdagen volgens reguliere schema
- Voorjaarsvakantie en herfstvakantie volgens reguliere schema
- Mei vakantie mits twee weken, eerste week vader, tweede week moeder.
Anders volgens reguliere schema
- Zomervakantie (6 weken)
o Eerste week vader
o Tweede en derde week moeder
o Vierde en vijfde week vader
o Zesde week moeder
- Vader eerste kerstdag
- Moeder tweede kerstdag
- Vader oudejaarsdag
- Moeder nieuwjaarsdag
- Overige kerstvakantiedagen volgens reguliere schema of in overleg.
Op Vaderdag zijn de kinderen bij vader. Op Moederdag zijn de kinderen bij moeder.
Op de verjaardag van een ouder zijn de kinderen bij de betreffende ouder, inclusief de nacht ervoor en de nacht erna.
En daarbij te bepalen dat partijen er over en weer hun toestemming aan verlenen als de ouder met de kinderen naar het buitenland op vakantie wil, tenzij er een negatief reisadvies geldt;
Althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank redelijk acht.
IV. te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de man.
V. te bepalen dat de man de aanvrager en ontvanger zal zijn van de kinderbijslag van beide kinderen, danwel subsidiair te bepalen dat de man de aanvrager en ontvanger zal zijn van de kinderbijslag van [de zoon] ;
VI. te bepalen dat de vrouw een bijdrage dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 27 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van iedere maand, danwel een bijdrage als de rechtbank redelijk acht;
VII. de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam] met de daarop rustende hypothecaire geldleningen bij Florius met nummer [leningnummer] en [leningnummer] en de Spaarhypotheekverzekering bij Reaal Levensverzekeringen onder polisnummer [polisnummer] te gelasten als volgt, danwel de verdeling als volgt vast te stellen:
 de onroerende zaak tegen de getaxeerde waarde ad € 140.000 aan de man toe te delen, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij Florius met nummers [leningnummer] en [leningnummer] ;
 subsidiair, als de rechtbank meent dat voorgaande niet kan worden toegewezen, te bepalen dat de man uiterlijk tot 9 maanden na het afgeven van de beschikking hierover, de notariële toedeling van de woning zal (doen) realiseren, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen bij Florius met nummers [leningnummer] en [leningnummer] ;
 de spaarpolis bij Reaal Levensverzekeringen onder polisnummer [polisnummer] aan de man toe te delen, en/danwel het gehele opgebouwde bedrag in de spaarpolis aan de man toe te delen onder verrekening door de man met de vrouw van de helft van de waarde van deze spaarpolis op het moment van het eindigen van tussen partijen in het kader van de echtscheiding geldende voorlopige voorzieningen, waarbij de man dit bedrag aan de vrouw dient te voldoen bij de overdracht van de woning aan hem, zoals hieronder geformuleerd;
 en daarbij (primair en subsidiair) te bepalen dat de man aan de vrouw, indien aan de opschortende voorwaarde wordt voldaan dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en de spaarpolis zoals hiervoor verzocht wordt toegedeeld aan de man, ter gelegenheid van de notariële levering, via de derdengeldrekening van de notaris wegens overbedeling dient te betalen het bedrag van de overbedeling, zijnde de heft van de overwaarde, namelijk € 140.000 -/- € 142.799,95 + (50% van € 35.990,27 + PM = 17.995 + PM) = €15.195.
 te bepalen dat de kosten van de notariële verdeling en van het ontslag uit de hoofdelijkheid voor de hypotheek bij helfte dienen te worden gedragen;
VIII. te bepalen dat de vrouw, uit hoofde van het vergoedingsrecht van de man, aan de man dient te voldoen een bedrag van € 13.666,83 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden 10 maart 2026 tot aan de dag dat de vrouw de vordering volledig zal hebben voldaan;
IX. te bepalen dat de hond met de naam [hond 1] wordt toegedeeld aan de man en de hond met de naam [hond 2] wordt toegedeeld aan de vrouw;
X. de gezamenlijke rekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] zonder verrekening toe te delen aan de man;
XI. danwel (ten aanzien van het verzochte onder VII tot en met X) de huwelijkse voorwaarden van partijen af te wikkelen en de verdeling van de woning en eventuele overige eenvoudige gemeenschappen vast te stellen, althans de wijze van verdeling daarvan, conform de aangevoerde stellingen van de man en zoals door de man is verzocht in het door hem overgelegde webformulier “verdelen en verrekenen”, althans de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen en een verdeling vast te stellen zoals de rechtbank redelijk acht;
XII. te bepalen dat de vrouw, uit hoofde van de vordering die de man heeft uit hoofde van de afspraken gemaakt in de procedure voorlopige voorzieningen, aan de man dient te voldoen een bedrag van € 1.148,67 te vermeerderen met € 81,55 per maand vanaf de maand maart 2026 totdat de vrouw de kosten kinderopvang voor haar eigen rekening neemt of de rechter anders heeft beslist en voorts dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de in deze zaak af te geven beschikking tot aan de dag dat de vrouw de vordering volledig zal hebben voldaan;
XIII. te bepalen dat de vrouw, uit hoofde van de gemaakte kosten van het taxatierapport, aan de man dient te voldoen een bedrag van € 1.923,36 en voorts dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de in deze zaak af te geven beschikking tot aan de dag dat de vrouw de vordering volledig zal hebben voldaan;
XIV. te bepalen dat de vrouw er haar medewerking aan verleent dat partijen het ertoe zullen leiden dat aan de man de hypotheekrente aftrek van de woning (per saldo) toekomt voor het jaar 2026 (en zo nodig 2027) nu hij degene is die de hypotheekrente feitelijk betaalt;
XV.
Voorwaardelijk:
voor het geval de vrouw vasthoudt aan haar verzoek tot betaling van een gebruiksvergoeding, en de rechtbank hiertoe over zal gaan, te bepalen dat de vrouw, met ingang van het moment van ingaan van de gebruiksvergoeding te betalen door de man, gehouden zal zijn om de helft van de maandelijkse verschuldigde hypotheekrente voor de hypothecaire geldleningen bij Florius met nummers [leningnummer] en [leningnummer] te voldoen alsmede de helft van de inleg in de spaarhypotheek; spaarpolis bij Reaal Levensverzekeringen onder polisnummer [polisnummer] .
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
4.2.
Hoewel partijen geen ondertekend ouderschapsplan bij de rechtbank hebben ingediend, acht de rechtbank hen ontvankelijk in het verzoek tot echtscheiding. Partijen hebben tegengestelde verzoeken gedaan over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en zijn het niet eens over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [de zoon] en [de dochter] en de kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze omstandigheden voldoende dat niet van partijen kan worden gevergd dat zij op dit moment samen in overleg een ouderschapsplan opstellen. De rechtbank zal partijen dan ook ontvangen in het echtscheidingsverzoek en beslissingen nemen in het belang van [de zoon] en [de dochter] .
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan, spreekt de rechtbank de echtscheiding uit.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
4.4.
[de zoon] en [de dochter] verbleven de afgelopen periode conform de door partijen gemaakte afspraken over de zorgregeling de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd is de rechtbank niet gebleken dat een zorgregeling waarbij de zorgtaken 50/50 worden verdeeld, zoals in de beschikking van voorlopige voorzieningen is vastgelegd, niet langer in het belang van de kinderen zou zijn of niet goed zou lopen. De man heeft aangegeven dat hij flexibel is in zijn werk en voldoende thuis kan zijn om voor de kinderen te zorgen. Dat de moeder van de man regelmatig op [de zoon] en [de dochter] past als de man aan het werk is, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de zorgregeling daarom niet langer passend zou zijn. De vrouw werkt immers ook en zij zal op het moment dat de kinderen vaker bij haar verblijven eveneens opvang voor de kinderen moeten regelen. Partijen hebben ieder voor zich de vrijheid om te bepalen in hoeverre ze daarbij gebruik willen maken van opvang door derden of juist van flexibele werktijden en/of de mogelijkheid om vanuit huis te werken. Dat daarmee te weinig structuur en regelmaat aan de kinderen wordt geboden, zoals de vrouw heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet. De ervaring leert dat kinderen flexibel zijn en zich goed kunnen aanpassen aan een situatie, zolang voor hen maar duidelijk is wanneer zij waar verblijven en ervaren dat beide ouders achter deze afspraken kunnen staan. Het is voor de rechtbank ook niet gebleken dat de nachtmerries bij [de dochter] of de problemen met emotieregulatie bij [de zoon] voortkomen uit de zorgregeling en/of het (langere) verblijf bij de man. De man heeft aangegeven dat hij deze signalen bij de kinderen niet herkent. De rechtbank houdt er wel rekening mee dat deze (spannings)klachten bij de kinderen worden veroorzaakt omdat de kinderen (onbewust) veel van de spanningen en strijd tussen partijen meekrijgen. Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de zitting hebben toegelicht blijkt bijvoorbeeld dat de overdrachtsmomenten moeizaam verlopen. Deze spanningen zijn ongetwijfeld merkbaar voor [de zoon] en [de dochter] . De rechtbank onderschrijft daarom het belang dat partijen een hulpverleningstraject aangaan om te leren hoe zij met elkaar kunnen communiceren en afspraken kunnen maken over de kinderen.
4.5.
De rechtbank zal daarom de regeling uit de voorlopige voorzieningen vastleggen als definitieve zorgregeling, met dien verstande dat het tijdstip van het wisselmoment wordt gewijzigd van 7:30 uur naar tussen 8:00 en 9:00 uur, waarbij op schooldagen eerst [de zoon] om 8:30 uur naar school wordt gebracht en vervolgens [de dochter] naar de andere ouder wordt gebracht.
4.6.
De rechtbank acht het passend om bij deze gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te bepalen dat [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft en [de dochter] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. In lijn met deze beslissing over de hoofdverblijfplaats gaat de rechtbank ervan uit dat de man aanvrager en ontvanger zal zijn voor de kinderbijslag van [de zoon] en recht heeft op het kindgeboden budget voor [de zoon] , en dat de vrouw de aanvrager en ontvanger zal zijn voor de kinderbijslag van [de dochter] en recht heeft op het kindgebonden budget voor [de dochter] . De vrouw is bang dat hierdoor een tweedeling voor de kinderen zal ontstaan, maar het is aan partijen om dit te voorkomen. De rechtbank ziet geen reden om te bepalen dat de man (ook) een deel van de kinderbijslag of het kindgebonden budget voor [de dochter] zou mogen ontvangen, om eventueel kosten voor [de dochter] (bijvoorbeeld voor kleding) te kunnen voldoen op het moment dat de vrouw daar niet in voorziet. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw hier in de toekomst voor zal zorgen, net zoals de man dat andersom voor [de zoon] ook moet doen. Het lijkt de rechtbank praktisch als beide ouders beschikken over een aantal basis setjes aan kleding voor beide kinderen, omdat het niet in het belang van de kinderen is wanneer partijen steeds vervallen in discussies over de kleding.
Vakantieregeling
4.7.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen acht de rechtbank het voorstel van de man, waarbij de vakanties grofweg bij helfte worden verdeeld, goed aansluiten bij de zorgregeling. Deze regeling stelt beide ouders in de gelegenheid om tijdens een langere periode van vrije dagen met de kinderen op vakantie te kunnen gaan. Dat zou bij de vakantieregeling die de vrouw heeft verzocht enkel mogelijk zijn voor de vrouw en niet voor de man. Dat acht de rechtbank niet passend. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen.
4.8.
Het verzoek van de man dat partijen over en weer hun toestemming geven als de ouder met de kinderen naar het buitenland op vakantie wil, tenzij er een negatief reisadvies geldt, wijst de rechtbank af omdat dit verzoek onbepaald en onvoldoende concreet is. Indien één van partijen met de kinderen naar het buitenland op vakantie wil gaan, zal op dat moment toestemming voor die specifieke vakantie moeten worden gevraagd aan de andere ouder. Daar kan niet op vooruit worden gelopen door te bepalen dat partijen elkaar op voorhand al in algemene zin toestemming voor vakanties naar het buitenland moeten verlenen. De rechtbank is overigens wel van oordeel dat partijen elkaar in beginsel altijd zonder discussie toestemming moeten geven voor vakanties naar het buitenland.
Kinderalimentatie
conclusie
4.9.
De rechtbank beslist dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking € 223 per maand aan de vrouw moet betalen voor [de dochter] en dat de vrouw een bedrag van € 22 per maand aan de man moet betalen voor [de zoon] . De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
ingangsdatum
4.10.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, omdat in de procedure van voorlopige voorzieningen al een beslissing is genomen over de door de man te betalen kinderalimentatie voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De rechtbank ziet daarom geen reden om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
behoefte
4.11.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Daarbij gaat de rechtbank uit van de financiële gegevens van partijen over 2024 en gaat zij voorbij aan de stelling van de vrouw dat gerekend moet worden met de gegevens over 2023. [de zoon] en [de dochter] hebben immers tot het uiteengaan van partijen in april 2024 van het inkomen van partijen uit 2024 geleefd. De rechtbank overweegt ook dat niet is gebleken van een zodanige wijziging van het inkomen van partijen in 2024 dat het inkomen van partijen over het gehele jaar 2023 een betere indicatie zou geven voor de behoefte voor de kinderen. De rechtbank ziet daarom geen reden om bij de berekening van de behoefte uit te gaan van een eerder peiljaar dan 2024.
4.12.
Bij het vaststellen van de behoefte van [de zoon] en [de dochter] maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Tussen partijen is niet in geschil dat het gezinsinkomen in 2024 boven het maximale tabelbedrag van € 6.000 per maand uitsteeg. De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen daarom vast op het maximale tabelbedrag van € 1.470 per maand. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 (afgerond) € 1.638 per maand, te weten € 819 per kind per maand.
draagkracht partijen
4.13.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd. Volgens de wet moeten ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [1]
4.14.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.365)].
draagkracht man
4.15.
Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van de gemiddelde winst uit onderneming over 2023 tot en met 2025 van € 66.370 per jaar. De rechtbank ziet op basis van wat de man heeft aangevoerd geen reden om met een lagere winst uit onderneming te rekenen of enkel uit te gaan van de winst uit 2025 van € 53.251. De man heeft niet onderbouwd waarom het voor hem in de toekomst niet langer mogelijk zou zijn om een gemiddelde winst van € 66.370 per jaar te genereren. Het is inherent aan een onderneming dat de winst per jaar fluctueert. Het gemiddelde resultaat over een aantal jaren geeft de rechtbank daarom een beter beeld van het inkomen dat de man uit de onderneming kan genereren. De rechtbank houdt ook rekening met de door de man opgevoerde premie voor arbeidsongeschiktheid van € 438,23 per maand. De man heeft daarnaast aangevoerd dat hij voornemens is om een gedeelte van zijn inkomen te sparen voor zijn pensioen en dat daarom rekening moet worden gehouden met een inhouding op zijn inkomen gelijk aan de pensioenpremie die wordt ingehouden op het inkomen van de vrouw. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat de man op dit moment al daadwerkelijk inkomen opzij zet voor een pensioenvoorziening. De omstandigheid dat de man mogelijk in de toekomst alsnog een pensioenvoorziening af zal sluiten acht de rechtbank te onzeker om op dit moment al mee te nemen in de draagkrachtberekening van de man. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat op het moment dat de man een lijfrentepolis afsluit, de vrouw bereid is om met (de advocaat van) de man in overleg te treden over een mogelijke herberekening van de alimentatie.
4.16.
Gelet op de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, rekent de rechtbank aan de zijde van de man met het kindgebonden budget dat de man ontvangt voor [de zoon] van € 4.332 per jaar. Ook heeft de man recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Op basis daarvan bedraagt het NBI van de man € 4.423 per maand. [2]
4.17.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening te houden met de kosten die de man voor de kinderopvang (van [de zoon] ) betaalt. Daarbij overweegt de rechtbank dat partijen in het kader van de procedure van voorlopige voorzieningen afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de kosten van de kinderopvang en de peuterspeelzaal voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Partijen moeten zich aan deze afspraken houden. Voor de toekomst geldt dat [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft en de man daarmee verantwoordelijk is voor de verblijfsoverstijgende kosten van [de zoon] , waaronder de kosten van kinderopvang. Er is dan geen reden om deze kosten mee te wegen in de draagkrachtberekening van de man.
4.18.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de man een draagkracht van € 1.212 per maand.
draagkracht vrouw
4.19.
Voor het bepalen van de draagkracht van de vrouw rekent de rechtbank op basis van de overlegde salarisspecificatie van de vrouw van januari 2026, waaruit een bruto salaris van € 3.123 per maand volgt. Daarnaast ontvangt de vrouw een Individueel Keuzebudget (IKB) van ( € 236,01 + € 266,99 + € 11,80 =) € 515 per maand. De rechtbank acht voldoende door de vrouw onderbouwd hoe de op de salarisstrook vermelde budget ‘IKB PB’ door de werkgever van de vrouw beschikbaar wordt gesteld om bijvoorbeeld een opleiding van te kunnen volgen, maar dat dit budget niet als salaris aan de vrouw wordt uitgekeerd. De rechtbank neemt deze post daarom niet mee bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
4.20.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met ouderschapsverlof van € 172,69 per maand, omdat de vrouw heeft aangevoerd dat zij hier nog tot 2027 recht op heeft en de rechtbank het aannemelijk vindt dat de vrouw het ouderschapsverlof nodig heeft om de zorg voor [de zoon] en [de dochter] te kunnen blijven combineren met haar werk. Het komt de rechtbank niet redelijk voor wanneer de vrouw, zoals de man heeft aangevoerd, op de dagen dat zij werkt kinderopvang voor [de zoon] en [de dochter] in zou moeten zetten in plaats van gebruik te maken van haar recht op ouderschapsverlof. Op het moment dat het recht van de vrouw op ouderschapsverlof na 2027 zou eindigen, zou dit een relevante wijziging van omstandigheden kunnen opleveren om de kinderalimentatie te wijzigen. Het is aan partijen om op dat moment opnieuw met elkaar in overleg te treden over de bijdrage van de vrouw in de kosten van de kinderen. Daar kan de rechtbank op dit moment niet op voortuitlopen.
4.21.
Gelet op de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en wie van partijen het kindgebonden budget voor de kinderen mag aanvragen, rekent de rechtbank aan de zijde van de vrouw met het kindgebonden budget dat de vrouw voor [de dochter] ontvangt van € 5.281 per jaar. Ook heeft de vrouw recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de vrouw bedraagt dan € 3.450 per maand. [3]
4.22.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 735 per maand.
verdeling kosten
4.23.
Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.24.
De man en de vrouw hebben samen een draagkracht van € 1.947 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [de zoon] en [de dochter] te betalen, want die zijn € 1.638 per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.212 / 1.947 x 1.638 =) € 1.020 per maand moet dragen, oftewel € 510 per kind per maand, en de vrouw een deel van (735 / 1.947 x 1.638 =) € 618 per maand, oftewel € 309 per kind per maand.
zorgkorting
4.25.
Omdat partijen de zorg voor [de zoon] en [de dochter] delen en zij gedurende de tijd dat de kinderen bij hem/haar verblijven al voor een deel in natura in hun kosten voorziet, hebben partijen recht op een zogenaamde zorgkorting. Gelet op de zorgregeling zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een zorgkorting van 35% van de behoefte. Dat komt neer op een zorgkorting van € 287 per kind per maand.
4.26.
Dat betekent dat de vrouw een bedrag van (309 -/- 287 =) € 22 per maand aan de man moet betalen voor [de zoon] , en dat de man een bedrag van (510 -/- 287 =)
€ 223 per maand aan de vrouw moet betalen voor [de dochter] . Per saldo betekent dit dat de man een kinderalimentatie van € 201 per maand aan de vrouw moet betalen.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen
4.27.
Partijen hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld. In deze huwelijkse voorwaarden is (onder meer) het volgende opgenomen.
Artikel 1:
Tussen de echtgenoten bestaat een gemeenschap van inboedel, doch overigens zal tussen de echtgenoten geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan, zonder enig verrekenbeding (koude uitsluiting).
Ten aanzien van de gemeenschap van inboedel geldt het volgende:
Tot de gemeenschap van inboedel behoren het huisraad en hetgeen dient tot stoffering en meubilering van de woning of woningen van de echtgenoten, de vakantiewoningen daaronder begrepen.
Tot de gemeenschap van inboedel behoren niet
a. boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard;
b. de roerende zaken die door de echtgenoten tijdens het huwelijk krachtens erfrecht of schenking worden verkregen en zaken die voor meer dan de helft zijn gefinancierd met middelen die krachtens erfrecht of schenking zijn verkregen
3. Er kunnen geen schulden ontstaan ten laste van de gemeenschap.
4. De kosten van aanschaf van zaken die tot de gemeenschap van inboedel behoren komen als kosten van de huishouding ten laste van de echtgenoten zoals hierna aangegeven. Dit geldt ook voor de kosten van onderhoud, herstel en verbetering van de zaken die tot de gemeenschap behoren.
[…]
Artikel 4:
Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking, ongeacht waarvoor het onttrokken bedrag of de onttrokken waarde is aangewend
Een vergoedingsrecht is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich—
tegen die opeisbaarheid verzetten.
[…]
Artikel 6:
Onder inkomen in deze huwelijkse voorwaarden wordt verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen.
Ingeval een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming of
resultaat uit een werkzaamheid, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst of van het resultaat voor onttrekking in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld.
Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de
winst van een door een rechtspersoon uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komt, wordt die onderneming voor de toepassing van de vorige zin aangemerkt als een door die echtgenoot uitgeoefende onderneming. Onder winst uit onderneming wordt dan verstaan: de in de onderneming behaalde winst, verminderd met de daarover door de rechtspersoon verschuldigde belastingen. Bij het voorgaande wordt de mate waarin de echtgenoot tot de rechtspersoon is gerechtigd in aanmerking genomen.
Artikel 7:
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning. Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel (en van de voor het gezin bestemde auto's).
Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.
De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk of, in geval van scheiding van tafel en bed, binnen zes maanden na de totstandkoming daarvan.
Indien de vordering overeenkomstig lid 4 is ingesteld, moet deze direct worden voldaan, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.
4.28.
Op grond van artikel 1 van Pro de huwelijkse voorwaarden bestaat er een gemeenschap van inboedel tussen partijen en is verder iedere huwelijksgemeenschap tussen partijen uitgesloten. Dat neemt niet weg dat sprake is van een aantal eenvoudige gemeenschappen. Omwille van de leesbaarheid van deze beschikking zal de rechtbank hierna eerst de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen bespreken en vervolgens de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waaronder de verschillende vergoedingsvorderingen van partijen.
De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen
4.29.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van de volgende eenvoudige gemeenschappen:
  • De woning aan de [adres] te [plaatsnaam] , en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
  • De inboedelgoederen van voornoemde woning;
  • Een auto van het merk Audi;
  • Het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
  • De honden [hond 1] en [hond 2] .
De woning
4.30.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de gelegenheid zal worden gesteld om de woning over te nemen. Zij zijn het echter niet eens over de waarde van de woning. Partijen hebben ieder een taxatie van de woning laten uitvoeren door een in hun ogen geschikte en deskundige taxateur, maar hebben de inhoud van de taxatierapporten die door de ander zijn ingebracht en de deskundigheid van de taxateur die de andere partij heeft ingeschakeld over en weer uitvoerig betwist.
4.31.
Het is de rechtbank gebleken dat de discussie over de waarde van de woning uit verschillende onderdelen bestaat. Ten eerste heeft de man aangevoerd dat de woning een zelfstandig gedeelte van een dubbel woonhuis betreft en dat er bijvoorbeeld geen zelfstandige nutsvoorzieningen aanwezig zijn. De moeder van de man is eigenaar van het andere gedeelte van het dubbele woonhuis. Volgens de man is geen sprake van woningsplitsing. De woning van partijen kan daarom niet als zelfstandige woning worden verkocht aan een derde en het is ook niet mogelijk om op de woning van partijen een hypotheek te vestigen. Bovendien is volgens de man sprake van een huurovereenkomst met de moeder van partijen. Deze omstandigheden maken dat de woning van partijen € 140.000 (in verhuurde staat) dan wel € 230.000 (in onverhuurde staat) waard is, zoals volgt uit het taxatierapport dat door de man is overgelegd. De vrouw heeft echter aangevoerd dat uit de akte van levering van de woning, de overeenkomt tot toedeling en de hypothecaire akte blijkt dat de woning van partijen een zelfstandig gedeelte van een dubbel woonhuis betreft. Uit gegevens van het kadaster blijkt ook dat het pand kadastraal is gesplitst. Ook heeft de woning van partijen een apart huisnummer. Uit deze omstandigheden volgt volgens de vrouw dat de woning van partijen wel degelijk een zelfstandige woning betreft. Dat sprake is van huur van de woning door de moeder van de man is door de vrouw betwist. Uit het door de vrouw overgelegde taxatierapport volgt dat de woning in dat geval € 415.000 waard zou zijn.
4.32.
Ten tweede bestaat tussen partijen discussie over de gevolgen van verkoop van de woning van partijen voor de woonbestemming op het pand. Tussen partijen is niet in geschil dat op het (gehele) object één woonbestemming rust. De man heeft aangevoerd dat in geval van verkoop de woonbestemming op het woongedeelte van zijn moeder blijft liggen, omdat dat de hoofdwoning is. Dat zou betekenen dat de woning van partijen geen woonbestemming meer heeft en dat de woning daardoor onverkoopbaar wordt. De vrouw heeft echter betoogd dat in het geval van verkoop aan een derde de zelfstandige woonbestemming op de woning van partijen over zal gaan en dit dus geen gevolg heeft voor de verkoopbaarheid of de waarde van de woning.
4.33.
Tot slot is niet duidelijk wat de mogelijkheden zijn om de situatie te herstellen en of de gemeente bereid is mee te werken in die zin dat na de splitsing op beide woningen een woonbestemming rust. De man heeft met onderbouwing van correspondentie met de gemeente aangevoerd dat de gemeente in ieder geval niet over zal willen gaan tot splitsing zolang sprake is van volgens de gemeente illegale bouwwerken op het perceel van de woning van de moeder van de man. Deze bebouwing kan echter niet zomaar worden verwijderd, omdat deze bebouwing loodsen betreft die onderdeel uitmaken van de onderneming van de man. Ook zou volgens de man voor de splitsing de toestemming van de moeder van de man noodzakelijk zijn. Zij zal deze toestemming echter niet verlenen wanneer als gevolg van de splitsing haar woning daarmee in waarde zal dalen.
4.34.
Gelet op deze (principiële) geschilpunten tussen partijen, is de rechtbank van oordeel dat zij op dit moment niet over voldoende informatie beschikt om de waarde van de woning te kunnen vaststellen. De vrouw heeft ter zitting verzocht in dat geval een deskundige te benoemen op grond van artikel 194 Rv Pro om de waarde van de woning te bepalen. De rechtbank heeft partijen tijdens de zitting voorgehouden dat het benoemen van een deskundige een verregaande maatregel is en benadrukt dat partijen er goed over na moeten denken hoe wenselijk dat zou zijn. Het benoemen van een deskundige zal van beide partijen namelijk een investering vragen, zowel in geld als tijd. De ervaring leert dat partijen dan nog minimaal een tot twee jaar met elkaar verwikkeld blijven in een juridische strijd bij de rechtbank met alle kosten van dien. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk om partijen voor te houden dat de woning voor de man persoonlijk mogelijk meer waarde heeft dan voor een derde koper, nu zijn moeder in het andere woongedeelte woont en de onderneming van de man op het perceel gevestigd is. De rechtbank heeft ter zitting al met partijen besproken dat zij in de gelegenheid zullen worden gesteld om (nader) met elkaar in onderhandeling te treden. De rechtbank zal daarom vooralsnog iedere verdere beslissing over de verdeling van de woning aanhouden en partijen in de gelegenheid stellen om met elkaar afspraken te gaan maken. De rechtbank verzoekt partijen de rechtbank uiterlijk
tot vier weken na de datum van deze beschikkingte informeren over de uitkomst van deze onderhandelingen.
4.35.
In het geval het partijen niet lukt om met elkaar afspraken te maken over de waarde van de woning, zal de rechtbank in lijn met het verzoek van de vrouw overgaan tot het benoemen van een deskundige. Op basis van de discussie tussen partijen ter zitting, de al verrichte taxaties en lopende klachtenprocedures tegen deze taxateurs over en weer, is de rechtbank voldoende gebleken dat partijen het hoogstwaarschijnlijk niet op voorhand eens zullen worden over de persoon van de te benoemen deskundige. De rechtbank zal daarom in dat geval aan partijen communiceren wie zij voornemens is om als deskundige te benoemen en welke vragen zij voornemens is te stellen. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
Inboedelgoederen
4.36.
Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat de inboedelgoederen inmiddels zijn verdeeld. De rechtbank beschouwt de verzoeken van de vrouw op dit punt als ingetrokken en hoeft over dit onderwerp dus geen beslissing meer te nemen.
4.37.
De man heeft niet weersproken dat de motor van de vrouw tot haar privévermogen behoort. In die zin komt de rechtbank het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen het kentekenbewijs van de motor van de vrouw (kenteken [kentekennummer] ) binnen twee dagen na de datum van de beschikking aan de vrouw af te geven, redelijk voor. De man heeft daar geen verweer tegen gevoerd. De rechtbank constateert echter dat dit verzoek van de vrouw niet meer naar voren is gekomen in de meest recente processtukken van de vrouw en tijdens de zitting ook niet meer is besproken in hoeverre de man op dit moment nog beschikt over het kentekenbewijs van de motor van de vrouw. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man, voor zover hij beschikt over het kentekenbewijs, hij dit aan de vrouw moet afgeven binnen twee dagen na de datum van deze beschikking.
De auto van het merk Audi
4.38.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van het merk Audi inmiddels is verdeeld. De vrouw heeft daarop haar verzoek over de verdeling van de auto ingetrokken. De rechtbank hoeft over dit onderwerp dus geen beslissing meer te nemen.
Het saldo op de gezamenlijke bankrekening
4.39.
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] zal worden toegedeeld aan de man, zonder verrekening met de vrouw, en dat de man de gezamenlijke rekening zal voortzetten. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.
De honden [hond 1] en [hond 2]
4.40.
Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd is de rechtbank onvoldoende gebleken dat het noodzakelijk is om beide honden toe te delen aan één van partijen om te voorkomen dat zij van elkaar gescheiden worden. De rechtbank zal daarom bepalen dat ieder van partijen één van de honden toegedeeld krijgt, in onderling overleg nader te bepalen. Indien partijen hier niet uitkomen, zal de rechtbank bepalen dat [hond 2] wordt toegedeeld aan de man en [hond 1] wordt toegedeeld aan de vrouw. De vrouw heeft namelijk aangevoerd dat [hond 1] op haar gefixeerd is en de man heeft ter zitting aangegeven dat hij een bijzondere band met [hond 2] heeft opgebouwd. De beslissing van de rechtbank staat er echter niet aan in de weg dat partijen in onderling overleg afspraken kunnen maken om de andere hond regelmatig te blijven zien.
Vergoedingsvorderingen op grond van de huwelijkse voorwaarden
Vergoedingsvordering van de vrouw van € 55.596,45 op grond van artikel 7 HV Pro
4.41.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man € 55.596,44 aan haar moet vergoeden, omdat zij over de periode 2018 tot en met 2024 te veel heeft bijgedragen en de man te weinig heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Ter zitting heeft zij haar vordering subsidiair verlaagd tot € 53.472,22, voor het geval rekening wordt gehouden met een aantal kosten van de huishouding die door de man vanuit zijn onderneming zijn betaald. De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw, primair omdat volgens de man sprake is van rechtsverwerking en subsidiair omdat de vrouw haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.
4.42.
De rechtbank constateert dat partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat zij de kosten van de huishouding gezamenlijk dragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Wanneer een partij meer heeft bijgedragen dan hij had moeten bijdragen, is er aanleiding tot vergoeding aan deze partij door de ander. Volgens vaste rechtspraak ligt het daarbij voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek moet plaatsvinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. Deze rechtspraak ziet op situaties waarin partijen geen vervalbeding zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden. Deze leemte wordt dan opgevuld door de eisen van de redelijkheid en billijkheid. [4] In deze zaak zijn partijen echter wél een vervalbeding overeengekomen. In de huwelijkse voorwaarden is immers opgenomen dat partijen tot zes maanden na de ontbinding van het huwelijk recht hebben op verrekening van deze kosten. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het (primaire) beroep van de man op rechtsverwerking in dit geval niet slaagt. In tegenstelling tot wat de man aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de vrouw gelet op de inhoud van het vervalbeding de man er niet op hoefde aan te spreken dat zij de kosten van de huishouding wilde verrekenen. Voor partijen bestond immers geen verplichting om jaarlijks af te rekenen. Evenmin kon uit haar stilzitten worden afgeleid dat de vrouw geen aanspraak (meer) zou maken op verrekening. [5]
4.43.
Dat neemt niet weg dat nu de vordering van de vrouw ziet op een periode die ver in het verleden ligt en aan de vordering voor vergoeding van de kosten van de huishouding een zeer grote hoeveelheid stukken ten grondslag is gelegd, het voor de rechtbank lastig is de vordering te controleren en te verifiëren. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
4.44.
Door de vrouw zijn een groot aantal bankafschriften van de gezamenlijke rekening en de privébankrekening van de vrouw overgelegd. Anders dan de man heeft aangevoerd, heeft de vrouw hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd welke kosten er per kalenderjaar van de gezamenlijk bankrekening en de privérekening van de vrouw zijn besteed aan de kosten van de huishouding. De rechtbank overweegt dat het gelet op het tijdsverloop en het grote aantal verschillende transacties niet van de vrouw gevergd kan worden dat zij per bankafschrift specificeert waar de betreffende uitgave precies op zag en of bijvoorbeeld een transactie bij de Decathlon een privéuitgave of kosten van de gezamenlijke huishouding betreft. Daar komt bij dat in jurisprudentie van de Hoge Raad een ruime definitie van de kosten van de huishouding is aangenomen, te weten hetgeen in het huishouden verteerd of verbruikt wordt en hetgeen ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven. [6] De rechtbank acht daarom op basis van de (beknopte) omschrijvingen bij deze bankafschriften voldoende aannemelijk dat alle door de vrouw opgevoerde kosten tot de kosten van de huishouding behoren. Bovendien heeft de man ter onderbouwing van de kosten die hij vanaf zijn zakelijke rekening heeft betaald aan de kosten van de huishouding, net als de vrouw, een grote hoeveelheid bankafschriften in het geding gebracht eveneens voorzien van beknopte omschrijvingen. Niet valt in te zien waarom dan volgens de man van de vrouw gevergd zou moeten worden dat zij uitgebreider (dan de man heeft gedaan) moet onderbouwen dat bepaalde kosten tot de kosten van de huishouding behoren. De rechtbank acht op basis van de beknopte omschrijvingen bij deze afschriften voldoende aannemelijk dat alle door de man opgevoerde kosten tot de kosten van de huishouding behoren.
4.45.
De stelling van de man dat de vrouw de totale bijdrage van ieder van partijen op de gezamenlijke bankrekening ten behoeve van de kosten van de huishouding onjuist heeft berekend, is voor de rechtbank niet te verifiëren. De man heeft enkel gesteld dat hij op basis van de mutaties op deze bankrekeningen op een ander totaalbedrag uitkomt, te weten een totale bijdrage van de man van € 64.022 in plaats van de door de vrouw berekende bijdrage van € 60.929 en een totale bijdrage van de vrouw van € 78.804 in plaats van de door de vrouw berekende € 82.942 over de gehele huwelijkse periode. De man heeft niet verder inzichtelijk gemaakt (bijvoorbeeld met een overzichtstabel per kalenderjaar) hoe hij deze totaalbedragen heeft berekend. De rechtbank volgt daarom op dit punt de berekening van de vrouw.
4.46.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat de man de volgende terechte punten tegen de berekening van de vordering van de vrouw heeft ingebracht:
  • De vrouw heeft over de jaren dat de man zijn onderneming nog in de vorm van een Vof exploiteerde (2018 tot en met 2020) gerekend met een te hoog inkomen van de man. Zij rekent in 2018 bijvoorbeeld met de totale winst uit de onderneming van
  • De vrouw heeft in haar berekening in de jaren 2020 tot en met 2024 ten onrechte rekening gehouden met startersaftrek. De man heeft aangevoerd dat hij in deze jaren geen recht (meer) had op deze aftrek. Na de omzetting van de Vof naar een eenmanszaak was geen sprake van een nieuwe onderneming maar slechts een voortzetting van dezelfde onderneming in een andere vorm. De vrouw heeft niet onderbouwd waarom de man desondanks wel aanspraak zou kunnen maken op de startersaftrek;
  • De vrouw houdt ten onrechte geen (of slechts deels) rekening met de kosten van de huishouding die de man heeft betaald vanuit zijn zakelijke rekening. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten wel degelijk relevant zijn om te kunnen bepalen wat de bijdrage van de man is en wat de totale kosten van de huishouding per kalenderjaar zijn geweest. Dat deze kosten via de onderneming van de man zijn betaald en daarmee een belastingvoordeel voor partijen kunnen meebrengen, neemt namelijk niet weg dat deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van de gezamenlijke huishouding van partijen. Ook volgt de rechtbank de vrouw niet in haar stelling dat nu de kosten via de onderneming van de man zijn betaald, dit niet kan worden gezien als een bijdrage van de man aan de kosten van de huishouding. De man heeft immers als ondernemer de vrijheid om deze kosten van zijn zakelijke rekening te betalen, of bijvoorbeeld een lening in rekening courant af te sluiten of deze kosten uit te keren als salaris of winst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat het voldoen van kosten van de huishouding vanuit de onderneming 1 op 1 op het inkomen van de man drukken. Om die reden acht de rechtbank het niet redelijk dat de vrouw op geen enkele manier rekening houdt met de bijdrage van de man aan de kosten van de huishouding afkomstig van zijn zakelijke bankrekening.
4.47.
Als de rechtbank (zeer globaal) deze correcties toepast op de berekening van de vrouw dan daalt het inkomen van de man over de gehele periode 2018 tot 2024 (door zowel de correctie van de VOF als de correctie van de startersaftrek) en stijgt zijn aandeel met de uitgaven betaald vanuit de onderneming. De rechtbank zal hierna uiteenzetten wat dit globaal betekent voor de verdeling van de kosten van de huishouding, enerzijds over de periode 2019 tot 2021 (de periode waarin de vrouw meer verdiende dan de man en zij dus een hogere bijdrage in de kosten van de huishouding moest voldoen) en anderzijds over de periode 2022 tot en met 2024 (de periode waarin het inkomen van de man aanzienlijk hoger werd en zijn aandeel in de kosten van de huishouding stijgt). Daarbij is van belang om te benadrukken dat het voor de rechtbank te ver strekt om op basis van de grote hoeveelheid gegevens te berekenen wat de precieze verhouding was waarin de kosten van de huishouding zouden moeten worden gedragen. De rechtbank zal slechts globaal beoordelen in hoeverre de vergoedingsvordering van de vrouw de rechtbank redelijk voorkomt, op basis van een globale analyse en afronding van de door partijen aangevoerde gegevens en bedragen.
4.48.
De rechtbank schat het gemiddelde NBI van de man over 2018 tot en met 2021 op ( € 1.047 + € 639 + € 2.261 + € 499 / 4 =) € 1.100 per maand. [7] Op basis van de berekeningen van de vrouw schat de rechtbank haar netto inkomen over deze periode op gemiddeld ( € 2.287 + € 2.350 + € 2.657 + € 2.706 / 4 =) € 2.500 per maand. Dat betekent dat de man gemiddeld per jaar (1.100 / (2.500 + 1.100) x 100 % =) 31 % van de kosten van de huishouding zou moeten voldoen en de vrouw 69 %. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt de man vanaf zijn zakelijke rekening over de periode 2018 tot 2021 (globaal gerekend) gemiddeld ((€ 9.504 + € 11.570 + € 12.703) / 3 =) € 11.000 per jaar aan de kosten van de huishouding heeft voldaan (naast de bedragen die hij gestort heeft op de gezamenlijke rekening). [8] Wanneer dit bedrag wordt opgeteld bij de door de vrouw berekende totale kosten van de huishouding, bedragen de kosten van de huishouding gemiddeld € 50.500 per jaar. [9] Een gedeelte van deze kosten is voldaan uit de belastingteruggaven over 2018 tot en met 2021, die gemiddeld (€ 1.495 + € 4.891 + € 4.380 + € 623) / 4 =) € 2.850 per jaar bedroegen. Er resteert dan een bedrag van (gemiddeld) € 47.650 per jaar. Met toepassing van de hiervoor berekende verdeelsleutel had de vrouw per jaar (afgerond) € 32.900 moeten bijdragen. De vrouw stelt dat zij over 2018 tot en met 2021 respectievelijk € 33.437, € 29.756, € 32.034 en € 29.548 heeft bijgedragen. Op basis daarvan heeft de vrouw in deze periode te weinig bijgedragen.
4.49.
Vanaf 2022 stijgt het inkomen van de man en daarmee zijn verwachte bijdrage in de kosten van de huishouding. Het NBI van de man over 2022 tot 2024 bedraagt dan ( € 4.043 + € 4.419 + 4.191 / 3 =) afgerond € 4.200 per maand. [10] Op basis van de berekeningen van de vrouw bedraagt haar netto inkomen over deze periode gemiddeld ( € 2.540 + € 2.670 + € 2.917 / 3 =) € 2.709 per maand. Dat betekent dat de man (4.200 / (2.709 + 4.200) x 100% =) 60% van de kosten van de huishouding moet dragen en de vrouw 40%. Op basis van de door de man overgelegde bankafschriften berekent de rechtbank in dat de man over de periode 2022 tot 2024 ((€ 11.493 + € 13.556 + € 13.022) / 3 =) globaal afgerond € 12.700 extra per jaar aan de kosten van de huishouding heeft voldaan. [11] Wanneer dit bedrag wordt opgeteld bij de door de vrouw berekende totale kosten van de huishouding, bedragen de kosten van de huishouding gemiddeld € 59.300 per jaar. [12] Een gedeelte van deze kosten is voldaan uit de belastingteruggaven over 2022 tot en met 2024, die gemiddeld (( € 8.446 + € 15.335 + (€ 3.171 x 4) / 4) = € 9.100 per jaar bedroegen. Er resteert dan een bedrag van € 50.200 per jaar. Met toepassing van de hiervoor berekende verdeelsleutel had de vrouw per jaar globaal afgerond € 20.080 moeten bijdragen. De vrouw stelt dat zij over 2022 en 2023 respectievelijk € 24.843 en € 25.481 heeft bijgedragen. Hoewel de vrouw daar nog een vergoeding over zou kunnen vragen van de man, overweegt de rechtbank dat de vordering van de vrouw dan aanzienlijk lager is dan de verzochte vergoeding van € 55.596,44 respectievelijk € 53.472,22. Daar komt bij dat de vrouw in de jaren 2018 tot en met 2021 (iets) te weinig heeft betaald. Ook heeft de man naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat de belastingteruggaven die op de gezamenlijke rekening werden gestort hadden moeten worden uitgesplitst om te kunnen vaststellen welke bijdrage ieder van partijen daarmee heeft geleverd aan de kosten van de huishouding. Verder hadden partijen op grond van artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd vast moeten stellen welk gedeelte van de winst uit de onderneming van de man in aanmerking komt als inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden om de kosten van de huishouding mee te voldoen. De vrouw rekent nu met de volledige winst van de man. Hoewel het voor de rechtbank niet mogelijk is om voor deze punten een (globale) correctie op de berekening van de vrouw toe te passen, acht de rechtbank het waarschijnlijk dat na toepassing van een correctie voor deze punten geen restvordering voor de vrouw meer resteert.
4.50.
De rechtbank is op basis van voornoemde inschatting van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de man nog een vergoeding aan haar moeten betalen voor de kosten van de huishouding. De rechtbank wijst daarom de vordering van de vrouw in het geheel af.
Vergoedingsvordering van de vrouw van € 2.500 voor de keuken op grond van artikel 4 HV Pro
4.51.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man nog € 2.500 aan haar moet vergoeden voor de door de vrouw betaalde keuken, af. Gebleken is dat deze keuken niet is geïnstalleerd in de woning, maar als losstaand meubel opgeslagen staat in de garage van partijen. Deze keuken is dus nooit (door vermenging) onderdeel geworden van de gezamenlijke woning van partijen, maar betreft nog altijd een bestanddeel van het privévermogen van de vrouw. Er is daarmee geen sprake van een verschuiving van het privévermogen van de vrouw naar het gezamenlijk vermogen van partijen. Daarmee bestaat er ook geen grond voor vergoeding van de (helft van de) waarde van de keuken aan de vrouw.
Vergoedingsvordering van de man voor kosten van de verbouwing op grond van artikel 4 HV Pro
4.52.
De man stelt dat hij in 2023 € 21.333,66 uit privé vermogen heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woning, omdat hij vanuit zijn onderneming kosten voor de verbouwing heeft betaald. Deze investeringen zijn door de vrouw betwist. Zij stelt dat de man slechts heeft geïnvesteerd in de woning van de moeder van de man en dat de verbouwing van de woning van partijen in 2021 al was afgerond. De rechtbank kan uit de omschrijvingen van de diverse door de man overgelegde facturen niet afleiden waar de kosten van verbouwing precies op zagen en in welke woning op dat moment verbouwd werd. Naar het oordeel van de rechtbank had het daarom op de weg van de man gelegen om nader te onderbouwen dat deze verbouwingskosten zijn besteed aan de woning van partijen. Dit heeft de man niet gedaan. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de man op dit punt af.
Vergoedingsvordering van de man voor aanschaf van de keuken op grond van artikel 4 HV Pro
4.53.
De rechtbank is van oordeel dat de man recht heeft op vergoeding van € 3.000 omdat hij de keuken, die onderdeel is geworden van de gezamenlijke woning van partijen, met privévermogen heeft gefinancierd. Dat de keuken is betaald vanuit de onderneming van de man maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat de man op het moment van investering zijn onderneming exploiteerde in de vorm van een eenmanszaak. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen, wat betekent dat een financiering vanuit de eenmanszaak als een financiering vanuit het privévermogen van de man kan worden gezien. Op grond van artikel 4 lid 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden heeft de man recht op nominale vergoeding van dit bedrag.
Overige vergoedingsvorderingen
Vordering van de vrouw wegens regres van terugbetaling teveel ontvangen kindgebonden budget in 2022
4.54.
De rechtbank zal bepalen dat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bedrag van € 187 aan de vrouw dient te vergoeden ter zake het te veel ontvangen kindgebondenbudget in 2022. De terugvordering van teveel ontvangen kindgebonden budget over 2022 van in totaal € 770 betreft naar het oordeel van de rechtbank een gezamenlijke schuld van partijen die tijdens het huwelijk is ontstaan. Op grond van artikel 1:100 BW Pro is ieder van partijen voor de helft draagplichtig voor deze schuld. Nu ter aflossing van deze schuld een gedeelte van het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt wordt ingehouden, komt de aflossing van (het restant van) de schuld op dit moment geheel voor rekening van de vrouw. Om die reden dient de man de helft daarvan aan de vrouw te vergoeden.
Vordering van de vrouw wegens het onterecht door de man ontvangen kindgebonden budget
4.55.
Tijdens de procedure van voorlopige voorzieningen hebben partijen afgesproken dat vanaf 1 maart 2025 de man het kindgebonden budget voor [de zoon] ontvangt en de vrouw het kindgebonden budget voor [de dochter] ontvangt. Partijen dienen zich aan deze afspraken te houden. Dat betekent dat voor zover de man in de periode na 1 maart 2025 kindgebonden budget voor [de dochter] heeft ontvangen, hij dit dient te vergoeden aan de vrouw. De vrouw heeft echter niet nader onderbouwd of en welk bedrag de man na 1 maart 2025 nog aan kinderbijslag of kindgebonden budget heeft ontvangen. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen dat de man om die reden nog een bedrag van € 550 aan de vrouw moet vergoeden. Dit kan de rechtbank evenmin afleiden uit de beschikking van voorlopige voorzieningen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw dat de man uit dien hoofde nog € 550 aan de vrouw moet vergoeden daarom af.
Vordering van de vrouw voor de kosten van de honden
4.56.
De rechtbank is van oordeel dat ieder van partijen de helft van de gemaakte kosten voor de honden van partijen moet betalen. Dat betekent dat de man de helft van de kosten die de vrouw heeft betaald van € 631 aan haar moet vergoeden. Gebleken is echter dat de man ook kosten voor de honden heeft voldaan van € 179,30. De vrouw dient de helft van deze kosten te vergoeden aan de man. Na verrekening van deze vorderingen over en weer dient de man per saldo nog (€ 315,50 -/- € 89,65 =) € 225,85 aan de vrouw te vergoeden.
Vordering van de man van € 1.148,67 wegens nakoming afspraken uit de voorlopige voorzieningen
4.57.
De man heeft aangevoerd dat de vrouw de afspraken uit de voorlopige voorzieningen niet is nagekomen. Zij was bijvoorbeeld niet bereid om goede kleding aan de kinderen mee te geven wanneer zij bij de man verbleven. De man heeft daarom kosten moeten maken voor nieuwe kleding voor de kinderen. Dit wordt echter door de vrouw betwist. Volgens de vrouw heeft de man op zonder overleg besloten om nieuwe kleding voor de kinderen te kopen. Dat dient voor zijn rekening te komen. Op basis van het partijdebat is de rechtbank voldoende gebleken dat de vrouw in ieder geval enige kleding aan de kinderen heeft meegegeven op het moment dat zij naar de man gingen. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de afspraken van partijen uit de voorlopige voorzieningen. Voor zover de man de mening is toegedaan dat deze kleding niet voldeed, had naar het oordeel van de man gevergd kunnen worden dat hij op zijn minst met de vrouw had overlegd over het aanschaffen van andere kleding, gelet op de afspraken van partijen over de verdeling van deze kosten. Dat heeft de man niet gedaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de kosten die de man heeft betaald voor de kleding van de kinderen, af.
4.58.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat de vrouw op basis van de afspraken uit de procedure van voorlopige voorzieningen gehouden is de kosten van de kinderopvang van [de zoon] te betalen. Deze zijn door de man begroot op in totaal € 407,75, vermeerderd met
€ 81,55 per maand vanaf maart 2026. De rechtbank zal het verzoek van de man in zoverre toewijzen en bepalen dat de vrouw, uit hoofde van de vordering die de man heeft uit hoofde van de afspraken gemaakt in de procedure voorlopige voorzieningen, aan de man dient te voldoen een bedrag van € 407,75 te vermeerderen met € 81,55 per maand vanaf de maand maart 2026 tot de datum van deze beschikking. Vanaf dat moment is de man verantwoordelijk voor de verblijfsoverstijgende kosten van [de zoon] en hij de kosten van kinderopvang voor [de zoon] voor zijn rekening dient te nemen. Kosten voor de opvang van [de dochter] zullen vanaf de datum van de beschikking niet langer voor rekening van de man komen, omdat de vrouw vanaf dat moment verantwoordelijk is voor de verblijfsoverstijgende kosten van [de dochter] . De vordering van de man bedraagt dan in totaal
€ 407,75 + ( 3 x € 81,55 ) = € 652,40. De rechtbank zal het verzoek voor vergoeding van de wettelijke rente afwijzen omdat over en weer vorderingen zijn toegewezen of nog worden toegewezen (waaronder de verdeling van de echtelijke woning).
Vordering van de man voor de kosten van het taxatierapport
4.59.
De rechtbank wijst het verzoek om te bepalen dat de vrouw de helft van de kosten van het taxatierapport moet betalen, af. Gebleken is dat ieder van partijen zelfstandig een makelaar heeft benaderd om de woning te taxeren. Dat partijen in een eerder stadium zouden hebben afgesproken om een gezamenlijke taxatieopdracht te verstrekken aan [taxateur] , zoals de man heeft aangevoerd, is door de vrouw betwist. In het taxatierapport dat namens de man is overgelegd wordt ook alleen de man als opdrachtgever genoemd. De vrouw heeft vervolgens taxateur [taxateur] benaderd en dat taxatierapport ingebracht in deze procedure. De rechtbank vindt het daarom redelijk dat ieder de kosten van de ‘eigen’ taxateur betaalt.
Vordering van de man over de hypotheekrente(aftrek)
4.60.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij onderling een regeling zullen treffen in die zin dat de hypotheekrenteaftrek van de woning voor het jaar 2026 (en zo nodig 2027) toe zal komen aan de man. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.
Gebruiksvergoeding
4.61.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om een gebruiksvergoeding van € 400 per maand af. Gebleken is immers dat de man al feitelijk alle gebruikslasten van de woning voldoet. Dat nog niet kan worden overgegaan tot verdeling van de woning en de vrouw daardoor op dit moment geen gebruik kan maken van haar aandeel in de overwaarde van de woning, kan gelet op de uitvoerige discussie tussen partijen over de waardebepaling van de woning niet enkel aan de man worden verweten. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk om enkel op deze grond te bepalen dat de man een gebruiksvergoeding aan de vrouw moet betalen. Nu de rechtbank het verzoek over de gebruiksvergoeding afwijst, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek van de man op dit punt.
4.62.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om te verstaan dat de man de maandelijkse verplichtingen uit hoofde van de hypothecaire geldlening blijft betalen, toewijzen. De man doet dit al en is bereid dit te blijven doen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.63.
De rechtbank zal, voor zover mogelijk, de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat partijen daaraan al uitvoering moeten geven, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat de ontbinding van het huwelijk pas tot stand komt op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij de gemeente.
Proceskosten
4.64.
Omdat de rechtbank de beslissing op een deel van de verzoeken zal aanhouden en dus nog geen eindbeslissing zal nemen, zal de rechtbank iedere verdere beslissing over de proceskosten eveneens aanhouden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] te [plaatsnaam] , gemeente Voorst;
5.2.
stelt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige
[naam zoon], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , vast bij de man;
5.3.
stelt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige
[naam dochter], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , vast bij de vrouw;
5.4.
stelt als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast dat [de zoon] en [de dochter] :
o in de oneven weken vanaf maandag tot woensdagochtend bij de man verblijven, waarbij de vrouw op maandagochtend tussen 8:00 en 9:00 uur eerst [de zoon] naar school brengt en daarna [de dochter] bij de man brengt en de man op woensdagochtend tussen 8:00 en 9:00 uur eerst [de zoon] naar school brengt en daarna [de dochter] bij de vrouw brengt;
o [de zoon] en [de dochter] vervolgens tot zaterdagochtend (in de oneven weken) bij de vrouw verblijven;
o [de zoon] en [de dochter] vervolgens van zaterdagochtend (in de oneven weken) tot donderdagochtend (in de even weken) bij de man verblijven, waarbij de vrouw op zaterdagochtendochtend tussen 8:00 en 9:00 uur de kinderen bij de man brengt en de man op donderdagochtend tussen 8:00 en 9:00 uur eerst [de zoon] naar school brengt en daarna [de dochter] bij de vrouw brengt;
o [de zoon] en [de dochter] vervolgens tot maandagochtend (in de oneven weken) bij de vrouw verblijven;
en dat tijdens de vakanties en feestdagen de volgende regeling geldt:
Even jaar:
- Pasen, Pinksteren en overige feestdagen volgens reguliere schema
- Voorjaarsvakantie en herfstvakantie volgens reguliere schema
- Mei vakantie mits twee weken, eerste week moeder, tweede week vader.
Anders volgens reguliere schema
- Zomervakantie (6 weken)
o Eerste week moeder
o Tweede en derde week vader
o Vierde en vijfde week moeder
o Zesde week vader
- Moeder eerste kerstdag
- Vader tweede kerstdag
- Moeder oudejaarsdag
- Vader nieuwjaarsdag
Oneven jaar:
- Pasen, Pinksteren en overige feestdagen volgens reguliere schema
- Voorjaarsvakantie en herfstvakantie volgens reguliere schema
- Mei vakantie mits twee weken, eerste week vader, tweede week moeder.
Anders volgens reguliere schema
- Zomervakantie (6 weken)
o Eerste week vader
o Tweede en derde week moeder
o Vierde en vijfde week vader
o Zesde week moeder
- Vader eerste kerstdag
- Moeder tweede kerstdag
- Vader oudejaarsdag
- Moeder nieuwjaarsdag
- Overige kerstvakantiedagen volgens reguliere schema of in overleg.
Op Vaderdag zijn de kinderen bij vader. Op Moederdag zijn de kinderen bij moeder.
Op de verjaardag van een ouder zijn de kinderen bij de betreffende ouder, inclusief de nacht ervoor en de nacht erna;
5.5.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking € 223 per maand aan de vrouw moet betalen voor [de dochter] en dat de vrouw een bedrag van € 22 per maand aan de man moet betalen voor [de zoon] ;
5.6.
stelt vast dat partijen de volgende afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen:
5.6.1.
het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] zal worden toegedeeld aan de man, zonder verrekening met de vrouw. De man zal deze rekening voortzetten;
5.6.2.
partijen zullen er hun medewerking aan verlenen dat de hypotheekrenteaftrek van de woning voor het jaar 2026 (en zo nodig 2027) zal toekomen aan de man;
5.7.
stelt vast dat ieder van partijen één van de honden toegedeeld krijgt, in onderling overleg nader te bepalen. Indien partijen hier niet uitkomen, zal [hond 2] worden toegedeeld aan de man en [hond 1] worden toegedeeld aan de vrouw;
5.8.
veroordeelt de man om, voor zover hij het kentekenbewijs van de motor van de vrouw (kenteken [kentekennummer] ) in zijn bezit heeft, dit kentekenbewijs binnen twee dagen na de datum van de beschikking aan de vrouw af te geven;
5.9.
verstaat dat de man de maandelijkse verplichtingen uit hoofde van hypothecaire geldlening betaalt;
5.10.
bepaalt dat de vrouw € 3.000 aan de man moet betalen als vergoeding voor de door de man uit privévermogen betaalde kosten voor de aanschaf van de keuken;
5.11.
bepaalt dat de man, binnen twee weken na de datum van deze beschikking, een bedrag van € 187 aan de vrouw dient te vergoeden ter zake van te veel ontvangen kindgebondenbudget in 2022;
5.12.
bepaalt dat de man € 225,85 aan de vrouw dient te vergoeden ter zake van de door de vrouw betaalde kosten van de honden;
5.13.
bepaalt dat de vrouw, uit hoofde van de kosten die de man heeft betaald voor de kinderopvang van [de zoon] en [de dochter] , aan de man dient te voldoen een bedrag van
€ 652,40;
5.14.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
5.15.
wijst af wat meer of anders is verzocht, voor zover de beslissing daarover niet wordt aangehouden;
5.16.
houdt iedere verdere beslissing over de verdeling van de woning van partijen en de proceskosten aan en verzoekt partijen
uiterlijk vier weken na de datum van deze beschikkingde rechtbank te berichten over de uitkomst van deze onderhandelingen en de gewenste voortgang van de procedure.
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.D. van der Kooij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
[ Bijlages 1 t/m 4 zijn verwijderd ter anonimisatie.]

Voetnoten

1.Artikel 1:397, lid 2 BW.
2.Bijlage 1: draagkracht van de man.
3.Bijlage 2: draagkracht van de vrouw.
4.Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7644.
5.Rechtbank Rotterdam 29 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3244.
6.Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9769.
7.Bijlage 3: NBI van de man over 2018, 2019, 2020 en 2021.
8.Zie productie 36 van de man: in 2019 € 9.504 (€ 443 + € 4.702 voor Vattenfall + € 4.358 privé overig), in 2020 € 11.570 (€ 189 + € 7.976 voor Vattenfall + € 3.404 voor privé overig) en in 2021 € 12.703 ( € 45 + € 9.942 voor Vattenfall + € 2.716 voor privé overig).
9.In 2018 (€ 35.537 + 11.260 =) € 46.797, in 2019 (€ 35.908 + € 11.260 =) € 47.168, in 2020 (€ 50.291 + € 11.260 =) € 61.551 en in 2021 (€ 36.062 + € 11.260 =) € 47.322.
10.Bijlage 4: NBI van de man over 2022, 2023 en 2024.
11.Zie productie 36 van de man: in 2022 € 11.493 (€ 332,50 + € 9.309 voor Vattenfall + € 1.851 privé overig), in 2023 € 13.556 (€ 247,50 + € 11.395 voor Vattenfall + € 1.913 voor privé overig) en in 2024 tot 31 maart € 3.256 ( € 405 + € 2.363 voor Vattenfall + € 487 voor privé overig). Geëxtrapoleerd naar een heel jaar bedraagt de bijdrage van de man € 13.022.
12.In 2022 (€ 51.496 + 12.700 =) € 64.196, in 2023 (€ 46.471 + € 12.700 =) € 59.171, en tot 31 maart 2024 ((€ 10.489 x 4) + € 12.700 =) € 54.656.