ECLI:NL:RBGEL:2026:4510

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/05/449496
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Brussel II-terArt. 7 Brussel II-terArt. 10:56 BWArt. 1:84 BWArt. 3:169 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en complexe zorgregeling bij grensoverschrijdend gezin

De rechtbank Gelderland heeft op 5 juni 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die gehuwd waren sinds [huwelijksdatum]. Hoewel de man en kinderen in Duitsland wonen, is de Nederlandse rechter bevoegd vanwege de nauwe verbondenheid met Nederland. De zorgregeling voor [kind 2] wordt voorlopig voortgezet, terwijl de zorgregeling voor [kind 1] wordt aangehouden vanwege weerstand en complexe gezinsproblematiek.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af om vervangende toestemming te verlenen voor hulpverlening, omdat de regie bij Buurtplein ligt en er onvoldoende aanleiding is om in te grijpen. De rechtbank verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te doen naar een passende zorgregeling en contactherstel.

De verdeling van de huwelijkse goederen, waaronder de woning in Duitsland en de camper, wordt geregeld. De woning moet binnen een week worden aangeboden voor verkoop, waarbij de man moet meewerken onder dwangsom. De man moet de vrouw een bedrag betalen uit de verkoopopbrengst van de camper en een gebruiksvergoeding voor de woning. Alimentatieafspraken zijn gemaakt, waarbij de vrouw kinderalimentatie aan de man betaalt en partneralimentatieverzoeken van de man worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, voorlopige zorgregeling vastgesteld, diverse vergoedingsvorderingen afgewezen, woning verkoop geregeld met dwangsom, alimentatieafspraken vastgelegd en nader onderzoek naar zorgregeling aangevraagd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/449496 / FZ RK 25-716 (echtscheiding)
C/05/457770 / FZ RK 25-2497 (afwikkeling huwelijksgoederenregime)
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.J.G. van den Boom uit Nijmegen (voorheen mr. H.A.M. Ritsma-Hartman uit Nijmegen),
en
[naam man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] , Duitsland,
advocaat mr. C.W.J. de Bont uit Doetinchem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 28 maart 2025;
  • het betekeningsexploot van 4 april 2025;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man, met bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, tevens aanvulling van de verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
  • het bericht van mr. Ritsma-Hartman, met bijlage, ontvangen op 6 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de man op de aanvullende verzoeken van de vrouw en een brief van mr. De Bont, met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026;
  • de brief van mr. Van den Boom, met bijlagen, tevens houdende aanvullende verzoeken van de vrouw, ontvangen op 30 maart 2026;
  • het journaalbericht van mr. De Bont, met bijlage, ontvangen op 1 april 2026;
  • het journaalbericht van mr. Van den Boom, met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
  • de brief van mr. Van den Boom, met bijlage, ontvangen op 7 april 2026;
  • de brief van mr. De Bont, ontvangen op 8 april 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren beide partijen aanwezig met hun advocaten. De rechtbank had ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. De Raad heeft echter voorafgaand aan de zitting van 9 april 2026 de rechtbank bericht dat vanwege capaciteitsproblemen geen zittingsvertegenwoordiger van de Raad aanwezig kan zijn bij de zitting.
1.3.
De rechtbank heeft [kind 1] en [kind 2] naar hun mening gevraagd over de verzoeken. Tijdens de zitting van 9 april 2026 is gebleken dat [kind 1] en [kind 2] de brief van de rechtbank pas kort voor de zitting hadden ontvangen. De rechtbank heeft daarom een verlengde termijn verleend voor [kind 1] en [kind 2] om te kunnen reageren op de brief, tot uiterlijk één week na de zitting van 9 april 2026. [kind 1] en [kind 2] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hun mening te geven.

2.Wat vaststaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] .
2.2.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [kind 1] ,
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [kind 2] .
2.4.
Tussen partijen geldt een beschikking voorlopige voorzieningen van 16 april 2025. Hierin heeft deze rechtbank een zorgregeling voor [kind 2] vastgesteld, die inhoudt dat [kind 2] de ene week van maandagochtend uit school tot de maandagochtend in de daaropvolgende week naar school bij de vrouw verblijft en de andere week van maandagochtend uit school tot de maandag daarop naar school bij de man verblijft, en ook dat [kind 2] gedurende de ene helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vrouw verblijft en gedurende de andere helft bij de man. Voor [kind 1] is geen zorgregeling vastgesteld. De verzoeken over het treffen van voorlopige voorzieningen zijn gevoegd behandeld met het verzoek van de vrouw om een bijzondere curator te benoemen (bekend onder zaaknummer: C/05/449512 /FZ RK 25-718). De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling dat verzoek ingetrokken.
2.5.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2025 de verzoeken van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor (kort samengevat) het voortzetten en aanvullen (met specialistische systemische begeleiding van het gezin) van de ingezette hulpverlening voor de kinderen en dat de bij de kinderen betrokken hulpverleners elkaar rechtstreeks mogen consulteren en met elkaar mogen afstemmen, afgewezen.

3.Wat ligt voor?

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen, die op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
II. te bepalen dat de echtelijke woning, inclusief de zich daarin bevindende Bulthaupt keuken en Gaggenau keukenapparatuur, aan [adres] te [plaatsnaam] (Duitsland) verkocht moet worden;
III. de vrouw te machtigen om tot verkoop van de echtelijke woning over te gaan inhoudende:
o het ook namens de man geven van de opdracht tot verkoopbemiddeling van de woning aan makelaar [makelaar] van [makelaardij] te [plaatsnaam] ;
o de vrouw te machtigen om ook namens de man de verkoopovereenkomst met derden, die zich daartoe als kopers willen verplichten, te ondertekenen;
o de vrouw te machtigen om de woning te leveren bij notariële akte aan degene met wie de koopovereenkomst zal worden gesloten;
IV. de man te veroordelen om op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200 per dag dat de man hiermee in gebreke blijft, zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning en al datgene te doen wat door de makelaar wordt geadviseerd ter stimulering van de verkoop en de hoogst mogelijke verkoopopbrengst;
V. te bepalen dat met ingang van 1 juli 2025 de hypotheekrente bij de VR Bank voor rekening van de man komt;
VI. de man te veroordelen om aan de vrouw binnen 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking een bedrag van € 33.450 zijnde de helft van de vraagprijs van de camper te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
VII. vast te stellen dat de vrouw een vordering ter grootte van € 13.418,96 heeft op de man op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de akte huwelijkse voorwaarden en de man te veroordelen om dit bedrag binnen 14 dagen na de in deze te wijzen beschikking aan de vrouw te betalen;
VIII. vast te stellen dat de vrouw een vordering op de man heeft op grond van artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden jo. artikel 1:84 lid 4 BW Pro en de eisen van redelijkheid en billijkheid ter grootte van € 32.500 vermeerderd met 1,5 % rente vanaf 26 september 2020 over € 7.500, en over € 5.000 vanaf 14 juni 2021, over € 10.000 vanaf 29 november 2021 en over € 10.000 vanaf 24 juli 2023 en de man te veroordelen om dit bedrag aan de vrouw te betalen;
IX. de man te veroordelen om aan de vrouw op grond van artikel 3:169 BW Pro een gebruiksvergoeding te betalen van € 666,66 per maand over de periode vanaf 11 november 2024 tot het moment dat de woning is verkocht en in eigendom is overgedragen;
X. te verklaren voor recht dat de saldi op de spaarrekeningen met rekeningnummers:
o [rekeningnummer] , [rekeningnummer] , en [rekeningnummer] op naam van de minderjarige [kind 1] ,
o [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] op naam van de minderjarige [kind 2] ,
bestemd zijn voor genoemde minderjarigen en dat de ouders deze rekeningen niet zonder toestemming van de andere ouder mogen beheren en daarover mogen beschikken;
XI. de navolgende inboedelgoederen aan de vrouw toe te delen:
o een aantal grote dozen van de baby-/kinderkleding van [kind 1] en [kind 2] ;
o twee mappen met knutselwerkjes/ schoolspullen van de basisschool van [kind 1] en [kind 2] ;
o enkele colberts van de vrouw,
en tevens vast te stellen dat de inboedel nadat de vrouw deze zaken heeft ontvangen verdeeld is en dat iedere partij eigenaar is van de inboedelgoederen die hij/zij ten tijde van de beschikking onder zich heeft en de man te veroordelen om ter zake van de verdeling van de inboedel wegens overbedeling aan de vrouw een bedrag van
€ 5.000 te betalen;
en aanvullend, ten aanzien van de kinderen, te bepalen dat:
I. de zaak zal worden aangehouden wat betreft de invulling van de zorg- en contactregeling van zowel [kind 1] als [kind 2] ;
II. de rechtbank op termijn een nader vast te stellen zorg- en contactregeling zal vaststellen tussen de kinderen en hun ouders, na onderzoek c.q. raadpleging van de betrokken hulpverleningsinstanties c.q. de Raad voor de Kinderbescherming;
III. te bepalen dat de reeds aanwezige hulpverleners onafhankelijk van de toestemming van partijen en/of [kind 1] met elkaar kunnen overleggen en informatie kunnen uitwisselen met als doel de in de ogen van de hulpverlening noodzakelijke hulpverlening voor partijen te kunnen inzetten, en te streven naar een onbelast contact tussen de kinderen en beide ouders.
3.2.
De man verzoekt de verzoeken van de vrouw, behalve het verzoek onder I af te wijzen, en bij wege van zelfstandig verzoek bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. tussen partijen, die zijn gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] , de echtscheiding uit te spreken;
II. vast te stellen als regeling voor de verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [kind 2] de ene week van maandagochtend uit school tot maandagochtend in de daaropvolgende week naar school bij de vrouw verblijft en de andere week van maandagochtend uit school tot de maandag daarop naar school bij de man verblijft alsmede dat [kind 2] gedurende de ene helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vrouw verblijft en gedurende de andere helft bij de man;
III. te bepalen dat de vrouw als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen van partijen een bedrag van € 250 per maand dient te voldoen aan de man;
IV. te bepalen dat de vrouw dient bij te dragen aan de kosten van het levensonderhoud van de man, met ingang van de dag van de formele echtscheidingsdatum, met een bedrag van € 1.200 netto per maand;
V. vast te stellen dat de man, op grond van artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden, een vergoedingsvordering heeft op de vrouw ter waarde van € 3.085;
VI. vast te stellen dat de man, op grond van artikel 7 lid 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden, een vordering heeft op de vrouw ter waarde van € 9.287;
kosten rechtens.

4.De beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Omdat partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het echtscheidingsverzoek rechtsmacht toe. Dit volgt uit artikel 3 van Pro de Verordening 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 over de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter).
4.2.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toepassen op het echtscheidingsverzoek.
Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
4.3.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kinderen hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kinderen zullen delen.
4.4.
De vrouw heeft een ouderschapsplan ingediend, maar dit voldoet niet aan de eisen die de wet stelt omdat dit ouderschapsplan niet door beide partijen is ondertekend. Namens de man is geen ouderschapsplan overgelegd.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ondertekend ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat er sprake is van een complexe situatie. Gebleken is dat er tussen partijen spanningen bestaan en de communicatie moeizaam verloopt. Ook is er sinds november 2024 geen enkel contact meer tussen de vrouw en [kind 1] . Uit eerdere procedures bij de rechtbank is naar voren gekomen dat de situatie tussen partijen in korte tijd geëscaleerd is, er zorgen zijn over de kinderen en dat specialistische systemische hulpverlening nodig is. Hoewel er inmiddels verschillende hulpverleners betrokken zijn (geweest) en er vanuit Buurtplein regie wordt gevoerd, lijken de hulpverleningstrajecten maar moeizaam van de grond te komen en is de situatie tot op heden niet verbeterd.
Inhoudelijk
4.6.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.7.
Op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om een beslissing te nemen over de zorgregeling ten aanzien van [kind 2] . Nu [kind 2] in Nederland staat ingeschreven en het merendeel van de tijd in Nederland verblijft ( [kind 2] verblijft de helft van de tijd bij de vrouw op basis van de huidige zorgregeling, en daarnaast gaat [kind 2] in Nederland naar school en vinden buitenschoolse activiteiten in Nederland plaats) kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van [kind 2] zich in Nederland bevindt.
4.8.
Ten aanzien van [kind 1] kan de rechtbank echter geen rechtsmacht aannemen via artikel 7 Brussel Pro II-ter. [kind 1] staat weliswaar ingeschreven op het adres van de vrouw in Nederland, maar verblijft feitelijk (volledig) bij de man in Duitsland. Haar gewone verblijfplaats bevindt zich dus in Duitsland. Wel is sprake van een nauwe band van [kind 1] met Nederland. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw, die (samen met de man) is belast met de ouderlijke verantwoordelijkheid over [kind 1] , woont in Nederland. [kind 1] gaat net als [kind 2] in Nederland naar school, haar buitenschoolse activiteiten vinden in Nederland plaats en de hulpverlening voor [kind 1] is in Nederland georganiseerd. Tussen partijen is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet in geschil en naar het oordeel van de rechtbank wordt de bevoegdheidsuitoefening gerechtvaardigd door het belang van [kind 1] omdat het in haar belang is dat deze rechtbank zowel voor [kind 2] als voor [kind 1] een beslissing kan nemen. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de (cumulatieve) vereisten van artikel 10 lid 1 Brussel Pro II-ter op grond waarvan de rechtbank rechtsmacht heeft om te beslissen over de zorgregeling ten aanzien van [kind 1] .
4.9.
Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag [1] is het Nederlands recht van toepassing op de verzoeken over de zorgregeling.
Inhoudelijk: raadsonderzoek en voorlopige zorgregeling
4.10.
De man verzoekt ten aanzien van [kind 2] als zorgregeling vast te stellen dat [kind 2] (kort samengevat) de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw, met het wisselmoment op maandag via school en de ene helft van de vakanties en feestdagen doorbrengt bij man en de andere helft bij de vrouw. De man heeft geen verzoek gedaan over een zorgregeling tussen [kind 1] en de vrouw. De vrouw verzoekt de beslissing over de zorgregeling voor de beide kinderen aan te houden en pas een beslissing te nemen nadat de rechtbank de betrokken hulpverlenende instanties heeft geraadpleegd en/of de Raad onderzoek heeft gedaan naar de situatie van partijen.
4.11.
Op basis van de stukken en de toelichting van partijen tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat sprake is van een ingewikkelde en conflictueuze dynamiek tussen partijen, die zijn weerslag heeft op de kinderen. Bij [kind 1] bestaat al langere tijd weerstand tegen het contact met de vrouw. Hoewel [kind 1] inmiddels een hulpverleningstraject volgt bij Praktijk Kramer, lijkt er nog geen enkele ruimte te zijn om het binnen dit traject te hebben over het (herstellen van het) contact tussen [kind 1] en haar moeder. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat de zorgen rondom [kind 2] steeds verder toenemen, ook vanuit school. Zowel de man als de vrouw hebben aangegeven dat [kind 2] zich steeds meer terugtrekt en vrezen dat [kind 2] in een loyaliteitsconflict belandt. [kind 2] is op dit moment namelijk de enige die nog met alle gezinsleden goed contact heeft. Een zorgregeling waarbij een minderjarige de helft van de tijd bij ieder van de ouders verblijft, vraagt van ouders dat zij goed met elkaar communiceren en afspraken maken. Dat lukt partijen op dit moment niet vanwege de spanningen en het aanhoudende wantrouwen. Met de vrouw vindt de rechtbank het daarom belangrijk dat onderzocht wordt wat een passende zorgregeling voor [kind 2] is en in hoeverre het risico bestaat dat het welzijn en de ontwikkeling van [kind 2] onder druk worden gezet bij de huidige regeling van co-ouderschap. Daarnaast is naar voren gekomen dat [kind 2] kampt met genderproblematiek, maar dat [kind 2] vanwege de echtscheidingsproblematiek tussen partijen en de spanningen die dit meebrengt op dit moment geen ruimte heeft om toe te komen aan eigen identiteitsontwikkeling. Door [ggz-praktijk] , die eerder betrokken was bij [kind 2] , is aangegeven dat het niet lukt om behandeldoelen op te stellen zolang de echtscheidingsprocedure niet is afgerond. [kind 2] staat inmiddels niet meer open voor een hulpverleningstraject bij [ggz-praktijk] . De rechtbank maakt zich met de vrouw zorgen over deze ontwikkelingen en onderschrijft het belang dat vanuit Buurtplein wordt onderzocht op welke manier dan wel individuele ondersteuning voor [kind 2] kan worden georganiseerd, bijvoorbeeld via een samenwerking tussen een docent van de school van [kind 2] met de specialistische hulpverleners van [ggz-praktijk] of Kind Centraal.
4.12.
De rechtbank constateert dat de gespecialiseerde hulpverlening maar moeizaam van de grond lijkt te komen en er veel discussie bestaat tussen partijen en Buurtplein over de te nemen stappen en wie het voortouw daarin kan nemen. De rechtbank vindt het zorgelijk dat er slechts minimale vooruitgang lijkt te zijn geboekt sinds partijen zich na de beschikking voorlopige voorzieningen in april 2025 hebben aangemeld bij Buurtplein. Daar komt bij dat de rechtbank de indruk krijgt dat partijen niet (geheel) op één lijn zitten over wat er nodig is om de situatie te doorbreken. De vrouw heeft immers aangegeven dat zij vanuit Buurtplein regievoering en initiatief mist, ook na de laatste zitting bij de rechtbank in november 2025. Gelet op de complexiteit van de situatie heeft de vrouw de wens dat Kind Centraal, die meer specialistische kennis heeft, als regievoerder gaat optreden. De man heeft echter aangevoerd dat hoewel de hulpverlening mogelijk wat stroperig loopt, het belangrijk is om de ingezette trajecten via Buurtplein nog wel een kans te geven. Hij heeft voorgesteld om [kind 1] te betrekken bij het ouderschapstraject van partijen bij Kind Centraal (PSO) om mogelijk op die manier een opening te creëren voor het contact met de vrouw. Deze uiteenlopende standpunten van partijen over wat zij en de kinderen nodig hebben en welke stappen gezet moeten worden om de situatie te doorbreken, maken dat de rechtbank zich afvraagt of de situatie mogelijk te complex is voor de hulpverlening in het vrijwillig kader. Het is noodzakelijk dat de komende tijd daadwerkelijk stappen gezet gaan worden en hulpverlening van de grond gaat komen om de situatie te verbeteren.
4.13.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de Raad verzoeken om onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren over de volgende vragen:
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een zorgregeling tussen [kind 2] met haar moeder en de vader?
  • Welke mogelijkheden zijn er voor contactherstel tussen [kind 1] en haar moeder?
  • Zijn er omstandigheden die een zorgregeling c.q. contactherstel belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit het kind en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze omstandigheden op te heffen?
  • Hoe zou een zorgregeling (vorm en frequentie) er in het belang van de kinderen uit moeten zien?
De rechtbank geeft de Raad, indien dat nodig is, de mogelijkheid om het onderzoek uit te breiden met een kinderbeschermingsonderzoek.
4.14.
De rechtbank zal in lijn met het verzoek van de vrouw de definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden voor de duur van zeven maanden,
tot een nader te plannen zitting in de maand januari 2027. Omdat de rechtbank op dit moment geen concrete aanknopingspunten heeft dat de huidige zorgregeling niet langer in het belang van [kind 2] zou zijn en partijen het erover eens zijn dat de regeling doorloopt, zal de rechtbank voor de tussenliggende periode een voorlopige zorgregeling vastleggen gelijk aan de zorgregeling die is bepaald in de beschikking voorlopige voorzieningen, te weten:
  • dat [kind 2] de ene week van maandagochtend uit school tot maandagochtend in de daaropvolgende week naar school bij de vrouw verblijft en de andere week van maandagochtend uit school tot de maandag daarop naar school bij de man verblijft
  • alsmede dat [kind 2] gedurende de ene helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vrouw verblijft en gedurende de andere helft bij de man.
De rechtbank zal geen voorlopige zorgregeling vastleggen tussen [kind 1] en de vrouw. Gelet op de weerstand bij [kind 1] tegen het contact met de vrouw lijkt ook een minimale zorgregeling op dit moment niet haalbaar.
4.15.
De rechtbank benadrukt het belang om de komende maanden de hulpverlening voor zowel de ouders als de kinderen en de regievoering van Buurtteam te continueren. Het is niet in het belang van de ouders, [kind 1] en [kind 2] wanneer de ingezette hulpverleningstrajecten stagneren of wanneer Buurtplein zou wachten met de volgende stap in afwachting van het raadsonderzoek. Dat betekent dat de rechtbank het in ieder geval belangrijk vindt dat uitvoering wordt gegeven aan de actiepunten zoals die staan beschreven in het verslag van Buurtplein naar aanleiding van het eerste afstemmingsoverleg tussen de hulpverleners. Deze actiepunten zien onder meer op het nader onderzoeken van de mogelijkheden om ondersteuning voor [kind 2] in te zetten. Ook vindt de rechtbank het belangrijk dat voor zover er de komende maanden door de betrokken hulpverlening alsnog mogelijkheden worden gezien voor contactherstel tussen [kind 1] en de vrouw in welke vorm dan ook, er ruimte moet zijn om dit te realiseren, ook als het raadsonderzoek nog niet is afgerond. Het vervolg op de beschreven actiepunten en het verdere verloop van de al lopende hulpverleningstrajecten kan door de Raad worden meegenomen in het raadsonderzoek.
Vervangende toestemming voor hulpverlening
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.16.
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.7 en 4.8 heeft overwogen ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank om te beslissen over de zorgregeling, is de rechtbank van oordeel dat zij eveneens bevoegd is om te beslissen over de verzoeken van de vrouw over het verlenen van vervangende toestemming.
4.17.
Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag [2] is het Nederlands recht van toepassing op de verzoeken.
Inhoudelijk
4.18.
De vrouw heeft aangevoerd dat systemische afstemming tussen de verschillende betrokken hulpverleners complex is gebleken. Buurtplein heeft op 17 maart 2026 een (multidisciplinair) overleg georganiseerd en daarbij alle betrokken professionals uitgenodigd. De man maakte echter bezwaar tegen de aanwezigheid van dhr. [hulpverlener] , de persoonlijk hulpverlener van de vrouw, waardoor hij niet aanwezig is geweest bij de inhoudelijke bespreking van de hulpverleningstrajecten voor de kinderen. Doordat de man weigert om toestemming te geven voor het betrekken van alle hulpverleners bij het overleg van Buurtplein, wordt volgens de vrouw de hulpverlening belemmerd in het inzetten van effectieve systemisch afgestemde hulp. Zij verzoekt de rechtbank daarom de bestaande kaders te verduidelijken en daarbij te bepalen dat de reeds aanwezige hulpverleners onafhankelijk van de toestemming van partijen en/of van [kind 1] met elkaar kunnen overleggen en informatie kunnen uitwisselen.
4.19.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een zorgregeling en het contactherstel. Daarbij zal de Raad ook informatie ophalen bij de al betrokken hulpverleners en het verloop van deze trajecten meenemen in het advies over de zorgregeling en het contactherstel. Op dit moment ligt de regievoering bij Buurtplein en in het verslag van 17 maart 2026 zijn concrete actiepunten geformuleerd waarmee Buurtplein, samen met de betrokken hulpverleners, aan de slag moet gaan. De rechtbank hoort dat de vrouw initiatief mist bij Buurtplein en de wens heeft dat Kind Centraal regie gaat voeren. Het is echter niet aan de rechtbank om daar een beslissing over te nemen. De rechtbank beschikt bovendien niet over voldoende informatie om in de plaats van Buurtplein te bepalen welke vormen van hulpverlening ingezet dienen te worden voor de kinderen. Gelet op de concrete actiepunten die door Buurtplein zijn geformuleerd, ziet de rechtbank op dit moment ook geen noodzaak om in afwachting van het raadsonderzoek de kaders van de hulpverlening verder te verduidelijken. Op het moment dat de problematiek binnen het gezin dusdanig complex blijkt dat de (algemene) regievoering van Buurtplein onvoldoende vooruitgang brengt en er meer nodig is, zal de Raad de mogelijkheid hebben om het raadsonderzoek uit te breiden met een kinderbeschermingsonderzoek.
4.20.
De rechtbank heeft de indruk dat het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de reeds aanwezige hulpverleners onafhankelijk van de toestemming van de man en/of [kind 1] met elkaar mogen overleggen, met name ziet op het kunnen betrekken van dhr. [hulpverlener] bij gesprekken over de kinderen. Uit het door de vrouw overgelegde e-mailbericht van de betrokken medewerker van Kind Centraal volgt dat het ook diens voorkeur heeft dat dhr. [hulpverlener] aanwezig is bij de overleggen over de kinderen. Duidelijk is echter dat de vertrouwensrelatie tussen de man en dhr. [hulpverlener] beschadigd is geraakt en de betrokkenheid van dhr. [hulpverlener] spanningen tussen partijen met zich meebrengt. Daarmee bestaat naar het oordeel van de rechtbank het risico dat wanneer dhr. [hulpverlener] wordt betrokken bij overleggen over wat de kinderen nodig hebben, zijn aanwezigheid meer aandacht krijgt en een belangrijker onderwerp van gesprek wordt dan het bespreken van de voortgang van de hulpverleningstrajecten voor de kinderen en wat zij daarin nodig hebben. Dat acht de rechtbank niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] . Het is de rechtbank ook gebleken dat [kind 1] op de hoogte is van de betrokkenheid van dhr. [hulpverlener] en dat zij vreest dat persoonlijke informatie over haar hulpverleningstraject via dhr. [hulpverlener] bij de vrouw terecht komt. Wanneer de rechtbank zou bepalen dat informatie over het hulpverleningstraject van [kind 1] zonder haar toestemming met dhr. [hulpverlener] gedeeld mag worden, zou dat er mogelijk toe kunnen leiden dat er bij [kind 1] weerstand ontstaat tegen de hulpverlening en zij daarmee wil stoppen. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [kind 1] om te kunnen blijven profiteren van hulpverlening zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw dat informatie kan worden uitgewisseld tussen dhr. [hulpverlener] en de hulpverleners van [kind 1] . De rechtbank constateert ook dat uit het verslag van Buurtplein naar aanleiding van het eerste afstemmingsoverleg van 17 maart 2026 (waarbij Kind Centraal, [ggz-praktijk] , Buurtplein en medewerkers van de school van [kind 1] en [kind 2] aanwezig waren) blijkt dat er al wel afstemming en communicatie plaatsvindt tussen de overige betrokken hulpverleners. Het is de rechtbank niet gebleken dat het ontbreken van toestemming voor de betrokkenheid van dhr. [hulpverlener] het traject bij Buurtplein belemmert of maakt dat bepaalde hulpverlening voor de kinderen niet kan worden ingezet of gecontinueerd. De rechtbank onderschrijft net als Kind Centraal het belang van een goede samenwerking tussen alle betrokken hulpverleners, waaronder dhr. [hulpverlener] als persoonlijk hulpverlener van de vrouw, maar ziet op basis van het voorgaande op dit moment geen noodzaak om te bepalen dat de hulpverleners onafhankelijk van de toestemming van de man en/of van [kind 1] informatie met dhr. [hulpverlener] mogen uitwisselen.
Kinderalimentatie
4.21.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over de echtscheiding, heeft zij ook rechtsmacht over de kinderalimentatie als nevenvoorziening. Dit volgt uit artikel 3, sub c van de Alimentatieverordening (Verordening van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen).
4.22.
Partijen hebben tijdens de zitting met elkaar afspraken gemaakt over de kinderalimentatie, inhoudende dat met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
  • de vrouw € 250 per maand aan de man zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] ;
  • de vrouw de aanvrager is van de kinderbijslag voor [kind 1] en [kind 2] en dat zij het gedeelte van de kinderbijslag dat bestemd is voor [kind 1] aan de man zal overboeken;
  • de vrouw de aanvrager is van het kindgebonden budget voor [kind 1] en [kind 2] en dat zij jaarlijks (achteraf) de helft van het kindgebonden budget aan de man zal overboeken op het moment dat zij de definitieve beschikking over het kindgebonden budget heeft ontvangen. Op het moment dat er na de definitieve beschikking een terugvordering van het kindgebonden budget komt, zijn partijen daar ieder voor de helft voor draagplichtig.
De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.23.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over de echtscheiding, heeft zij ook rechtsmacht over de partneralimentatie als nevenvoorziening. Dit volgt uit artikel 3, sub c van de Alimentatieverordening.
4.24.
In artikel 3 van Pro het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007 (hierna: het Alimentatieprotocol) is de hoofdregel voor het toepasselijk recht neergelegd. Hieruit volgt dat de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde leidend is voor het recht dat van toepassing is op het alimentatieverzoek. Nu de man zijn gewone verblijfplaats heeft in Duitsland, dient in beginsel Duits recht te worden toegepast op het verzoek.
4.25.
Met de man is de rechtbank echter van oordeel dat het huwelijk van partijen nauwer is verbonden met Nederland dan met Duitsland en op grond van artikel 5 van Pro het Alimentatieprotocol het Nederlandse recht dient te worden toegepast op het verzoek van de man. Partijen en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit, [kind 2] en [kind 1] gaan in Nederland naar school en de vrouw werkt en exploiteert haar onderneming in Nederland. Ook de man heeft tot 2018 in Nederland gewerkt en ontving daarna inkomen uit de onderneming van de vrouw in Nederland. Partijen waren en zijn ook belastingplichtig in Nederland. Het leven van partijen en hun kinderen speelde zich tijdens de huwelijkse periode voornamelijk af in Nederland. Ook zijn partijen in Nederland gehuwd en hebben zij in de huwelijkse voorwaarden gekozen voor toepassing van het Nederlandse recht op het huwelijksvermogensregime. Deze omstandigheden wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de enkele omstandigheid dat partijen net over de grens in Duitsland woonden en dat de man daar nu nog steeds woont.
huwelijksgerelateerde behoefte
4.26.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de man nodig heeft om zijn kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de man moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de man daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
4.27.
Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. Die hofnorm neemt het gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar met zijn tweeën van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het gezinsinkomen is.
4.28.
De man heeft aangevoerd dat op basis van de inkomensgegevens van partijen over 2024 de huwelijksgerelateerde behoefte kan worden berekend op € 2.891 per maand. Nu de vrouw hier geen inhoudelijk verweer tegen heeft gevoerd, volgt de rechtbank de berekening van de man.
4.29.
Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte in 2026 € 3.221 netto per maand.
behoeftigheid
4.30.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen in hoeverre de man in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en dat bedrag (€ 3.221) te verdienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende aangetoond dat hij hier niet toe in staat zou zijn. De man stelt dat hij in 2018 in overleg met de vrouw is gestopt met werken zodat hij meer thuis kon zijn en de verzorgingstaken voor de kinderen op zich kon nemen. Sindsdien heeft hij niet meer gewerkt. De vrouw heeft echter aangevoerd dat de man sinds 1988 werkzaam was als piloot en een vlieg-carrière van bijna 30 jaar heeft gehad. Na voor verschillende andere maatschappijen te hebben gewerkt, heeft de man van 2003 tot 2018 bij Ryanair gewerkt. Volgens de vrouw moet de man gelet op zijn opleiding en ervaring als piloot in staat worden geacht om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft ook verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat partijen in 2018 er in goed overleg voor gekozen hebben dat de man niet meer zou gaan werken om zich te richten op het huishouden en de kinderen. Volgens de vrouw heeft de man in 2019 nog gesolliciteerd bij TUI. Ook stelt de vrouw dat de man over een behoorlijk vermogen beschikt waarop hij zou kunnen interen, en dat [kind 1] en [kind 2] inmiddels ouder en zelfstandiger zijn geworden en de man steeds minder zorgtaken voor hen op zich hoeft te nemen. Bovendien verblijft [kind 2] de helft van de tijd bij de vrouw. De rechtbank overweegt dat gelet op deze omstandigheden van de man gevergd had mogen worden dat hij onderbouwt waarom het voor hem nog altijd niet mogelijk is om weer eigen inkomen te gaan genereren en daarmee in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft pas voor het eerst ter zitting aangevoerd dat er vanwege zijn leeftijd slechts beperkte mogelijkheden zijn om weer in (vaste) loondienst te gaan werken en dat hij bezig is met het opstarten van een eigen zzp-bedrijf in trainingsfaciliteiten. Het is de rechtbank op geen enkele manier duidelijk geworden welke stappen de man al heeft ondernomen om dit bedrijf op te starten. Informatie over de verdiencapaciteit van de man op het moment dat hij als zzp-er aan de slag gaat ontbreekt. Ook is de rechtbank niet duidelijk of de man op dit moment een WW-uitkering ontvangt, nu zij dienstverband bij de onderneming van de vrouw per 1 januari 2026 is geëindigd. De rechtbank kan daarom de huidige inkomens-/vermogenssituatie van de man onvoldoende beoordelen. De rechtbank beschikt evenmin over informatie in hoeverre de medische problemen en de ziekenhuisopname van de man in 2024 op dit moment nog in de weg staan aan de mogelijkheden van de man om weer aan het werk te gaan. De rechtbank begrijpt dat de man door zijn ziekte zijn medische certificaat is verloren en daarom niet langer als piloot aan het werk kan, maar de man heeft niet nader onderbouwd in hoeverre zijn medische problematiek in de weg staat aan het opstarten van zijn eigen zzp-bedrijf. Gebleken is dat in augustus 2025 de zware medicatie die de man na zijn ontslag uit het ziekenhuis gebruikte, volledig is afgebouwd. Dat wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat de medische situatie van de man is verbeterd ten opzichte van 2024. Dat de lopende echtscheidingsprocedure en de lopende hulpverleningstrajecten voor de kinderen veel tijd en energie van de man vragen is invoelbaar, maar vormt naar het oordeel van de rechtbank evenmin een belemmering voor de man om eigen inkomen te gaan genereren en in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
4.31.
Gelet op het voorgaande beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen in hoeverre de man in staat zou zijn om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de man over de partneralimentatie af.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
4.32.
Partijen hebben op 25 januari 2013 huwelijkse voorwaarden opgesteld.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.33.
De Nederlandse rechter die op grond van de Brussel II-ter Verordening (Verordening (EU) 2019/1111) internationaal bevoegd is om te oordelen over een echtscheiding, is op grond van artikel 5 lid 1 van Pro de Huwelijksvermogensrechtverordening 2019 (HuwVermVo, Verordening (EU) 2016/1103) tevens bevoegd om te beslissen over nevenvoorzieningen betreffende het huwelijksvermogen.
4.34.
In de (slotverklaringen van de) huwelijkse voorwaarden van partijen is bepaald dat ten aanzien van het tussen partijen geldende huwelijksgoederenrecht het Nederlandse recht van toepassing is.
Inhoud huwelijkse voorwaarden
4.35.
In de huwelijkse voorwaarden is, onder meer, het volgende opgenomen:
Artikel 1:
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
Artikel 4:
1. Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking, ongeacht waarvoor het onttrokken bedrag of de onttrokken waarde is aangewend.
[…]
Artikel 6
1. Inkomen
a. Onder inkomen in deze huwelijksvoorwaarden wordt in ieder geval verstaan inkomsten uit arbeid, inkomsten ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, huur- en pachtinkomsten, dividenden, renten, alle overige inkomsten uit vermogen, alsmede winst uit onderneming. […]
b. […]
c. Ingeval een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming als bedoeld in de inkomstenbelastingwetgeving, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst voor onttrekking aan de onderneming in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld.
[…]
Artikel 7
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, […] de kosten van ontwikkeling en ontspanning van de gezinsleden, de premies voor gebruikelijke verzekeringen, de huurprijs voor de echtelijke woning en renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de vakantiewoning, de inboedel en de gezinsauto('s), worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten als bedoeld in artikel 6 lid Pro 1. Ter bestrijding van deze kosten zullen de echtgenoten gehouden zijn ieder jaarlijks zoveel uit hun inkomens bij te dragen als door hen in onderling goedvinden zal worden vastgesteld.
De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot. Het recht het aldus te veel bijgedragene terug te vragen vervalt indien betaling of verrekening niet binnen één jaar na het einde van het desbetreffende jaar heeft plaatsgehad of schriftelijk gevraagd is.
-
Vergoedingsvorderingen op grond van artikel 4 huwelijkse Pro voorwaarden
Vergoedingsvordering van de vrouw
4.36.
De vrouw stelt dat de man op grond van artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden € 32.500 aan de vrouw moet vergoeden. De vrouw heeft eerst in 2020 en daarna in 2021 en 2023 diverse leningen afgesloten bij haar B.V. omdat de inkomens van partijen volgens de vrouw niet toereikend waren om de kosten van de huishouding te kunnen voldoen. De vrouw stelt dat de man zijn vermogen had moeten aanspreken voor de kosten van de huishouding in plaats van dat de vrouw een lening bij haar B.V. aan had moeten gaan. De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw.
4.37.
De rechtbank stelt voorop dat van een vergoedingsrecht op grond van artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden slechts sprake kan zijn wanneer vermogen van de ene partij naar het vermogen van de andere partij overhevelt, zonder dat daar een rechtsgrond aan ten grondslag ligt. Uit de stukken en de toelichting van partijen tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat (een gedeelte van) de lening uit 2020 bij de B.V. van de vrouw is gebruikt om een schuld van de vrouw aan de man af te lossen, te weten haar bijdrage van € 9.400 voor de aanschaf van de camper van partijen. In het privévermogen van de vrouw was dus eerst een schuld aan de man aanwezig, die is komen te vervallen en waarvoor in de plaats een schuld van de vrouw aan haar B.V. is ontstaan, en in het privévermogen van de man was een vordering op de vrouw aanwezig, die is komen te vervallen. Nu aan deze vermogensverschuiving een overeenkomst van geldlening tussen partijen ten grondslag lag, is artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden niet van toepassing. De lening uit 2020 is daarnaast gedeeltelijk gebruikt om het aandeel van de vrouw in de aanschaf van de auto van partijen te voldoen. Er liggen echter geen verzoeken aan de rechtbank voor over deze auto en nu partijen elkaars stellingen over en weer hebben betwist, kan de rechtbank niet vaststellen of de auto privébezit is van één van partijen of een eenvoudige gemeenschap betreft. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen dat op dit punt sprake is geweest van een onttrekking aan het vermogen van de vrouw ten behoeve van de man zoals bedoeld in artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden.
4.38.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij van de leningen (uit 2020, 2021 en 2023) in totaal een bedrag van € 32.500 heeft gebruikt om de kosten van de huishouding van partijen te kunnen voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden echter geen grondslag voor een vergoeding van deze kosten, omdat het voldoen van kosten van de huishouding uit het privévermogen van de vrouw geen investering in het privévermogen van de man oplevert. Dat uit artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen ieder jaarlijks zoveel uit hun inkomens dienen bij te dragen in de kosten van de huishouding als door hen in onderling goedvinden zal worden vastgesteld en deze inkomens volgens de vrouw niet toereikend waren, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat de man zijn privévermogen had moeten aanspreken om de kosten van de huishouding te betalen of dat, doordat de man dat volgens de vrouw niet heeft gedaan en de vrouw daarvoor een lening bij haar B.V. heeft moeten afsluiten, daarmee een vergoedingsrecht van de vrouw op de man is ontstaan. Ook verwijst de rechtbank in dit kader naar het inkomensbegrip in artikel 6 lid 1 onder Pro c van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw lijkt eraan voorbij te gaan dat niet alleen het DGA-salaris van de vrouw, maar ook niet-uitgekeerde winsten (waar de lening bij de B.V. van de vrouw mogelijk uit bestaat) dienen te worden aangemerkt als inkomen om de kosten van de huishouding mee te voldoen.
4.39.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man (op grond van artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden) € 32.500 aan haar moet vergoeden, af.
Vergoedingsvordering van de man
4.40.
De man stelt dat de vrouw in totaal (2.800 + 685 =) € 3.085 moet vergoeden aan de man, omdat de man premies van de ziektekosten- en autoverzekering en de wegenbelasting van de auto heeft betaald. De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man.
4.41.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden geen grondslag voor een vergoeding van deze kosten, omdat verzekeringspremies en kosten voor de auto kosten van de huishouding betreffen. Het voldoen van deze kosten heeft niet geleid tot een verschuiving tussen de vermogens van partijen. De man stelt verder dat de vrouw op grond van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden deze kosten aan hem moet vergoeden. De rechtbank zal deze vordering van de man hierna, gezamenlijk met de overige vergoedingsvorderingen van de man op grond van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden, verder beoordelen.
-
Vergoedingsvorderingen op grond van artikel 7 huwelijkse Pro voorwaarden
Vergoedingsvordering van de vrouw
4.42.
De vrouw stelt dat zij teveel en de man te weinig heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding en de man daarom op grond van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden € 13.418,96 aan haar moet vergoeden. De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw.
4.43.
Uit artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden volgt dat ieder van partijen gehouden is jaarlijks zoveel uit hun inkomens bij te dragen aan de kosten van de huishouding als door hen in onderling goedvinden zal worden vastgesteld. Het is de rechtbank niet gebleken dat partijen hierover (jaarlijks) een (stilzwijgende) afspraak hebben gemaakt. De stelling van de man dat partijen hadden afgesproken dat de vrouw alle kosten van de huishouding zou betalen, nu zij ook de kostwinner van het gezin was, is door de vrouw betwist. Het bestaan van deze afspraak kan volgens de rechtbank ook niet worden vastgesteld op basis van de door de man overgelegde bankafschriften. De man heeft toegelicht dat de vrouw maandelijks een vaste bijdrage op de privérekening van de man stortte als vergoeding voor de kosten van de huishouding die door de man waren ‘voorgeschoten’. De man heeft echter niet nader onderbouwd op welke manier deze maandelijkse bijdrage is berekend en op welke manier de kosten die door de man werden voorgeschoten hierin werden betrokken. Het komt de rechtbank niet logisch voor dat, zoals de man stelt, door middel van een maandelijkse vaste bijdrage van de vrouw steeds alle maandelijkse kosten van de huishouding zouden worden gedekt. Mogelijk werden hiermee wel de maandelijkse vaste lasten (zoals de gebruikelijke verzekeringspremies en kosten voor de auto) gedekt, maar de praktijk leert dat een groot deel van de kosten van de huishouding, waaronder kosten voor boodschappen, per maand fluctueren. Uit de door de man overgelegde bankafschriften (productie 18) leidt de rechtbank af dat de man dergelijke kosten ook van zijn privérekening betaalde, gelet op de transacties bij de Rewe supermarkt of een slijterij. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of deze kosten ook werden gedekt door middel van een maandelijkse vaste bijdrage van de vrouw aan de man. Dit kan, anders dan de man stelt, ook niet worden afgeleid uit de omschrijving bij de maandelijkse storting van de bijdragen van de vrouw op de rekening van de man. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om de door hem gestelde afspraken nader te onderbouwen. Nu de man dit niet heeft gedaan, kan de rechtbank het bestaan van deze afspraak niet vaststellen. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er tussen partijen afspraken bestonden over de bijdrage van de man aan de kosten van de huishouding. De omstandigheid dat de man op papier inkomen ontving uit de B.V. van de vrouw, wat op de gezamenlijke rekening werd gestort en waar vervolgens kosten van de huishouding mee werden betaald, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat de man kennelijk maandelijks volgens afspraak een bijdrage leverde aan de kosten van de huishouding. Tussen partijen staat namelijk niet ter discussie dat dit salaris enkel om fiscale redenen aan de man werd toegekend uit de onderneming van de vrouw, maar dat dit inkomen feitelijk werd gegenereerd door de vrouw. De man heeft ook betwist dat hij uit rendement op zijn beleggingen inkomen genereerde dat aan de kosten van de huishouding besteed werd. De vrouw heeft haar stellingen op dit punt niet nader onderbouwd. Dat de man, zoals de vrouw stelt, vanuit zijn vermogen een bijdrage had moeten leveren aan de kosten van de huishouding, kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit artikel 7 jo Pro. artikel 6 lid 1 van Pro de huwelijkse voorwaarden worden afgeleid. Hierin wordt namelijk enkel gesproken over inkomen, niet over vermogen. Het beroep van de vrouw op artikel 1:84 van Pro het Burgerlijk Wetboek slaagt evenmin, nu de regeling over de verdeling van de kosten van de huishouding uit de huwelijkse voorwaarden voorgaat op de bepaling van regelend recht van artikel 1:84 BW Pro. Ook het beroep van de vrouw op de eisen van de redelijkheid en billijkheid slaagt gelet op het voorgaande niet.
4.44.
Nu partijen elkaars stellingen over het bestaan van afspraken over de bijdragen van ieder van partijen in de kosten van de huishouding over en weer betwisten en niet nader hebben onderbouwd, en informatie over de hoogte van de inkomens van partijen per kalenderjaar en de hoogte van de totale kosten van de huishouding per kalenderjaar ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen hoeveel de vrouw gedurende het huwelijk had moeten bijdragen in de kosten van de huishouding. Daarmee kan dus ook niet worden beoordeeld of de bijdrage van de vrouw over de gehele huwelijkse periode te hoog of te laag is geweest en in hoeverre de man daarvoor een vergoeding aan de vrouw moet betalen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld dat zij al haar inkomen al had besteed aan de kosten van de huishouding en om die reden van de man gevergd kan worden dat hij het meerdere van deze kosten (die in 2024 via de rekening-courant uit de onderneming van de vrouw zijn betaald) voldoet, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat haar inkomen onvoldoende was om alle kosten van de huishouding te kunnen voldoen. Allereerst is de rechtbank niet gebleken dat partijen met elkaar hebben vastgesteld welk gedeelte van de winsten van de onderneming van de vrouw voor onttrekking in aanmerking zou komen en aldus kan worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 6 van Pro de huwelijkse voorwaarden, dat op grond van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden aan de kosten van de huishouding besteed had kunnen worden. Nu de hoogte van dit inkomen niet kan worden vastgesteld, kan ook niet worden beoordeeld of dit inkomen onvoldoende was om de kosten van de huishouding te voldoen. Ook overweegt de rechtbank dat de man betwist dat de kosten die zijn geboekt in de grootboekrekening van de onderneming van de vrouw (overgelegd als productie 22) kosten van de huishouding betreffen. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op deze betwisting ook op de weg van de vrouw had gelegen om bijvoorbeeld met een nadere toelichting op de (beknopte) omschrijvingen bij de transacties in de grootboekrekening, aan te tonen dat zij in totaal een bedrag van € 13.418,96 uit haar onderneming heeft besteed aan de kosten van de huishouding. Dit heeft de vrouw echter niet gedaan. De rechtbank heeft aldus een te beperkt inzicht in de financiële situatie van partijen om vast te kunnen stellen dat het inkomen van de vrouw onvoldoende was om de kosten van de huishouding te voldoen. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen wat de totale kosten van de huishouding zijn geweest en of het inkomen van de vrouw toereikend is geweest om deze kosten te kunnen voldoen.
4.45.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vergoedingsvordering van de vrouw af. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan het (subsidiaire) beroep van de man op het vervalbeding in artikel 7 lid 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden.
Vergoedingsvorderingen van de man
4.46.
De man stelt dat de vrouw op grond van artikel 7 van Pro de huwelijkse voorwaarden € 9.287 moet vergoeden aan de man, bestaande uit de reparatiekosten voor de cv ketel van
€ 415, de door de man betaalde eigenaarslasten van de echtelijke woning van € 1.190 en de te hoge bijdrage van de man in de kosten van de huishouding van € 7.682.
De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man.
4.47.
De rechtbank is van oordeel dat de door de man opgevoerde kosten allemaal kosten van de huishouding zijn als bedoeld in artikel 7 van Pro de huwelijke voorwaarden. Ten aanzien van deze door de man betaalde kosten van de huishouding van in totaal € 9.287 en de door de man betaalde premies van de ziektekosten- en autoverzekering en de wegenbelasting van de auto van in totaal € 3.085 (zie hiervoor onder 4.40) overweegt de rechtbank dat gelet op hetgeen hiervoor onder 4.43 en 4.44 is overwogen, niet kan worden vastgesteld hoeveel ieder van partijen in de kosten van de huishouding had moeten bijdragen. De door de man aangevoerde afspraak dat de vrouw alle kosten van de huishouding betaalde en een vast bedrag op de privérekening van de man stortte ter vergoeding van de vaste lasten die van zijn privérekening werden afgeschreven, kan de rechtbank op basis van de door de man overgelegde stukken niet vaststellen. De man heeft immers niet nader onderbouwd hoe de maandelijkse vaste bijdrage van de vrouw werd berekend. De door de man overgelegde bankafschriften uit productie 18 tonen weliswaar aan dat de vrouw in 2023 een maandelijkse bijdrage voldeed van € 1.032 per maand voor ‘kosten huis/auto/verzekeringen’, maar daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat partijen hadden afgesproken dat de vrouw altijd deze vaste lasten zou vergoeden aan de man. Doordat een nadere specificatie van de vaste lasten in 2023 ontbreekt, kan ook niet worden beoordeeld of deze lasten (gemiddeld) € 1.032 per maand bedroegen. Nu de rechtbank niet kan vaststellen wat de afspraken tussen partijen waren over ieders bijdrage in de kosten van de huishouding en de rechtbank ook geen informatie heeft gekregen over de hoogte van de inkomens van partijen en de hoogte van de kosten, kan de rechtbank ook niet vaststellen dat de man een te hoge bijdrage heeft betaald en daarmee recht zou hebben op een vergoeding van de vrouw. De rechtbank wijst de verzoeken van de man daarom af.
Verdeling eenvoudige gemeenschappen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.48.
De Nederlandse rechter die op grond van de Brussel II-ter Verordening (Verordening (EU) 2019/1111) internationaal bevoegd is om te oordelen over een echtscheiding, is op grond van artikel 5 lid 1 van Pro de Huwelijksvermogensrechtverordening 2019 (HuwVermVo, Verordening (EU) 2016/1103) tevens bevoegd om te beslissen over nevenvoorzieningen betreffende het huwelijksvermogen, ongeacht de plaats van ligging van de vermogensbestanddelen.
4.49.
Op grond van de (slotverklaringen van de) huwelijkse voorwaarden past de rechtbank Nederlands recht toe op de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen.
De echtelijke woning en de daarop rustende hypotheekschuld
4.50.
Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning gelegen aan [adres] [plaatsnaam] in Duitsland. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat zij gezamenlijk een opdracht tot verkoop van de woning zullen geven aan (de Nederlandse makelaar) [makelaardij] in [plaatsnaam] . Zij zijn het er ook over eens dat de woning zal worden verkocht inclusief de keuken en keukenapparatuur en dat de netto verkoopopbrengst, bestaande uit de verkoopprijs minus de stand van de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht en na aftrek van de verkoopkosten, bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw onder II. over de (wijze van) verdeling van de woning in zoverre toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij de opdracht liever niet eerder dan 1 juli 2026 zou willen verlenen. De man heeft hier echter geen concreet verzoek over voorgelegd aan de rechtbank. Voor zover de man heeft bedoeld te verzoeken dat de woning gedurende een (korte) periode onverdeeld gelaten moet worden, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij verdeling van de woning zwaarder weegt dan de door de man aangevoerde omstandigheden dat het verkopen van de woning aan een derde onrust voor de kinderen met zich meebrengt. De rechtbank overweegt hierbij dat het afronden van de echtscheidingsprocedure juist rust en stabiliteit voor de kinderen met zich mee zal brengen en dat het in hun belang is om duidelijkheid te verkrijgen over waar zij, in de tijd dat zij bij de man verblijven, zullen gaan wonen. Ook weegt de rechtbank mee dat voor de man en de kinderen al sinds september 2024 duidelijk is dat partijen gaan scheiden en zij zich dus al langere tijd hebben kunnen voorbereiden dat de woning van partijen verkocht gaat worden. Ook leert de ervaring dat het verkoopproces enkele maanden in beslag zal nemen. Dat betekent dat de man en de kinderen dus niet op stel en sprong uit de woning hoeven te vertrekken. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking een opdracht tot verkoop van de woning dienen te geven aan de makelaar. De rechtbank zal voor het verdere proces van verkoop een ‘spoorboekje’ opnemen in de beschikking.
4.51.
De vrouw heeft de rechtbank verzocht haar te machtigen om tot verkoop van de woning over te gaan, inhoudende het ook namens de man geven van een verkoopopdracht aan de makelaar, het ook namens de man ondertekenen van de verkoopovereenkomst en het ook namens de man leveren van de woning bij notariële akte. De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe als volgt. Het verzoek van de vrouw is gebaseerd op artikel 3:174 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarin is onder meer bepaald dat de rechter een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen kan machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Naar het oordeel van de rechtbank is hier niet gebleken van dergelijke (gewichtige) redenen om de vrouw een machtiging te kunnen verlenen. De noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken, hoe begrijpelijk die noodzaak op zichzelf ook kan zijn, kan niet als een gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW Pro worden beschouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat hoewel de man heeft verzocht het verstrekken van de verkoopopdracht tot 1 juli 2026 uit te stellen, voor zowel de man als de vrouw vaststaat dat de woning uiteindelijk verkocht zal moeten worden aan een derde.
4.52.
Het is de rechtbank echter wel gebleken dat de man de afgelopen periode niet bereid is geweest om mee te werken aan de verkoop van de woning. Door de man is tijdens de zitting ook erkend dat hij in het belang van het behouden van stabiliteit voor de kinderen liever nog niet over wil gaan tot het verkopen van de woning. Zoals hiervoor al is overwogen, is de rechtbank echter niet gebleken van een noodzaak om het verkoopproces van de woning nog verder uit te stellen. Gelet op de aanhoudende weerstand bij de man, die voor de rechtbank ook tijdens de zitting duidelijk naar voren is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om in lijn met het verzoek van de vrouw onder IV. een dwangsom te verbinden aan de medewerking van de man aan de verkoop van de woning, waaronder het verstrekken van een verkoopopdracht aan de makelaar binnen één week na de datum van deze beschikking, en al datgene te doen wat door de makelaar wordt geadviseerd ter stimulering van de verkoop en de hoogst mogelijke verkoopopbrengst. De rechtbank zal de dwangsom bepalen op € 200 per dag dat de man niet meewerkt, met een maximum van € 15.000.
Inboedelgoederen
4.53.
Partijen zijn ieder voor de helft eigenaar van de inboedelgoederen. Gebleken is dat de man geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw over de toedeling van onderstaande inboedelgoederen:
o een aantal grote dozen van de baby-/kinderkleding van [kind 1] en [kind 2] ;
o twee mappen met knutselwerkjes/ schoolspullen van de basisschool van [kind 1] en [kind 2] ;
o enkele colberts van de vrouw.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw in zoverre toe. De man voert ook geen verweer tegen het verzoek van de vrouw over de toedeling van de overige inboedelgoederen. De inboedelgoederen die op dit moment in het bezit zijn van de man, worden toegedeeld aan de man en de inboedelgoederen die de vrouw op dit moment in het bezit zijn van de vrouw worden toegedeeld aan de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man wegens overbedeling € 5.000 aan de vrouw moet betalen af. De rechtbank is van oordeel dat nu de man de stellingen van de vrouw over de totale waarde van de inboedel heeft betwist, het op de weg van de vrouw had gelegen om nader te onderbouwen dat de inboedelgoederen die aan de man worden toegedeeld ten opzichte van de inboedelgoederen die aan haar worden toegedeeld een meerwaarde van in totaal € 10.000 hebben. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Omdat de rechtbank geen informatie heeft gekregen over de (waarde van de) inboedelgoederen zal de rechtbank bepalen dat de toedeling geschiedt zonder nadere verrekening over en weer.
Verkoopopbrengst van de camper
4.54.
Partijen waren ieder voor de helft eigenaar van de camper. De camper is inmiddels verkocht aan een derde. De rechtbank is van oordeel dat de man de helft van de verkoopopbrengst van de camper van € 62.000, na verrekening van de verzekeringspremies, aan de vrouw moet vergoeden. Dat de man een hogere vergoeding aan de vrouw zou moeten betalen omdat de camper voor een vraagprijs van € 66.900 te koop is aangeboden op Marktplaats, volgt de rechtbank niet. Het is immers gebruikelijk dat er bij de verkoop van tweedehands goederen via dergelijke platformen enige onderhandelingsmarge wordt gehanteerd tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke verkoopprijs. Om die reden komt de verkoopprijs van € 62.000 de rechtbank niet onredelijk voor. Dat de man bij de verkoop van de camper in strijd heeft gehandeld met de eisen van redelijkheid en billijkheid (en daarmee de vrouw heeft benadeeld door de camper te verkopen tegen een te lage prijs) is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
4.55.
De rechtbank is met de man van oordeel dat de verzekeringspremies van de camper verrekend mogen worden bij de verdeling van de verkoopopbrengst van de camper. Het was immers in het belang van beide partijen dat de camper tot het moment van verkoop allrisk verzekerd bleef. Deze kosten dienen op grond van artikel 3:172 BW Pro voor rekening van beide partijen te komen en kunnen daarom naar het oordeel van de rechtbank worden verrekend met de verkoopopbrengst van de camper. De vrouw heeft de hoogte van de verzekeringspremies en de berekening van de man dat de man na verrekening nog € 29.248 aan de vrouw moet vergoeden niet betwist. De rechtbank zal daarom in lijn met het standpunt van de man bepalen dat de man nog € 29.248 aan de vrouw moet betalen, te verrekenen bij de notariële overdracht van de woning.
De bankrekeningen van de kinderen
4.56.
De saldi van de bankrekeningen van de kinderen behoren tot het vermogen van de minderjarigen. Op ouders rust op grond van art. 1:253j BW de verplichting het bewind over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders uit te voeren. [3] De saldi van de spaarrekeningen van de kinderen vormen dus geen eenvoudige gemeenschap van partijen. De rechtbank kan om die reden niet beslissen over de verdeling daarvan. Om diezelfde reden kan ook het verzoek van de vrouw om een verklaring voor recht over deze bankrekeningen af te geven niet worden toegewezen.
4.57.
Wel is de rechtbank gebleken dat partijen het eens zijn dat de bankrekeningen bestemd zijn voor de kinderen van partijen en dat partijen deze rekeningen niet zonder toestemming van de andere ouder mogen beheren en daarover mogen beschikken. Hoewel de rechtbank dit niet kan opnemen als verklaring voor recht, gaat de rechtbank er wel vanuit dat partijen zich aan deze (bewinds)afspraak zullen houden.
Gebruiksvergoeding
4.58.
De rechtbank is van oordeel dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een gebruiksvergoeding aan de vrouw moet betalen. Daarbij gaat de rechtbank in redelijkheid uit van een rendement van 2%. Voor het overige volgt de rechtbank de schatting van de vrouw dat de overwaarde van de woning € 400.000 bedraagt, nu dit door de man niet is betwist. Op basis daarvan bedraagt de gebruiksvergoeding € 4.000 per jaar,
€ 333,33 per maand. De rechtbank zal bepalen dat de man deze gebruiksvergoeding moet betalen vanaf de datum van de beschikking tot de datum van de notariële overdracht van de woning. De rechtbank ziet op basis van hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen reden om van een eerdere ingangsdatum uit te gaan.
4.59.
De man heeft in dit kader aangevoerd dat de vrouw, na afloop van de rentevaste periode van de hypotheek, niet heeft willen meewerken aan het vastzetten van de (voordelige) hypotheekrente voor een periode van minimaal één jaar, waardoor de hypotheekrente inmiddels 3% hoger is en de hypotheekrente met ongeveer € 200 per maand is verhoogd. De man heeft geen concrete stellingen ingenomen over wat dit betekent voor de hoogte van de gebruiksvergoeding. Er zijn evenmin concrete verzoeken gedaan over vergoeding of verrekening van deze extra kosten. Ook overweegt de rechtbank dat nu de woning verkocht zal moeten worden, de man naar alle waarschijnlijkheid nog slechts een korte periode deze hogere hypotheekrente zal moeten voldoen. Ook om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de hogere hypotheekrente te betrekken in de berekening van de gebruiksvergoeding.
Hypotheekaflossingen en hypotheekrente bij de VR Bank
4.60.
Partijen hebben tijdens de zitting met elkaar afgesproken dat nu de te verdelen netto verkoopopbrengst van de woning berekend zal worden op basis van de verkoopprijs minus de stand van de hypothecaire geldlening op de datum van de notariële overdracht, de vrouw de helft van de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening in de periode tussen 1 november 2025 en de datum van de notariële overdracht van de woning aan de man zal vergoeden, te verrekenen op het moment van de notariële overdracht van de woning. Ook zijn zij overeengekomen dat de door de vrouw betaalde hypotheekrente over de periode 1 juli 2025 tot 1 november 2025 voor rekening van de man komt. Gelet op het door de vrouw genoten fiscaal voordeel, zal de man 4/12e deel van het totale netto bedrag dat de vrouw in 2025 heeft betaald aan de vrouw vergoeden. Vanaf 1 november 2025 komt de hypotheekrente voor rekening van de man en kan hij gebruik maken van de fiscale voordelen. De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.61.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Proceskosten
4.62.
Omdat de rechtbank de beslissing op een deel van de verzoeken zal aanhouden en dus nog geen eindbeslissing zal nemen, zal de rechtbank iedere verdere beslissing over de proceskosten eveneens aanhouden.

5.De beslissing

5.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in de gemeente [huwelijksgemeente] ;
5.2.
stelt vast als voorlopige regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat:
- [kind 2] de ene week van maandagochtend uit school tot maandagochtend in de daaropvolgende week naar school bij de vrouw verblijft en de andere week van maandagochtend uit school tot de maandag daarop naar school bij de man verblijft;
- [kind 2] gedurende de ene helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vrouw verblijft en gedurende de andere helft bij de man;
5.3.
stelt vast dat partijen ten aanzien van de kinderalimentatie zijn overeengekomen dat met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- de vrouw € 250 per maand aan de man zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] ;
- de vrouw de aanvrager is van de kinderbijslag voor [kind 1] en [kind 2] en dat zij het gedeelte van de kinderbijslag dat bestemd is voor [kind 1] aan de man zal overboeken;
- de vrouw de aanvrager is van het kindgebonden budget voor [kind 1] en [kind 2] en dat zij jaarlijks (achteraf) de helft van het kindgebonden budget aan de man zal overboeken op het moment dat zij de definitieve beschikking over het kindgebonden budget heeft ontvangen. Op het moment dat er na de definitieve beschikking een terugvordering van het kindgebonden budget komt, zijn partijen daar ieder voor de helft voor draagplichtig;
5.4.
gelast de navolgende wijze van verdeling van de echtelijke woning gelegen te [adres] te [plaatsnaam] in Duitsland:
5.4.1.
de woning dient te worden verkocht aan (een) derde(n);
5.4.2.
partijen dienen binnen één week na de datum van deze beschikking een opdracht aan [makelaardij] te [plaatsnaam] te geven tot verkoop van de woning inclusief de zich daarin bevindende Bulthaupt keuken en Gaggenau keukenapparatuur;
5.4.3.
partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
5.4.4.
indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
5.4.5.
partijen zijn gehouden de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;
5.4.6.
de man dient een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;
5.4.7.
de man dient mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning, waaronder het binnen één week na de datum van deze beschikking verstrekken van een verkoopopdracht aan de makelaar, en al datgene te doen wat door de makelaar wordt geadviseerd ter stimulering van de verkoop en de hoogst mogelijke verkoopopbrengst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200 per dag dat de man hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000;
5.4.8.
partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
5.4.9.
als de verkoopprijs (bindend) is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
5.4.10.
na verkoop moet(en) met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
5.4.11.
de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk worden gedragen, ieder voor de helft;
5.5.
stelt de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel vast als volgt:
5.5.1.
aan de vrouw worden toegedeeld:
o een aantal grote dozen van de baby-/kinderkleding van [kind 1] en [kind 2] ;
o twee mappen met knutselwerkjes/ schoolspullen van de basisschool van [kind 1] en [kind 2] ;
o enkele colberts van de vrouw
o de overige inboedelgoederen die op dit moment in het bezit zijn van de vrouw;
zonder nadere verrekening met de man;
5.5.2.
aan de man worden toegedeeld:
o de overige inboedelgoederen die op dit moment in het bezit zijn van de man;
zonder nadere verrekening met de vrouw;
5.6.
veroordeelt de man om een bedrag van € 29.248 aan de vrouw te betalen ter verdeling van de verkoopopbrengst van de camper, binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking;
5.7.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking tot de datum van de notariële overdracht van de woning een gebruiksvergoeding van € 333,33 per maand moet betalen aan de vrouw;
5.8.
stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat:
- de vrouw de helft van de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening in de periode tussen 1 november 2025 en de datum van de notariële overdracht van de woning aan de man zal vergoeden, te verrekenen op het moment van de notariële overdracht van de woning;
- de man over de periode 1 juli 2025 tot 1 november 2025 de door de vrouw betaalde hypotheekrente aan de vrouw zal vergoeden. Gelet op het door de vrouw genoten fiscaal voordeel dient de man 4/12e deel van het netto bedrag dat de vrouw in totaal over 2025 heeft betaald te vergoeden. Vanaf 1 november 2025 komt de hypotheekrente voor rekening van de man en kan hij gebruik maken van de fiscale voordelen;
5.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;
5.10.
wijst af wat meer of anders is verzocht, voor zover de beslissing niet wordt aangehouden;
5.11.
verzoekt de Raad om onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren over de zorgregeling, zoals hiervoor onder 4.13. is overwogen;
5.12.
houdt iedere verdere beslissing over de zorgregeling en de proceskosten aan tot een
nader te plannen zitting in de maand januari 2027 bij mr. C.M. Koopmanwaar partijen en de Raad nog een uitnodiging voor zullen ontvangen, en verzoekt de Raad om het raadsrapport uiterlijk twee weken voor deze nader te plannen zitting aan de rechtbank en partijen toe te sturen.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. V.D. van der Kooij, griffier op 5 juni 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Voetnoten

1.Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 's-Gravenhage, 19 oktober 1996.
2.Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 's-Gravenhage, 19 oktober 1996.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3053.