Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4477

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2629
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter onbevoegd bij gedoogbesluit tijdelijke daklozenopvang

De gemeente Nijmegen heeft een gedoogbesluit genomen voor de realisatie van een tijdelijke daklozenopvang met 35 woonunits, uitbreidbaar tot 70 personen, op een locatie in een park. Verzoekers zijn het niet eens met dit gedoogbesluit en hebben bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter overweegt dat een gedoogbesluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat er in beginsel geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen kunnen worden ingezet. Slechts in uitzonderlijke situaties kan een gedoogbesluit met een besluit worden gelijkgesteld omwille van rechtsbescherming, maar naar het voorlopig oordeel is hier geen sprake van een dergelijke uitzonderingssituatie.

De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekers een handhavingsverzoek kunnen indienen bij de gemeente, ook met een verkorte beslistermijn, en dat dit een passende weg is om rechtsbescherming te verkrijgen. De situatie is niet vergelijkbaar met eerdere rechtspraak waarin zwaarwegende belangen speelden, zoals het risico op hechtenis.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen en wijst het verzoek af zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het gedoogbesluit af.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2629

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] uit [plaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. C.J.H. Delissen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de locatie in het [naam park] in [plaats] waar een daklozenopvang zal komen. Het college heeft op 12 mei 2026 een gedoogbesluit genomen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is doet hij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij niet bevoegd is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De gemeente Nijmegen wil op een locatie in het [naam park] in [plaats], aan de [locatie], een extra (tijdelijke) opvangcapaciteit voor daklozen realiseren. Naar aanleiding van het raadsamendement van 12 november 2025 “Iedereen van straat, niemand dakloos” is de gemeente Nijmegen op zoek gegaan naar een geschikte locatie voor het realiseren van een Tijdelijke Daklozen Opvang (TDO) voor de duur van twee jaar. Als locatie voor de TDO is gekozen voor het terrein gelegen aan de [locatie]. De TDO zal - onder meer - bestaan uit 35 woonunits, waarin per unit één persoon wordt opgevangen. Het aantal op te vangen personen zou in de winterperiode kunnen worden uitgebreid naar twee personen per unit (maximaal 70 personen). Op de locatie zullen bijbehorende voorzieningen worden gerealiseerd (zoals parkeerplaatsen, in- en uitrit, fietsrekken, lichtmasten, recreatieruimte, cameramasten, visitatieruimte, personeelsruimte, opslag- en spreekkamers, keukens en hekwerken). De opening van de locatie is beoogd op 6 juli 2026.
2.1.
Het college heeft op 12 mei 2026 een gedoogbesluit genomen, omdat er op dat moment nog geen aanvraag voor een omgevingsvergunning (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) was ingediend en op 15 mei 2026 zou worden gestart met de (bouw)werkzaamheden. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stukken dat op 13 mei 2026 een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend en dat op 15 mei 2026 de werkzaamheden daadwerkelijk zijn gestart.
2.2.
Verzoeker is het niet eens met dit besluit en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij stelt dat een gedoogbesluit weliswaar geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat zich dringende redenen van rechtsbescherming kunnen voordoen waarbij een gedoogbesluit voor wat betreft de toegang tot de bestuursrechter toch met een Awb-besluit gelijk moet worden gesteld. Verzoeker stelt dat hier sprake is van zo’n uitzondering. De werkzaamheden die op diverse aspecten in strijd zijn met wet- en regelgeving, zijn reeds aangevangen. Naast de huidige strijdigheden heeft het uiteindelijke gebruik een grote impact op de omgeving. Uit de berichtgeving van de gemeente Nijmegen volgt verder dat het beoogde gebruik van de locatie voor de opvang zal aanvangen voordat (vermoedelijk) beslist is op de aanvraag. Afwachten tot de locatie al enige tijd in gebruik is, is daarom geen reële vorm van rechtsbescherming die door verzoeker kan worden afgewacht. Er is daarom sprake van een zeer uitzonderlijke situatie waarbij het gedoogbesluit voor bezwaar en eventueel beroep dient te worden opengesteld en gelijktijdig een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan worden ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Zoals verzoekers ook erkennen is een gedoogbesluit geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb en kan daar in beginsel ook niet mee worden gelijkgesteld. Dit betekent dat tegen een gedoogbeslissing geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Met een gedoogbeslissing neemt het bestuursorgaan immers nog geen (definitief) standpunt in over de vraag of, hoe en wanneer handhavend zal worden opgetreden. In het bijzonder neemt het bestuursorgaan geen (definitief) standpunt in over de verhouding tussen de belangen van derden ten aanzien van de (vermeende) overtreding en de belangen van de (vermeende) overtreder.
2.4.
Slechts in uitzonderlijke situaties wordt een gedoogbesluit omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. Dit volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2019. [1] Van die uitzonderlijke situatie is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd, thans geen sprake. Het is in dit geval geen onevenredig bezwarende weg voor verzoeker om een handhavingsverzoek (eventueel met een verkorte beslistermijn) bij de gemeente Nijmegen in te dienen, waarop nog voor de ingebruikname van de opvang zou kunnen worden beslist. Ook voor wat betreft de nu plaatsvindende werkzaamheden kan een dergelijk verzoek worden ingediend. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011 [2] maakt dit niet anders. Daar was sprake van de intrekking van een gedoogverklaring van een coffeeshop, terwijl aan de eigenaar een voorwaardelijke gevangenisstraf was opgelegd.
Het uitlokken van een handhavingsbesluit door het voortzetten van de exploitatie zou voor de eigenaar betekenen dat hij een voorwaarde verbonden aan de gevangenisstraf zou overtreden en dus een risico zou lopen op hechtenis. Van dergelijke zwaarwegende belangen om een handhavingsprocedure niet af te hoeven wachten is in dit geval echter geen sprake.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.