Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In het bijzonder is in geschil of de inspecteur in 2016 en 2017 uitdelingen van winst in aanmerking kon nemen. Voor 2016 is ook in geschil of sprake is van een nieuw feit.
12. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is geweest van bewustheid bij zowel belanghebbende als bij de vennootschap dat belanghebbende teveel geld bij de vennootschap zou hebben geleend. Ook stelt belanghebbende dat de bedragen het vermogen van de vennootschap niet blijvend hebben verlaten.
13. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat het door de inspecteur als bovenmatig gekwalificeerde deel van de schuld reeds in 2010 het vermogen van de vennootschap blijvend heeft verlaten. In dat jaar is de schuld aan de vennootschap immers toegenomen van € 29.728 tot € 979.201. Daarom had de inspecteur volgens belanghebbende dat deel van de schuld van belanghebbende aan de vennootschap reeds in 2010 als winstuitdeling in aanmerking moeten nemen. De bij het opleggen van de navorderingsaanslag 2016 en de aanslagregeling inkomstenbelasting 2017 toegepaste correcties van het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn dus in de verkeerde jaren toegepast en moeten om die reden vervallen, aldus nog steeds belanghebbende.
14. Verder stelt belanghebbende dat een gespreide correctie over meerdere jaren, zoals in dit geval, had moeten worden geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst. Dat is niet gebeurd, waardoor belanghebbende niet gehouden was om enige correctie in zijn aangifte toe te passen.
15. De inspecteur heeft gesteld dat de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder onzakelijk hoog was en dat een willekeurige derde/schuldeiser een dergelijke financiële verhouding niet op die manier zou accepteren. De geleende gelden hebben de vennootschap bij het aangaan van de lening niet blijvend verlaten, aldus de inspecteur.
16. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
17. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten.Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.
18. In zijn arrest van 13 januari 2023(het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen:
“(…)
3.4.2
Geldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.5
3.4.3
Ook na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.6
3.4.4
Indien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn.7 Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.8
3.4.5
De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.
(…)
(…)”
19. Voor wat betreft de aanslag IB/PVV over het jaar 2016 is een navorderingsaanslag opgelegd. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of sprake is van een onttrekking en uitdeling van winst in 2016 en/of in 2017.
Is sprake van een onttrekking?
20. De bewijslast dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen in de zin van het arrest, rust op de inspecteur.
21. Uit rechtsoverweging 3.4.2 van het hiervoor geciteerde arrest volgt dat ten eerste dient te worden beoordeeld of op het moment van het aangaan van de lening vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. De rechtbank hoeft deze vraag in deze zaken niet te beantwoorden, omdat de geldleningen zijn aangegaan in 2010 en in deze procedure uitsluitend de aanslagen IB/PVV over de jaren 2016 en 2017 aan de orde zijn.
22. Gelet op rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de inspecteur gestelde bedragen het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen.
23. De inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat er middels hetgeen in de brief van 15 maart 2017 (zie punt 6.) door de inspecteur is geschreven, weliswaar geen afspraken met belanghebbende zijn gemaakt om de geldlening naar zakelijke verhoudingen terug te brengen, maar dat belanghebbende door geen bezwaar te maken tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015, deze ‘verzakelijking’ van de leningen heeft geaccepteerd.
24. Belanghebbende heeft betwist dat afspraken zouden zijn gemaakt over ‘verzakelijking’ van de leningen. Uit het feit dat geen bezwaar is gemaakt tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015 kan volgens belanghebbende niet worden geconcludeerd dat belanghebbende zich ook voor 2016 en 2017 kon vinden in die voorgestelde correcties.
25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. De inspecteur heeft ter onderbouwing daarvan slechts verwezen naar de hiervoor onder punt 6 genoemde brief van 15 maart 2017. Ter zitting heeft de inspecteur ook erkend dat hij zijn stellingen daarover niet nader kan onderbouwen, anders dan door te verwijzen naar die brief. De rechtbank is van oordeel dat die verwijzing onvoldoende is. Dat belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 kennelijk heeft berust in de correcties voor wat betreft die jaren, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft bovendien ter zitting verklaard dat geen sprake is van het (formeel) prijsgeven van de rechten door de vennootschap in 2016 en 2017.
26. De inspecteur heeft verder gesteld dat van prijsgeven ook in materieel opzicht sprake kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven hoe het arrest op dit punt moet worden uitgelegd. Ook als de Hoge Raad met de term prijsgeven in het arrest het prijsgeven in materieel opzicht zou hebben bedoeld, heeft de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.
27. Nu niet is komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de vennootschap in 2016 of 2017 definitief hebben verlaten doordat deze haar rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de vennootschappelijke betrekkingen, is in die jaren geen sprake van een onttrekking en daarmee dus ook niet van een winstuitdeling.
28. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur ter zake van de jaren 2016 en 2017 ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende en de partner. De overige stellingen van belanghebbende behoeven hierdoor geen bespreking meer. De vraag of sprake is van een nieuw feit kan daardoor in het midden blijven.
29. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.