3.6.Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd. Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
4. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat haar beroep enkel ziet op het intrekken van de exploitatievergunning. De intrekking van de Alcoholwetvergunning wordt niet (langer) betwist. De rechtbank zal de beoordeling dan ook beperken tot de vraag of de burgemeester de exploitatievergunning heeft mogen intrekken.
Is de intrekking van de exploitatievergunning onevenredig?
5. Eiseres betwist niet dat sprake is van een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Zij betwist dan ook niet de bevoegdheid van de burgemeester om tot intrekking van de vergunning over te gaan. Eiseres stelt echter dat de intrekking van de exploitatievergunning in haar geval niet evenredig is, omdat de intrekking niet noodzakelijk is en de burgemeester had kunnen en moeten volstaan met een minder vergaande maatregel, bijvoorbeeld een waarschuwing, het verbinden van voorschriften aan de vergunning of een tijdelijke intrekking. Eiseres wijst er hierbij op dat een groot aantal strafbare feiten zich heeft voorgedaan voordat de vergunning is verleend en dat de burgemeester niet heeft gekeken naar de aard en de ernst van de overtredingen. Het enkele feit dat boetes zijn opgelegd vanwege overtreding van de Arbeidstijdenwet en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag zegt immers niets over de ernst van de overtredingen. De boete op grond van de Alcoholwet berustte op een rekenfout van een medewerker bij het controleren van de leeftijd van de (minderjarige) koper van alcohol en duidt niet op het bewust overtreden van de regelgeving. Ook is de intrekking volgens eiseres niet evenwichtig. Niet alleen zijn de financiële gevolgen voor eiseres groot (zij heeft het eethuis inmiddels verkocht en overgedragen aan een andere exploitant) maar ook omdat de medewerkers van het eethuis hun inkomen verliezen.
6. Artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob bepaalt dat de intrekking van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het gaat om een intrekking op de b-grond, de ernst van de strafbare feiten. Hetzelfde geldt voor zover een vergunning wordt ingetrokken op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob. Bij het antwoord op de vraag of de intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob evenredig is, spelen de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de intrekking een rol.
7. Naar het oordeel van de rechtbank volgt de geschiktheid van de intrekking als maatregel in beginsel uit de Wet Bibob zelf. De wetgever heeft immers bij het bestaan van een ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, de intrekking van een vergunning in algemene zin een geschikt middel geacht om te voorkomen dat dit gebruik zich herhaalt. Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid geeft de Wet Bibob in beginsel ook het toetsingskader. De wetgever heeft in het kader van de noodzakelijkheid immers onder ogen gezien dat een minder vergaande maatregel kan worden toegepast. De rechtbank wijst daarbij op artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob, dat het mogelijk maakt om voorschriften aan een vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen of te beperken. De vraag of een intrekking noodzakelijk is, ziet onder meer op gevallen waarbij weliswaar sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen, maar waarbij de ernst van de strafbare feiten als zodanig een intrekking niet rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob tenslotte ook besloten dat de evenwichtigheid van de intrekking moet worden getoetst als onderdeel van de beoordeling van de evenredigheid. De wijze waarop die beoordeling moet worden uitgevoerd is gelijk aan de manier waarop dat op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet gebeuren. Daarbij moeten de individuele gevolgen van het besluit worden betrokken.
Is de intrekking noodzakelijk?
8. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de intrekking van de exploitatievergunning in dit geval noodzakelijk was. De rechtbank stelt daarbij voorop dat eiseres niet betwist dat sprake is van een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en dat zij in relatie staat tot die strafbare feiten. Ook heeft eiseres het aantal gepleegde strafbare feiten niet betwist. Voor zover eiseres stelt dat de ernst van de strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen van die feiten een intrekking niet rechtvaardigt, heeft de burgemeester haar hierin niet hoeven volgen. De burgemeester mocht bij de vaststelling van de ernst van de feiten en de mate van gevaar betrekken dat aan eiseres in 2021 een boete is opgelegd vanwege het overtreden van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (een boete van € 18.000), dat aan eiseres in 2021 en 2024 boetes zijn opgelegd vanwege overtredingen van de Arbeidstijdenwet (boete van respectievelijk € 8.437 en € 15.000) en dat de burgemeester zelf aan eiseres meerdere boetes heeft opgelegd vanwege verkoop van alcohol aan minderjarigen. Al deze feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank ernstig en niet te verenigen met de exploitatie van een horeca-inrichting. Het tijdverloop na het plegen van de strafbare feiten speelt, anders dan eiseres veronderstelt, als zodanig geen rol bij de vaststelling van de ernst van de feiten. Het speelt wél een rol bij het vaststellen van de mate van het gevaar maar de burgemeester heeft gelet op het repeterende karakter van de strafbare feiten in dit geval geen reden hoeven te zien voor het oordeel dat het gevaar van misbruik niet langer aanwezig is. Gelet hierop kan eiseres niet worden gevolgd in haar betoog dat de burgemeester een minder vergaande maatregel had kunnen en moeten toepassen.