Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4526

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24/7873
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet BibobArt. 3, eerste lid, aanhef en onder b Wet BibobArt. 3, vijfde lid Wet BibobArt. 3, zesde lid Wet BibobArt. 3, zevende lid Wet Bibob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen intrekking exploitatievergunning op grond van Wet Bibob

Eiseres, een eenmanszaak die een eethuis exploiteert, kreeg in 2021 een exploitatie- en Alcoholwetvergunning. Na signalen van de Arbeidsinspectie en meerdere boetes wegens overtredingen van arbeidswetten en verkoop aan minderjarigen, startte de burgemeester een Bibob-onderzoek. Het Landelijk Bureau Bibob concludeerde dat er een ernstig gevaar bestond dat de vergunning zou worden gebruikt voor strafbare feiten en dat valsheid in geschrift was gepleegd.

De burgemeester trok in maart 2024 de vergunningen in, wat door eiseres werd aangevochten. De voorzieningenrechter schorste gedeeltelijk de intrekking, waarna aanvullend Bibob-advies werd ingewonnen dat het eerdere oordeel bevestigde. De burgemeester handhaafde de intrekking, waarop eiseres beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot intrekking en dat deze maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig was. De ernst en herhaling van de strafbare feiten, waaronder valsheid in geschrift, rechtvaardigen de intrekking. De financiële gevolgen voor eiseres en haar medewerkers wegen niet zwaarder dan het algemeen belang.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de exploitatievergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/7873

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en

de burgemeester van de gemeente Neder-Betuwe

(gemachtigden: mr. J. Heemskerk en M. Koeiman)

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de intrekking van de aan eiseres verleende exploitatievergunning. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning heeft mogen intrekken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat de omvang van het geschil. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 maart 2024 heeft de burgemeester de aan eiseres verleende Alcoholwet- en exploitatievergunning ingetrokken. Met de beslissing op bezwaar van 16 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester deze intrekkingen in stand gelaten.
2.1.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak over de aan eiseres opgelegde boete vanwege overtreding van de Alcoholwet (zaaknummer ARN 25/1414). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan de zaak over?
3. Eiseres staat sinds 1 juni 2020 in het Handelsregister ingeschreven als eenmanszaak van [naam betrokkene] (betrokkene). Die eenmanszaak is een eethuis aan de [locatie] in [plaats] . Voor het uitbaten van dit eethuis is op 22 april 2021 een exploitatievergunning en op 2 juli 2021 een Alcoholwetvergunning verleend.
3.1.
In een begeleidende brief bij de exploitatievergunning voor het eethuis van 22 april 2021 laat de burgemeester weten dat uit het onderzoek in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) verontrustende signalen van de Nederlandse Arbeidsinspectie naar voren zijn gekomen. Zo schrijft de burgemeester dat onder andere is gebleken dat de inspectie voornemens is om een boete van om en nabij €25.500,- euro op te leggen vanwege overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De burgemeester heeft te kennen gegeven dat hij deze boete gaat monitoren en dat hij betrokkene daarom onder verscherpt toezicht stelt, in die zin dat als het boetebesluit definitief wordt of als er zich andere verontrustende signalen voordoen, betrokkene verzocht wordt om mee te werken aan een nieuw Bibob-onderzoek.
3.2.
Bij brief van 25 januari 2023 laat de burgemeester weten dat het vermoeden bestaat dat het boetebesluit van de arbeidsinspectie inmiddels definitief is. De burgemeester verzoekt betrokkene daarom om medewerking te verlenen aan een nieuw Bibob-onderzoek. Op 12 juni 2023 heeft betrokkene het ingevulde Bibob-vragenformulier met de daarbij gevraagde bijlagen overgelegd aan de burgemeester. Omdat de burgemeester op basis van zijn eigen onderzoek en naar aanleiding van de bescheiden en verstrekte informatie vragen heeft over de integriteit van de onderneming en/of de daarbij betrokken relaties, deelt de burgemeester betrokkene bij brief van 28 juni 2023 mee dat hij het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) heeft verzocht om een nader onderzoek in te stellen en daarover een advies uit te brengen.
3.3.
Het LBB heeft op 20 september 2023 advies uitgebracht. De conclusie van het LBB luidt – kort samengevat- dat er:
- een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob (hierna: b-grond);
- feiten en omstandigheden zijn die redelijkerwijs doen vermoeden dat ter behoud van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd, namelijk valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob.
3.4.
Bij brief van 21 december 2023 heeft de burgemeester het voornemen kenbaar gemaakt om de Alcoholwet- en exploitatievergunning van verzoekster in te trekken. Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de burgemeester besloten om definitief tot intrekking van de vergunningen over te gaan. Tegen dat besluit is verzoekster in bezwaar gegaan. Ook heeft zij de voorzieningenrechter hangende bezwaar verzocht om het besluit te schorsen. Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het besluit gedeeltelijk geschorst, namelijk voor zover het besluit betrekking heeft op de intrekking van de exploitatievergunning. De burgemeester had volgens de voorzieningenrechter namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom de intrekking van de exploitatievergunning noodzakelijk was.
3.5.
Op 1 mei 2024 heeft de burgemeester het LBB verzocht om aanvullend advies. Op 18 juni 2024 heeft het LBB een vervangend Bibob-advies uitgebracht. De conclusie in dit advies is ten opzichte van het eerdere advies niet gewijzigd. Uit dat advies is naar voren gekomen dat aan betrokkene redelijk recent, namelijk op 16 februari 2024, wederom een bestuurlijke boete is opgelegd voor het handelen in strijd met de Arbeidstijdenwet. Ook blijkt uit het dossier dat op 21 augustus 2024 aan eiseres een bestuurlijke boete is opgelegd wegens het verkopen van alcohol aan minderjarigen. Voor een vergelijkbare overtreding was al eerder een boete opgelegd. De burgemeester heeft daarop uitgesproken dat hij niet langer het vertrouwen heeft dat eiseres haar gedrag zal aanpassen en heeft, mede op basis van dit nieuwe advies, met het bestreden besluit de intrekkingen in stand gelaten.
3.6.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Omvang van het geschil
4. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat haar beroep enkel ziet op het intrekken van de exploitatievergunning. De intrekking van de Alcoholwetvergunning wordt niet (langer) betwist. De rechtbank zal de beoordeling dan ook beperken tot de vraag of de burgemeester de exploitatievergunning heeft mogen intrekken.
Is de intrekking van de exploitatievergunning onevenredig?
5. Eiseres betwist niet dat sprake is van een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Zij betwist dan ook niet de bevoegdheid van de burgemeester om tot intrekking van de vergunning over te gaan. Eiseres stelt echter dat de intrekking van de exploitatievergunning in haar geval niet evenredig is, omdat de intrekking niet noodzakelijk is en de burgemeester had kunnen en moeten volstaan met een minder vergaande maatregel, bijvoorbeeld een waarschuwing, het verbinden van voorschriften aan de vergunning of een tijdelijke intrekking. Eiseres wijst er hierbij op dat een groot aantal strafbare feiten zich heeft voorgedaan voordat de vergunning is verleend en dat de burgemeester niet heeft gekeken naar de aard en de ernst van de overtredingen. Het enkele feit dat boetes zijn opgelegd vanwege overtreding van de Arbeidstijdenwet en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zegt immers niets over de ernst van de overtredingen. De boete op grond van de Alcoholwet berustte op een rekenfout van een medewerker bij het controleren van de leeftijd van de (minderjarige) koper van alcohol en duidt niet op het bewust overtreden van de regelgeving. Ook is de intrekking volgens eiseres niet evenwichtig. Niet alleen zijn de financiële gevolgen voor eiseres groot (zij heeft het eethuis inmiddels verkocht en overgedragen aan een andere exploitant) maar ook omdat de medewerkers van het eethuis hun inkomen verliezen.
Wijze van beoordelen
6. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de intrekking van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het gaat om een intrekking op de b-grond, de ernst van de strafbare feiten. Hetzelfde geldt voor zover een vergunning wordt ingetrokken op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob. Bij het antwoord op de vraag of de intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob evenredig is, spelen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de intrekking een rol. [1]
7. Naar het oordeel van de rechtbank volgt de geschiktheid van de intrekking als maatregel in beginsel uit de Wet Bibob zelf. De wetgever heeft immers bij het bestaan van een ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, de intrekking van een vergunning in algemene zin een geschikt middel geacht om te voorkomen dat dit gebruik zich herhaalt. Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid geeft de Wet Bibob in beginsel ook het toetsingskader. De wetgever heeft in het kader van de noodzakelijkheid immers onder ogen gezien dat een minder vergaande maatregel kan worden toegepast. De rechtbank wijst daarbij op artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob, dat het mogelijk maakt om voorschriften aan een vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen of te beperken. De vraag of een intrekking noodzakelijk is, ziet onder meer op gevallen waarbij weliswaar sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen, maar waarbij de ernst van de strafbare feiten als zodanig een intrekking niet rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob tenslotte ook besloten dat de evenwichtigheid van de intrekking moet worden getoetst als onderdeel van de beoordeling van de evenredigheid. De wijze waarop die beoordeling moet worden uitgevoerd is gelijk aan de manier waarop dat op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet gebeuren. Daarbij moeten de individuele gevolgen van het besluit worden betrokken. [2]
Is de intrekking noodzakelijk?
8. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de intrekking van de exploitatievergunning in dit geval noodzakelijk was. De rechtbank stelt daarbij voorop dat eiseres niet betwist dat sprake is van een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en dat zij in relatie staat tot die strafbare feiten. Ook heeft eiseres het aantal gepleegde strafbare feiten niet betwist. Voor zover eiseres stelt dat de ernst van de strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen van die feiten een intrekking niet rechtvaardigt, heeft de burgemeester haar hierin niet hoeven volgen. De burgemeester mocht bij de vaststelling van de ernst van de feiten en de mate van gevaar betrekken dat aan eiseres in 2021 een boete is opgelegd vanwege het overtreden van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (een boete van € 18.000), dat aan eiseres in 2021 en 2024 boetes zijn opgelegd vanwege overtredingen van de Arbeidstijdenwet (boete van respectievelijk € 8.437 en € 15.000) en dat de burgemeester zelf aan eiseres meerdere boetes heeft opgelegd vanwege verkoop van alcohol aan minderjarigen. Al deze feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank ernstig en niet te verenigen met de exploitatie van een horeca-inrichting. Het tijdverloop na het plegen van de strafbare feiten speelt, anders dan eiseres veronderstelt, als zodanig geen rol bij de vaststelling van de ernst van de feiten. Het speelt wél een rol bij het vaststellen van de mate van het gevaar maar de burgemeester heeft gelet op het repeterende karakter van de strafbare feiten in dit geval geen reden hoeven te zien voor het oordeel dat het gevaar van misbruik niet langer aanwezig is. Gelet hierop kan eiseres niet worden gevolgd in haar betoog dat de burgemeester een minder vergaande maatregel had kunnen en moeten toepassen.
8.1.
Aan het voorgaande kan worden toegevoegd dat de burgemeester de exploitatievergunning ook heeft ingetrokken op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob. Eiseres heeft valsheid in geschrift gepleegd bij het invullen van de Bibob-formulieren met het oog op het behouden van de vergunning voor het horecabedrijf
.Dit levert op zichzelf genomen reeds een ernstig gevaar op, als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet Bibob. Dat volgt in zekere zin uit artikel 4, eerste lid, van de Wet Bibob. Aan het onjuist invullen van een Bibob-vragenformulier moet naar het oordeel van de rechtbank een zwaar gewicht worden toegekend, zodat ook hieruit de noodzaak tot intrekking voortvloeit.
Is de intrekking evenwichtig?
9. Vraag is vervolgens of de intrekking van de vergunning ook evenwichtig is. Ook als een intrekking een geschikt en noodzakelijk middel is, mag die in het licht van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden niet onredelijk bezwarend zijn. Het is als het ware een weegschaal waarin het algemeen belang dat de burgemeester behartigt aan de ene zijde en de belangen van eiseres aan de andere zijde tegen elkaar worden afgewogen. Als de balans in het voordeel van eiseres uitslaat, kan de burgemeester in redelijkheid niet langer gebruik maken van zijn bevoegdheid om de vergunning in te trekken.
9.1.
De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat de intrekking noodzakelijk is. Daaruit volgt reeds dat de burgemeester een zwaarwegend belang heeft om van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik te maken. Dit betekent dat er heel wat tegenover moet staan om de balans toch in het voordeel van eiseres te doen doorslaan.
Vast staat dat de financiële belangen van eiseres groot zijn. Het intrekken van de vergunning betekent dat zij de exploitatie van haar horecabedrijf moet staken en hieruit geen inkomsten meer kan genereren. Deze gevolgen zijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet zo groot, dat deze niet in verhouding staan tot het met het besluit te dienen doelen. De strafbare feiten zijn over een langere periode gepleegd en zijn ernstig. Bovendien zijn deze gevolgen onlosmakelijk verbonden aan de intrekking. Daarbij geldt dat eiseres haar bedrijf kan verkopen (zoals zij ook heeft gedaan) om de financiële gevolgen te beperken. De burgemeester heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de intrekking van de exploitatievergunning in het concrete geval niet onevenwichtig is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De intrekking van de exploitatievergunning blijft in stand. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie in dit verband de Harderwijk-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.